|
Samenvatting stand van zaken per 1 oktober. Wapenfeiten, zoals rechterlijke uitspraken, zijn er nog niet te melden. Maar om te voorkomen dat de gedachte bij U postvat dat er niets gebeurt, geven wij U hierbij een overzicht van activiteiten die achter de schermen plaats vinden. Niet alleen de Stichting Belangenbehartiging Nederlandse Gepensioneerden in het Buitenland (SBNGB), U weet wel de overkoepelende organisatie van de vier samenwerkende clubs uit Portugal, Spanje, Frankrijk en België, die zich verzetten tegen de onbillijkheden van de zorgverzekeringswet en haar advocaten hebben het nodige gedaan. Ook buiten Stichtingsverband zijn er initiatieven genomen. Ook van deze geven wij U een overzicht. Allereerst de Stichtingsactiviteiten. 1. De rechtszaken over keuzerecht en woonlandfactoren. Zoals bekend willen wij af van de gedwongen winkelnering bij de ziekenfondsen in ons woonland. Wij willen de vrijheid hersteld zien om te kunnen kiezen tussen ziekenfonds en particuliere verzekering. Van de bestuursrechter (in deze de Bestuurskamer van de Raad van State) wordt hier een uitspraak over verwacht. De stand van zaken met betrekking tot de voorbereiding hiertoe is de volgende. Er zijn door U talloze bezwaarschriften ingediend tegen dit gebrek aan keuzerecht. Door het CVZ is vervolgens een beslissing op bezwaar genomen. Die was afwijzend, zoals te verwachten. Door de advocaat is daarna aan vier mensen verzocht hierover een proefproces te voeren. Het betreft twee procesvoerders uit Spanje, één uit Frankrijk en één uit België. Zij worden hierin door de advocaat vertegenwoordigd en de Stichting draagt de kosten. Als eerste stap in dit proces zijn door de advocaat voor deze vier mensen beroepsschriften ingediend bij de Raad van State. Het beroepsschrift is een uitgebreid document waarin wordt betoogd op grond waarvan het keuzerecht hersteld moet worden. U hebt er kennis van kunnen nemen op onze website. Daarnaast is aan de Raad van State verzocht om een versnelde behandeling van het beroepsschrift. De Raad heeft hiermee ingestemd. Tot zover het keuzerecht. Er is indertijd bezwaar gemaakt bij de minister tegen de berekeningswijze van de woonlandfactoren. Dit is de verhouding tussen de gemiddelde zorgkosten in het woonland en die in Nederland. De minister maakt hierbij gebruik van de zorgkosten van de gehele bevolking. De Stichting betoogde dat de zorgkosten voor 65+ ers hier in het geding waren, omdat het overwegend om gepensioneerden gaat. De woonlandfactor met deze soort zorgkosten berekend is gunstiger dan die van de minister. Het bezwaar is door de Minister afgewezen. Hierna is besloten ook hierover naar de bestuursrechter te stappen. Ook hierover zijn talloze bezwaarschriften bij het CVZ ingediend. Ook hierover is een afwijzende beslissing op bezwaar genomen. Voor deze zaak zijn vijf procesvoerders aangezocht, uit België, Frankrijk, Ierland, Italië en Zweden. De beroepsschriften voor deze zaak zijn vrijwel afgerond en zullen binnenkort worden ingediend. Ook hiervoor zal een versnelde behandeling worden gevraagd. 2. Dubbele heffing In een aantal landen worden de zorgkosten uit de algemene middelen bekostigd. Nederlanders die daar gevestigd zijn betalen dus met hun belasting een evenredig deel daaraan mee. Evengoed brengen deze landen conform de Europese regels ( Verordening 1408/71) de zorgkosten voor die Nederlanders bij Nederland in rekening. Nederland betaalt dat, waarop inhouding van de zvw-bijdragen op de pensioenen plaats vindt. Deze mensen betalen dus dubbel. Om dit aan te pakken zou in ieder land waar dit gebeurt een proces gevoerd moeten worden tegen de Staat. Organisatorisch en financieel is dit een moeilijk uitvoerbare zaak. Toch wil het Stichtingsbestuur een poging wagen dit probleem aan te pakken. Als beginstap, zo adviseert de advocaat van de Stichting, kan worden overwogen de Gemeenschap eerst maar eens aansprakelijk te stellen. Dit zou kunnen gebeuren door een klacht bij de Europese Commissie en de Raad van Ministers in te dienen (met inbegrip van aansprakelijkstelling), waarin gesteld wordt dat Verordening 1408/71 een verboden discriminatie naar nationaliteit en een ernstige beperking van het vrije verkeer van personen behelst, doordat het lidstaten in bepaalde omstandigheden in de gelegenheid stelt ingezetenen die een pensioen genieten uit een andere lidstaat twee keer te belasten voor dezelfde verstrekkingen in verband met ziekte. Een dergelijke klacht, die in concept geformuleerd is, kan zonder noemenswaardige kosten worden ingediend. Echter deze stap moet gevolgd worden door een procedure voor het gerecht van eerste aanleg van de EU indien in negatieve zin op de aansprakelijkstelling wordt gereageerd. En dit is wèl een kostbare zaak. Het bestuur onderzoekt thans wegen om met vermijding van deze kosten toch een uitvoering aan dit geheel te kunnen geven. Op verzoek van de voorzitter van het Stichtingsbestuur is een werkgroep gevormd onder leiding van de heer Henk Achterberg uit Zweden. Deze groep inventariseert voor een aantal landen hoe het staat met die dubbele heffing. Thans wordt de laatste hand gelegd aan het eindrapport, dat ter onderbouwing kan dienen van bovengenoemde klacht en tevens ter hand zal worden gesteld aan de ECAS, een instelling die verderop in deze brief aan de orde komt. De voorzitter van de groep zegt over hun activiteiten het volgende. Enige tijd geleden kwam er naar aanleiding van berichten (o.a. Zweden) informatie boven tafel dat het systeem van verplichte inhoudingen door Cvz op Nederlandse pensioenen leidde tot in feite dubbel betalen van de kosten van zorg: één keer via het wettelijke systeem in het woonland en één keer via de (verplichte) inhoudingen door Cvz. Wat is er aan de hand? Het is gebleken dat verscheidene landen in Europa zoals Zweden, Finland, Groot-Brittannië, Ierland, Italië (en sommige delen van Spanje) een stelsel van sociale zekerheid kennen, waarbij de kosten van dat stelsel worden gefinancierd vanuit de belastingopbrengsten. Aangezien je als gepensioneerde Nederlander in je Europese woonland belastingplichtig bent, betaal je eigenlijk via deze weg voor de kosten van zorg in je woonland. Met andere woorden: men neemt deel aan een wettelijk verplicht stelsel van ziektekostenverzekering. Met de invoering van het nieuwe zorgverzekeringsstelsel in Nederland en de daaruit volgende verplichting tot registratie middels een E121 formulier bij de zorgautoriteiten in het woonland, is men verplicht aan het Nederlandse Cvz een bijdrage te betalen. Deze bijdrage is gebaseerd op de kosten van zorg in het woonland en verschillen vanwege de woonlandfactoren van land tot land. Cvz motiveert dit niet alleen door het afspelen van de inmiddels grijs gedraaide grammofoonplaat inhoudende de tekst: “ U hebt uitsluitend pensioen uit Nederland en dus bent u verdragsgerechtigd en betaalt Nederland de kosten voor uw zorg aan uw woonland”, maar beroept zich vanwege deze deun op de artikelen 28, 28bis en 33 uit de Verordening 1408/71 Dit betekent dat U in feite 2x betaalt voor uw zorgkosten. Om dit fenomeen nader te onderzoeken is vanuit de Stichting een werkgroep gevormd en zonder op de eindrapportage vooruit te lopen kan wel worden vastgesteld dat inderdaad nationale gezondheidszorgautoriteiten aan deze gang van zaken zwaar verdienen op kosten van, u raadt het al: de Nederlandse gepensioneerde. Cvz betaalt immers de kosten van zorg in uw woonland ?? Maar die heeft u al betaald! Enne…. opzeggen van de verzekering in het woonland is er niet bij: men is wettelijk verplicht aan het woonlandstelsel deel te nemen. Cvz is doof voor deze argumenten en gaat gewoon door met innen van bijdragen Zo kan de ‘bijdragebalans’ van Hoogervorst wel positief blijven. En de politiek maar tijdens de Algemene Beschouwingen roepen dat iedereen een goede en betaalbare ziektekostenverzekering moet hebben waarbij je niet teveel betaalt voor je zorg. En: kan je het allemaal niet opbrengen, wel dan is er toch de zorgkostenbijdrage?? Zeker, en die kan de Nederlandse gepensioneerde in het buitenland ook aanvragen, maar ze vergeten er wel bij te vertellen dat de belastingdienst in je woonland deze bijdrage beschouwt als inkomen en derhalve onderhevig maakt aan de te betalen belasting….. Nog een slotopmerking: uit het onderzoek komt ook naar voren dat vele Europese Lidstaten een slaatje proberen te slaan uit de Europese sociale zekerheidsregels, zeker als het gepensioneerden betreft: de regels worden zonder uitzondering in het nationale belang uitgelegd, en ja, over de ruggen van de gepensioneerden. En men is daarbij bereid zo nodig de bepalingen uit het Europese verdrag aan de laars te lappen. Vindt u het vreemd dat ‘Europa’ zo weinig leeft bij de Europese burger?? Henk Achterberg, Blattnicksele, Zweden. 3. Contacten met de verzekeraars Ook met het Verbond van Verzekeraars is er contact geweest. Helaas, het resultaat was bedroevend. Het Verbond schrijft dat onze acties hebben geleid tot “op maat gesneden oplossingen. Oplossingen waaraan de verzekeraars hun volle medewerking geven door het aanbieden van aanvullende verzekeringen…” Ook Zorgverzekeraars Nederland loopt over van begrip en wijst erop dat zij “in een eerder stadium nadrukkelijk aandacht heeft gevraagd voor de complexe situatie die bij invoering van de ZVW zou ontstaan” (de brief van Wiegel) Maar het parlement heeft anders besloten en door de dwingende regelgeving kunnen zij niet anders en zien zij geen kans tegemoet te komen aan “wensen van de diverse groepen”. Natuurlijk begrijpen ze onze teleurstelling en een nieuw gesprek lijkt hen “weinig opportuun”. Zie voor de hele correspondentie met de verzekeraars onze website. 4. European Citizen Action Service. De Stichting heeft contact met een organisatie genaamd ECAS, European Citizen Action Service. ECAS is een internationale non-profit organisatie en is onafhankelijk van politieke partijen, commerciële belangen en EU –instellingen. Hun missie is o.a. er voor te zorgen dat Non Governmental Organisations (NGO’s) en individuen gehoord worden door de EU, door hun adviezen te geven over hoe men kan lobbyen, fondsen kan verwerven en Europese burgerrechten kan verdedigen. www.ecas.org Er is een uitvoerige briefing gestuurd over onze situatie ten gevolge van de ZVW en onze initiatieven teneinde daarin verandering af te dwingen. Hierover is contact geweest met Tony Venables, director van ECAS. Betreffende organisatie heeft een grote invloed bij de totstandkoming van EU wetgeving en hun adviezen worden veelal gevolgd. Mario Monti is voorzitter hetgeen het gewicht aangeeft. (Mario Monti (1943) was van 1995 tot 2004 lid van de Europese Commissie. Van 1995 tot 1999 was hij belast met interne markt, en van 1999 tot 2004 met mededinging. Eerder was hij hoogleraar economie aan de universiteiten van Turijn en Milaan en werkzaam in diverse Italiaanse overheidscommissies inzake economische vraagstukken.) Het is duidelijk dat men zeer geïnteresseerd was in onze problematiek. Inmiddels is er een groot aantal dossiers naar deze instelling gestuurd over onze contacten met Europese instellingen, spoedig zal er een aantal dossiers over onze contacten met de Nederlandse regering en parlement volgen. Er zijn 2 punten die men wil onderzoeken. Allereerst zoeken zij advies “ about the compatibility or otherwise of the new healthcare legislation with the basic treaty provisions on free movement and equal treatment . In some cases Dutch pensioners are being forced to pay twice for health insurance, both in their country of residence and in their country of origin” . Vervolgens “ we look at the commission’s implementing text for regulation 883/2004 to see whether there are opportunities to propose changes whilst it is in the process of going through the other institutions.” Verordening 883/2004 moet de Verordening 1408/71 gaan vervangen. Beide handelen over “de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels” en zijn dus erg belangrijk voor de problematiek waar we mee te maken hebben. Deze Europese regels bepalen bijvoorbeeld wie er tot de verdragsgerechtigden gerekend moeten worden en geven ook de grenzen aan van de invloed die een regering heeft op haar expats. Het is dus erg belangrijk alles te doen om in de nieuwe verordening de positie van de geëmigreerden zo sterk mogelijk te maken. Inmiddels heeft ECAS besloten een eigen onderzoek in Nederland in te stellen via een juridisch kantoor.
Tot zover de opsomming van de Stichtingsactiviteiten. Activiteiten die buiten de Stichting om plaats vinden: Ook buiten de Stichting zijn er mensen die hun boosheid over het onrecht waar we tegen strijden omzetten in acties. Een aantal ervan is bij ons bekend. Zij voeren hun acties uit zonder last of ruggespraak met de overkoepelende Stichting of één van de deelnemende verenigingen . We willen hier toch over publiceren, omdat alles wat er op dit gebied gebeurt van belang voor u kan zijn. 1. Europarlement Het project van Jean Blankert heeft betrekking op het Europarlement. Hij heeft een petitie ingediend en deze is geaccepteerd. Ze is nu onderwerp van intensief onderzoek en alle aspecten die in strijd zijn met COM ((2002) 694 over het vrije verkeer binnen Europa) worden onder de loep genomen. Hij heeft ook contact met de Commissaris voor Justitie van EU en met ECAS. In feite ligt, sinds hij de COM (2002) 694 heeft ontdekt, het accent van zijn bemoeienis op de EU. Er is een grote tegenstelling tussen wat Mr. Rob Cornelissen (Head of Unit at the European Commission Employment, Social Affairs and Equal Opportunities DG) beweert in zijn antwoorden aan velen van ons enerzijds en de richtlijn COM (2002) 694 anderzijds. De Commissie is daarvan nu op de hoogte. Citaat: Het doel van dit stuk is in praktische termen enkele van de meeste belangrijke onderwerpen voor migrerende werkenden en hun families te beschrijven en de manier waarop de Commissie hiermee omgaat en zal omgaan met het oog op uitspraken van de Europese rechter. Vrij verkeer van personen is een fundamentele vrijheid die gegarandeerd wordt door het recht van de Gemeenschap en bevat het recht te werken en te wonen in een andere Lidstaat. Eerst was deze vrijheid in essentie gericht op economisch actieve personen en hun families Vandaag betreft het recht op vrij verkeer binnen de Gemeenschap ook andere categorieën zoals studenten, gepensioneerden en EU-burgers in het algemeen. Einde citaat Iedereen zal begrijpen dat er spanning ontstaat tussen aan de ene kant deze vrijheid en de gevolgen van de ZVW voor ons aan de andere kant. 2. Het Tweede Front Hierover laten wij een van de initiatiefnemers aan het woord, de heer Huub Frantzen: Het Tweede Front bestaat uit een losse groep mensen die op eigen kracht iets willen bijdragen aan het gezamenlijke doel: WEG MET DE EMIGRATIEBELASTING VAN ART.69. Maar ook: herstel van de vorig jaar nog bestaande buitenlandpolissen. Wat doen we? Heel in het kort: we geven een zo goed mogelijk doordachte en geformuleerde mening over die onderwerpen die ons raken. Zo hebben we nogal wat bijdragen en reacties geschreven op met name het Buitenforum van monitor. We hebben bezwaarschriften geschreven en op dit forum geplaatst. Sommigen hebben hun (voormalige) verzekeraars in gebreke gesteld en hebben hun oude verzekering weer terug, zonder prijsverhogingen. We hebben mensen op hun verzoek geadviseerd. Op het moment zijn we vooral bezig met het beroep inzake de keuzevrijheid. Wij verstaan daaronder de vrijheid om zelf te kiezen of wij ons willen aanmelden bij de lokale sociale verzekering of niet. In het laatste geval veroorzaken we nooit of te nimmer kosten die NL aan ons woonland zou moeten vergoeden. Wij stellen (en onderbouwen die stelling met kracht van argumenten) dat Nederland geen eigen, nationale, soevereine bevoegdheid heeft om inhoudingen te plegen op de pensioenen van intern-EU migranten, en dat Nederland volledig beperkt is tot en gebonden is door de bevoegdheid die artikel 33, lid 1 van VO 1408/71 geeft. Wij gaan als zelfstandige partij in beroep om niet afhankelijk te zijn van de stellingen en argumenten die een ander voor ons bedenkt en naar voren brengt. Wij doen dat niet om de Stichting en haar advocaat dwars te zitten, maar voor het gemeenschappelijke doel, en we betalen onze eigen kosten. Namens het Tweede Front, Huub Frantzen
VOORTGANG BEROEPSCHRIFTEN KEUZERECHT BIJ RAAD VAN STATE. From: Geursen, Wessel Heren, De Raad van State heeft besloten de beroepschriften versneld te behandelen. Dit betekent dat de termijnen waarbinnen bepaalde (procedurele) stappen dienen te geschieden, worden verkort. Over de precieze invulling van de verdere behandeling door de Raad van State ontvangen wij nader bericht. Wij houden jullie op de hoogte. Ik vertrouw erop jullie hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Met vriendelijke groet, Wessel Geursen De Brauw Blackstone Westbroek INLEIDING BEROEPSCHRIFT RAAD VAN STATE INZAKE KEUZERECHT. Als basis is genomen de Belgische situatie. In de beroepschriften voor de Spaanse kandidaten in de proefprocedure voor het keuzerecht is nog het volgende meer subsidiaire argument opgenomen: MEER SUBSIDIAIR: 1. Artikel 69 lid 1 Zvw heeft rechtsgevolgen voor personen die: (i) in het buitenland wonen; (ii) recht hebben op ziekteverzekering op grond van een Verordening en (iii) buiten de kring van op grond van de Zvw verplicht verzekerden vallen. 2. Nu Appellant op grond van de wetgeving van zijn woonland reeds recht heeft op dekking van ziektekosten, is artikel 28 van Verordening 1408/71 niet op hem van toepassing (maar artikel 28bis). Nu Appellant geen recht heeft op zorg of vergoeding van de kosten op grond van een Verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen, maar uitsluitend op basis van de nationale wetgeving van zijn woonland, voldoet hij niet aan de criteria van artikel 69 lid 1 Zvw. 3. Dat artikel 28bis van Verordening 1408/71 wel op hem van toepassing is, doet niets af aan die conclusie. Artikel 28bis zorgt er slechts voor dat de kosten door het woonland kunnen worden verhaald op het pensioenland. Die bepaling creëert echter zélf geen recht op prestaties, maar regelt slechts dat de lidstaat die een recht op prestaties toekent aan gerechtigden tot een pensioen uit een andere lidstaat, de kosten in verband met die prestaties mag verhalen op het pensioenland. 4. Nu Appellant niet voldoet aan de criteria van artikel 69 lid 1 Zvw, is die bepaling niet op hem van toepassing en is ten onrechte door het CVZ geconcludeerd dat hij Verdragsgerechtigd en dus bijdrageplichtig is. Derhalve dient het Besluit van het CVZ te worden vernietigd. BEROEPSCHRIFT - VERSNELDE BEHANDELING (artikelen 116 Zorgverzekeringswet jo. 26 en 36 Wet RvS jo. 8:52 Awb)
BEZORGEN Aan de Raad van State Afdeling bestuursrechtspraak 1. Dhr. X, wonende te Y, België ("Appellant"), die mede woonplaats kiest te Zuid-Hollandlaan 7, 2596 AL Den Haag, ten kantore van de advocaten Mr E.H. Pijnacker Hordijk en Mr W.W. Geursen, die voor Appellant als gemachtigden optreden, met het recht van substitutie, stelt beroep in als hierna bedoeld.
2. Het beroep richt zich tegen het besluit van het College voor Zorgverzekeringen ("CVZ"), genomen op bezwaar op 8 augustus, kenmerk nr. [**], waarin is besloten dat Appellant wordt aangemerkt als Verdragsgerechtigde en bijdrageplichtige (het "Besluit"). Een kopie van het Besluit is bij dit beroepschrift gevoegd (Bijlage 1).
3. Het belang van Appellant is bij het Besluit rechtstreeks betrokken. Appellant wenst daarom tegen het Besluit beroep in te stellen op grond van artikel 116 Zorgverzekeringswet, hetgeen hierbij tijdig geschiedt.
GRIFFIERECHT
4. Het verschuldigde griffierecht ten bedrage van EUR 141,- kan worden verrekend in de rekening-courant van De Brauw Blackstone Westbroek N.V., bij voorkeur onder vermelding van nr. [**].
I. VERZOEK OM VERSNELDE BEHANDELING
5. Appellant verzoekt om versnelde behandeling van het beroep overeenkomstig artikel 36 Wet op de Raad van State jo. artikel 8:52 Algemene wet bestuursrecht, aangezien het belang van Appellant een onverwijlde beslissing vordert. Hieraan liggen de volgende overwegingen ten grondslag:
a) Appellant is één van vele belanghebbenden die bezwaar heeft aangetekend tegen de aanmerking als Verdragsgerechtigde en bijdrageplichtige. Tegen het aan hem gerichte Besluit is de beroepschriftprocedure opgestart. Andere belanghebbenden hebben ook bezwaar aangetekend tegen het Besluit van CVZ. Die bezwaarschriftprocedures zijn aangehouden totdat de afdeling heeft beslist op dit beroepschrift en enige beroepschriften in parallelle bij u aanhangige zaken. Daarnaast heeft de Stichting Belangenbehartiging Nederlandse Gepensioneerden in het Buitenland reeds een kort geding procedure gevoerd, waarbij de voorzieningenrechter bij vonnis van 31 maart jl. een deel van de Zorgverzekeringswet- en regelgeving onverbindend heeft verklaard (LJN: AU8874). Er heerst nog steeds onzekerheid over de juistheid van de Zorgverzekeringswet- en regelgeving en bij de uitvoering ervan vinden nog steeds grove onregelmatigheden/achterstanden plaats. Nu de uitkomst van deze en parallelle beroepschriftprocedures voor velen zullen gelden en een einde kunnen maken aan de onzekerheden rond hun zorgverzekering, verzoekt belanghebbende u om versnelde behandeling, opdat spoediger de gewenste duidelijkheid kan worden bereikt. b) De kring van personen die door de aangevochten interpretatie van de Zorgverzekeringswet worden getroffen, omvat de oudsten en zwaksten in de samenleving, waarvan velen door ouderdom en lichamelijke gebreken niet meer in staat zijn voor hun rechten op te komen. Vertraging bij de afhandeling van deze principezaak brengt mee dat velen bij een voor hen positieve uitspraak geen baat meer zullen kunnen hebben. c) Daarnaast is het zeer waarschijnlijk dat nog voordat deze kabinetsperiode zal eindigen de regering een wijziging van de Zorgverzekeringswet zal voorstellen, waardoor niet meer uw afdeling, maar de sector bestuursrecht van de rechtbank te Amsterdam bevoegd zal worden beroepen tegen besluiten van CVZ te behandelen. Versnelde behandeling zal kunnen voorkomen dat deze zaak zal dienen te worden overgedragen aan de rechtbank te Amsterdam, met alle eventuele ongewenste vertraging van dien. Op dit moment ligt het wetsvoorstel daartoe ter advisering bij uw Raad en is derhalve nog niet openbaar gemaakt.
II. FEITEN
6. Appellant is [65+] jaar oud en woont in België.
7. Appellant ontvangt vanuit Nederland een AOW-uitkering. Met de overige Nederlandse sociale zekerheidswetgeving, waaronder de zorgverzekering, had Appellant tot de invoering van de nieuwe zorgverzekeringswet ("Zvw") per 1 januari 2006 niets te maken.
8. Het CVZ heeft Appellant naar aanleiding van de invoering van de Zvw aangemerkt als zogenaamde verdragsgerechtigde en als bijdrageplichtige. Het gevolg daarvan is dat hij volgens het CVZ verplicht is zich aan te melden en aan te sluiten bij het ziekenfonds van zijn woonplaats en er op zijn AOW- en pensioenuitkeringen bijdragen worden ingehouden die aan het door het CVZ beheerde Zorgverzekeringsfonds worden afgedragen. De door Appellant verschuldigde bijdrage beloopt EUR [**],- per jaar.
9. Bij brief van [DDMM] 2005 heeft zijn oude particuliere verzekering – kennelijk in het licht van artikel 2.5.2 van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet - opgezegd. Appellant was derhalve onverzekerd. Appellant heeft geen enkele belangstelling voor aansluiting bij een ziekenfonds in zijn woonland, omdat hij – gezien zijn leeftijd – niet in aanmerking komt voor een gelijkwaardige dekking als onder zijn oude particuliere verzekering. Zo kennen de Belgische ziekenfondsen het zogenaamde "remgeld", wat betekent dat zij hoogstens 70% vergoeden van de door het ziekenfonds vergoedbaar geachte kosten, welke doorgaans lager zijn dan de daadwerkelijk door artsen en ziekenhuizen gedeclareerde kosten. Bovendien heeft Appellant via het Belgische ziekenfonds slechts in uitzonderingsgevallen recht op verstrekkingen in Nederland. Appellant zal dus zeker zijn bestaande particuliere verzekering willen continueren. In de opvatting van CVZ is hij echter verplicht zich te laten inschrijven bij een Belgisch ziekenfonds.
10. Uiteindelijk heeft Appellant zich per [DD] mei jl. onder protest ingeschreven met zijn E-121 formulier bij het Belgische ziekenfonds, omdat het onverantwoord is zonder een verzekering ter dekking van ziektekosten door te blijven leven. Daarbij heeft hij zich moeten bijverzekeren via een zogenaamde hospitalisatieverzekering ter dekking van de kosten van een eventuele ziekenhuisopname. Overigens wordt met "bijverzekeren" niet zoals in Nederland bedoeld "uitbreiding van het pakket", maar uitbreiding tot 100% vergoeding van gemaakte kosten.
11. Appellant tekent beroep aan tegen de aanmerking door het CVZ als verdragsgerechtigde en als bijdrageplichtige aangezien hij daar niet voor gekozen heeft. Nu Appellant zich uitdrukkelijk niet wil aansluiten bij het ziekenfonds van zijn woonplaats, miskent het CVZ dat Nederland geen bijdragen mag heffen van personen die niet ten laste van Nederland komen. Het CVZ kan Appellant niet verplichten zich in te schrijven bij een Belgisch ziekenfonds door hem aan te merken als Verdragsgerechtigd.
III. VAN TOEPASSING ZIJNDE REGELGEVING
III.a Verdragsgerechtigde
12. Verordening 1408/71 coördineert de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen van de lidstaten op personen die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, met name teneinde te voorkomen dat die personen onverzekerd raken of twee maal voor dezelfde verzekering moeten betalen. De Verordening is onder andere van toepassing wanneer de justitiabele in een andere lidstaat woont (woonland), dan de lidstaat waaruit zijn loon of (staats)pensioen wordt betaald (werk-, c.q. pensioenland). De regeling voor gepensioneerden is vervat in de artikelen 28, 28bis, 33 van Verordening 1408/71 en artikel 29 van Verordening 574/72. Verordening 574/72 is een toepassingsverordening van Verordening 1408/71, waarin de meer praktische zaken van Verordening 1408/71 worden geregeld (bijvoorbeeld ten aanzien van het gebruik van (standaard)formulieren).
13. De artikelen 28 en 28 bis van Verordening 1408/71 voorzien in de mogelijkheid tot aansluiting van een gepensioneerde bij het ziekenfonds in zijn woonland, op voorwaarde dat hij in zijn pensioenland aanspraak zou hebben kunnen maken op prestaties in verband met ziekte als hij daar had gewoond.
Artikel 28 Verordening 1408/71 1. De rechthebbende op een pensioen of rente verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat (…) die geen recht op prestaties heeft op grond van de wettelijke regeling van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij woont, heeft niettemin zelf, evenals zijn gezinsleden, recht op deze prestaties, voorzover hij op grond van de wettelijke regeling van de voor de pensioenverzekering bevoegde Lid-Staat (…) met inachtneming (…) van bijlage VI recht op prestaties zou hebben, indien hij op het grondgebied van de betrokken Staat woonde. 2. In de in lid 1 bedoelde gevallen komen de verstrekkingen voor rekening van het overeenkomstig de volgende regels vastgestelde orgaan: a) indien de rechthebbende krachtens de wettelijke regeling van één Lid-Staat recht opbedoelde verstrekkingen heeft, komen deze voor rekening van het bevoegde orgaan van deze Staat; b) indien de rechthebbende krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer Lid-Staten recht opbedoelde verstrekkingen heeft, komen deze voor rekening van het bevoegde orgaan van de Lid-Staat aan de wettelijke regeling waarvan de rechthebbende het langst onderworpen is geweest; ingeval de toepassing van deze regel ertoe leidt dat de verstrekkingen voor rekening van meer dan een orgaan komen, komen zij voor rekening van het orgaan, dat de wettelijke regeling toepast waaraan de rechthebbende het laatst onderworpen is geweest.
Artikel 28bis Verordening 1408/71 Indien de rechthebbende op een pensioen of rente, verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat (…) woont op het grondgebied van een Lid-Staat waarvan de wettelijke regeling voor het recht op verstrekkingen geen voorwaarden stelt inzake de verzekering of de arbeid en krachtens de wettelijke regeling waarvan geen pensioen of rente verschuldigd is, komen de aan hem en aan zijn gezinsleden verleende verstrekkingen voor rekening van het overeenkomstig artikel 28, lid 2, bepaalde orgaan van een van de ter zake van pensioenen bevoegde Lid-Staten, voorzover de betrokken rechthebbende en zijn gezinsleden recht zouden hebben op deze verstrekkingen krachtens de wettelijke regeling die wordt toegepast door het bedoelde orgaan indien zij woonden op het grondgebied van de Lid-Staat waar dit orgaan is gevestigd.
14. Een AOW-gerechtigde die in een andere lidstaat dan Nederland woont, zou recht hebben gehad op ziektekostenverstrekkingen als hij in Nederland had gewoond. Hij had dan immers op grond van de Zvw bij een zorgverzekeraar een basisverzekering moeten afsluiten. Om te bewijzen dat een in een andere lidstaat dan Nederland woonachtige AOW-gerechtigde recht zou hebben gehad op ziektekostenverstrekkingen als hij in Nederland had gewoond, verstrekt het CVZ een zogenaamd E-121 formulier.
15. Wanneer de AOW-gerechtigde zich wil laten registreren bij het ziekenfonds van zijn woonplaats met behulp van een E 121-formulier treedt ingevolge artikel 29 van Verordening 574/72 het mechanisme van artikel 28 / 28bis van Verordening 1408/71 in werking. Op dat moment kan hij op grond van de Verordening aanspraken maken op het zorgverzekeringsstelsel van zijn woonland. Deze categorie verzekerden worden Verdragsgerechtigden genoemd.
Artikel 29 Verordening 574/72 1. Om op het grondgebied van de Lid-Staat waar hij woont in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 28, lid 1, en artikel 28 bis van de verordening [1408/71], is de pensioen- of rentetrekker verplicht zich en zijn in dezelfde lidstaat wonende gezinsleden te doen inschrijven bij het orgaan van de woonplaats, onder overlegging van een verklaring [het E 121-formulier][1] waarin wordt bevestigd dat hij krachtens de wettelijke regeling of krachtens één der wettelijke regelingen opgrond waarvan een pensioen of rente verschuldigd is, voor zich zelf en voor zijn gezinsleden recht opgenoemde verstrekkingen heeft. 2. Deze verklaring wordt opverzoek van de pensioen- of rentetrekker door het orgaan of één der organen die pensioen of rente verschuldigd zijn of, in voorkomend geval, door het orgaan dat over het recht op verstrekkingen moet beslissen, afgegeven, zodra de pensioen- of rentetrekker voldoet aan de voorwaarden voor het ingaan van het recht op deze verstrekkingen. Indien de pensioen- of rentetrekker de verklaring niet overlegt, verzoekt het orgaan van de woonplaats het orgaan of de organen die het pensioen of de rente verschuldigd zijn of, in voorkomend geval, het hiertoe gerechtigde orgaan daarom. In afwachting van de ontvangst van deze verklaring kan het orgaan van de woonplaats de pensioen- of rentetrekker en zijn in dezelfde lidstaat wonende gezinsleden voorlopig inschrijven op vertoon van de door dit orgaan toegelaten bewijsstukken. Deze inschrijving is voor het orgaan dat de kosten van de verstrekkingen moet dragen slechts bindend, wanneer laatstgenoemd orgaan de in lid 1 bedoelde verklaring heeft afgegeven. 3. Het orgaan van de woonplaats stelt het orgaan dat de in lid 1 bedoelde verklaring heeft afgegeven in kennis van iedere inschrijving die het overeenkomstig bedoeld lid heeft verricht. 4. Bij elke aanvraag om verstrekkingen moet aan de hand van het ontvangstbewijs of het strookje van de postwissel van de laatste betaling, aan het orgaan van de woonplaats worden bewezen dat het recht op pensioen of rente nog steeds bestaat. 5. De pensioen- of rentetrekker of zijn in dezelfde lidstaat wonende gezinsleden zijn verplicht het orgaan van de woonplaats in kennis te stellen van elke wijziging in hun omstandigheden, waardoor het recht op verstrekkingen kan worden gewijzigd, in het bijzonder van elke schorsing of intrekking van het pensioen of de rente en elke overbrenging van hun woonplaats. De organen die pensioen of rente verschuldigd zijn, stellen het orgaan van de woonplaats van de pensioen- of rentetrekker in kennis van deze wijziging.
16. De regeling van artikel 28 / 28bis van Verordening 1408/71 betreft uitsluitend het minimale verstrekkingenniveau door het woonland. Op eventuele aanvullende verzekeringen is uitsluitend het nationale recht van toepassing. Indien de gepensioneerde zich niet laat registreren bij het ziekenfonds van zijn woonland, blijven artikel 28 / 28bis van Verordening 1408/71 zonder gevolg.
III.b Verdragsgerechtigdheid leidt tot opzegging van particuliere verzekeringen
17. Wanneer een particulier verzekerde AOW-gerechtigde Verdragsgerechtigd is, geeft artikel 2.5.2 lid 2 van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet de mogelijkheid voor verzekeringsmaatschappij om de particuliere ziektekostenverzekering op te zeggen.
Artikel 2.5.2 lid 2 van de Invoerings- en aanpassingswet Zvw Een overeenkomst met betrekking tot de verzekering van geneeskundige zorg of de kosten daarvan, gesloten voor of met een [Verdragsgerechtigde], vervalt met ingang van 1 januari 2006, voor zover aan de overeenkomst rechten kunnen worden ontleend, gelijkwaardig aan die, welke vanaf dat tijdstip met toepassing van zodanige verordening of verdrag aan de betrokkene toekomen, mits de verzekerde voor 1 mei 2006 heeft voldaan aan de verplichting tot aanmelding bij het College zorgverzekeringen ingevolge artikel 69 van de Zorgverzekeringswet.
18. Veel Nederlandse verzekeringsmaatschappijen hebben hier aanleiding in gezien om de gehele verzekeringsovereenkomst op te zeggen; zo ook met Appellant.
III.c Bijdrageplicht
19. Het woonland draagt zorg voor verstrekkingen in verband met ziekte aan Verdragsgerechtigden. Het pensioenland dient deze kosten te vergoeden aan het woonland. De vergoeding beloopt 80% van de gemiddelde kosten van de verstrekkingen voor 65+-ers in het woonland (artikel 95 van Verordening 574/72).
20. Wanneer het pensioenland de kosten draagt voor verstrekkingen aan een Verdragsgerechtigde, is het pensioenland op zijn beurt gerechtigd een bijdrage of premie te heffen van de Verdragsgerechtigde en in te houden op zijn staatspensioen/AOW-uitkering. Dit systeem is geregeld in artikel 33 lid 1 van Verordening 1408/71.
Artikel 33 lid 1 van Verordening 1408/71 Het orgaan van een Lid-Staat dat een pensioen of rente verschuldigd is en dat een wettelijke regeling toepast waarin is bepaald, dat voor rekening van een pensioen of rentetrekker bijdragen of premies worden ingehouden om de kosten van de prestaties bij ziekte en moederschap te dekken, is gemachtigd deze bedragen, berekend overeenkomstig de betrokken wettelijke regeling, in te houden op het pensioen of de rente welke dit orgaan verschuldigd is, voorzover de prestaties krachtens de artikelen 27, 28, 28 bis, 29, 31 en 32 voor rekening van een orgaan van bedoelde Lid-Staat komen.
21. Het pensioenland Nederland heeft slechts een heffingsrecht voorzover de kosten voor de buiten Nederland woonachtige AOW-gerechtigde ook daadwerkelijk aan Nederland in rekening worden gebracht.
22. De hoogte van de in te houden bedragen wordt berekend overeenkomstig de nationale wetgeving van het pensioenland. In Nederland is dit geregeld in artikel 69 Zvw en de Regeling zorgverzekering.
Artikel 69 Zvw 1. In het buitenland wonende personen die met toepassing van een Verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen dan wel toepassing van zodanige verordening krachtens de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of een verdrag inzake sociale zekerheid in geval van behoefte aan zorg recht hebben op zorg of vergoeding van de kosten daarvan, zoals voorzien in de wetgeving over de verzekering voor zorg van hun woonland, melden zich, tenzij zij op grond van deze wet verzekeringsplichtig zijn, bij het College zorgverzekeringen aan. 2. De in het eerste lid bedoelde personen zijn een bij ministeriële regeling te bepalen bijdrage verschuldigd, die voor de toepassing van artikel 22 alsmede, voor een bij die regeling te bepalen gedeelte van de bijdrage, voor de toepassing van de Wet op de zorgtoeslag als premie voor een zorgverzekering wordt beschouwd. 3. Indien de melding niet is geschied binnen vier maanden nadat het recht, bedoeld in het eerste lid, is ontstaan, legt het College zorgverzekeringen degene die de melding had moeten doen een boete op, die gelijk is aan 130% van een bij ministeriële regeling te bepalen gedeelte van de bijdrage, bedoeld in het tweede lid, over een periode gelijk aan de periode gelegen tussen de dag waarop het recht ontstond en de dag waarop de melding is geschied, maar met een maximum van vijf jaren. 4. Het College zorgverzekeringen is belast met de administratie, voortvloeiend uit het eerste lid en de daar genoemde internationale regels, alsmede met de heffing en de inning van de bijdrage, bedoeld in het tweede lid. 5. Bij ministeriële regeling: a. kan, in afwijking van het vierde lid, worden bepaald dat de bijdrage, bedoeld in het tweede lid, door een orgaan dat pensioen of rente uitkeert, op dat pensioen of die rente wordt ingehouden en aan het Zorgverzekeringsfonds wordt afgedragen; b. kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop het College zorgverzekeringen zijn taak, bedoeld in het vierde lid, uitoefent of de organen, bedoeld in onderdeel a, de in dat onderdeel bedoelde werkzaamheden uitvoeren.
23. Op basis van artikel 69 Zvw is Appellant aangemerkt als bijdrageplichtige.
IV. GRONDEN VAN HET BEROEPSCHRIFT
24. De gronden voor het beroep zijn de volgende:
IV.a Primair a) De artikelen 28 en 28bis van Verordening 1408/71 bevatten geen dwingende aanwijsregel uit hoofde waarvan geëmigreerde AOW-gerechtigden van rechtswege onderworpen zijn aan het verstrekkingenregime van het woonland. Die bepalingen belichamen slechts een recht waarvan de gepensioneerde werknemer kan kiezen al dan niet gebruik te maken. Dat keuzerecht vloeit voort uit het systeem van Verordening 1408/71 en Verordening 574/72, mede bezien in het licht van artikelen 39 en / of 18 EG-Verdrag. b) Nu Appellant zich niet heeft ingeschreven bij het ziekenfonds van zijn woonplaats, zijn de artikelen 28 en 28bis van Verordening 1408/71 niet op Appellant van toepassing. Dit betekent dat het woonland Spanje geen kosten in rekening mag brengen aan Nederland terzake van (inexistente) prestaties ten behoeve van Appellant. c) Aangezien Nederland uitsluitend bijdragen mag heffen van pensioentrekkers waarvan de prestaties te haren laste komen, kan Artikel 69 Zvw niet worden toegepast op Appellant. d) Een en ander leidt er toe dat het Besluit dient te worden vernietigd.
IV.b Subsidiair a) Wanneer uw afdeling concludeert dat Verordening 1408/71 en de toepassingsverordening 574/72 niet de ruimte bieden voor de primair aangevoerde uitleg dat de artikelen 28 en 28bis van Verordening 1408/71 en artikel 29 van Verordening 574/72 een keuzerecht inhouden, dan dienen die bepalingen onverbindend te worden verklaard, voorzover zij niet voorzien in de mogelijkheid te kiezen al dan niet gebruik te maken van het geboden recht. Die onmogelijkheid levert namelijk een belemmering van het vrij verkeer van personen, zoals gewaarborgd door de artikelen 39 en 18 EG-Verdrag en Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van de burgers van de Unie en hun familieleden om zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven.[2] b) Door niet te voorzien in een keuzemogelijkheid, wordt door een éénzijdige wijziging van de zorgverzekeringswetgeving in Nederland de situatie gecreëerd waardoor de levensstandaard van AOW-gerechtigden die in een andere lidstaat dan Nederland wonen zodanig aangetast dat er sprake is van een belemmering van het vrij verkeer van personen. Die aantasting wordt veroorzaakt door een (i) verlaging van de dekking van zorg- en ziektekosten door gedwongen aansluiting bij het woonlandpakket, terwijl er (ii) tegelijkertijd sprake is van een verhoging van de bijdragen en premies die Appellant moet betalen en (iii) Appellant geen aanspraak meer kan maken op (lopende) behandelingen in het pensioenland Nederland. De enige oplossing om de levensstandaard die Appellant had voor 1 januari 2006 te garanderen is, bij het ontbreken van een keuzerecht, terugkeren naar Nederland. Zulks is in strijd met het vrij verkeer van personen. c) Dit leidt tot de conclusie dat het Besluit dient te worden vernietigd.
V. NADERE TOELICHTING OP DE GRONDEN
V.a PRIMAIR
V.a.1 De artikelen 28 en 28bis van Verordening 1408/71 bevatten een keuzerecht
25. Appellant heeft zich als buiten Nederland woonachtige AOW-gerechtigde dienen te melden bij CVZ. De meldingsplicht bij CVZ ingevolge artikel 69 Zvw vindt zijn grondslag uitsluitend in de aan CVZ in diezelfde wetsbepaling opgelegde taak om de op Nederland rustende verplichtingen ten aanzien van verdragsgerechtigden te kunnen administreren en de verplichte bijdrage te kunnen innen. De verplichte bijdrage vindt haar grondslag (en mogelijke rechtvaardiging in het licht van het EG-recht) uitsluitend in het feit dat Nederland gehouden is op forfaitaire basis de kosten van verstrekkingen te vergoeden waarop verdragsgerechtigden uit hoofde van artikel 28 resp. 28bis van Verordening 1408/71 in hun woonland na inschrijving bij het ziekenfonds aldaar aanspraak kunnen maken.
26. Artikel 69 Zvw heeft echter niet de dwingende werking die CVZ daaraan toedicht. CVZ miskent dat in het buitenland woonachtige gepensioneerden met een Nederlands pensioen onder Verordening 1408/71 niet verplicht zijn zich te doen registreren bij een ziekenfonds in hun woonplaats. Voorts geldt dat wanneer een AOW-gerechtigde van zijn recht daartoe geen gebruik wenst te maken, Nederland ook niet gerechtigd is enige bijdrage van de betreffende AOW-gerechtigde te heffen. Wanneer artikel 69 Zvw conform de regeling van de artikelen 28 en 28bis van Verordening 1408/71 en artikel 29 van Verordening 574/72 wordt uitgelegd, dient artikel 69 Zvw buiten toepassing te blijven jegens iedere AOW-gerechtigde die zich niet doet registeren bij het ziekenfonds van zijn woonplaats, resp. die registratie intrekt.
27. De regeling van de artikelen 28 en 28bis van Verordening 1408/71 – die zijn opgenomen in Titel III van de Verordening - en artikel 29 van Verordening 574/72 is van geheel andere aard dan de dwingende aanwijsregels van Titel II van Verordening 1408/71. Ingevolge de bepalingen van Titel II is een migrerende werknemer in beginsel van rechtswege aangesloten bij het socialezekerheidsstelsel dat door de in het concrete geval toepasselijke bepaling wordt aangewezen, zonder dat de werknemer daartoe enige bijkomende handeling dient te verrichten. De artikelen 28 en 28bis brengen daarentegen geen aansluiting bij een nationaal stelsel tot stand.
28. Ingevolge artikel 29 van Verordening 574/72 dient de AOW-gerechtigde zichzelf (en zijn gezinsleden) te doen inschrijven bij het ziekenfonds van zijn woonplaats "om op het grondgebied van de lidstaat waar hij woont in aanmerking te komen voor verstrekkingen". Inschrijving is een noodzakelijke voorwaarde om voor verstrekkingen in aanmerking te kunnen komen. Er is geen sprake van een wettelijke verplichting tot inschrijving tout court. Er is ook geen sprake van een wettelijk recht op verstrekkingen dat ontstaat ongeacht de wil van de betrokke. Er staat geen sanctie op het niet inschrijven, anders dan dat geen recht op verstrekkingen tot stand komt.
29. De tekst en het systeem van de Verordeningen laten derhalve geen ruimte voor het construeren van een dwingende aanwijsregel.
V.a.2 Weerlegging van overwegingen van het CVZ in het besluit op bezwaar
Keuzerecht
30. CVZ verwijst terecht naar het arrest van het Hof van Justitie van 4 juli 1990 in zaak C-117/89, Kracht (Jurispr. 1990, blz. I-2781), maar verbindt daar de onjuiste gevolgtrekking aan. Het Hof van Justitie heeft in dat arrest (r.o. 16) aangegeven dat waar het recht op gezinsbijlagen bestaat op grond van artikel 73 van Verordening 1408/71 de rechthebbende niet kan worden gedwongen om dat recht uit te oefenen. Dat zou namelijk leiden tot een beperking van de mogelijkheden waarover de migrerende werknemer beschikt.
31. Op die manier moeten ook de artikelen 28 en 28bis van Verordening 1408/71 worden geïnterpreteerd. De AOW-gerechtigde heeft in zijn woonland recht op ziektekostenverstrekkingen, maar kan niet worden gedwongen daarvan gebruik te maken. Zouden die bepalingen daarentegen (zoals de Minister van VWS meerdere malen heeft aangegeven tijdens de parlementaire behandeling van de Zvw) als een dwingende regel moeten worden gezien, dan zou dat net als in zaak C-117/89, Kracht leiden tot een beperking van de mogelijkheden waarover de emigrerende AOW-gerechtigde dankzij de artikelen 28 en 28bis van Verordening 1408/71 beschikt.
32. De Minister van VWS erkent overigens wel de mogelijkheid van het niet doen inschrijven van een AOW-gerechtigde bij het ziekenfonds van zijn woonplaats en erkent daarmee dat voor inschrijving geen verplichting bestaat. Daarnaast
"De verzekeringsinstelling van het woonland kan het forfait in rekening brengen als betrokkene zich met het E-121formulier heeft aangemeld. Meldt betrokkene zich niet aan, dan vindt geen inschrijving plaats in het woonland ten laste van Nederland en vindt geen kostenafrekening plaats met het buitenland. Betrokkene is wel de verdragsbijdrage verschuldigd."(TK 2005-2006, 29689, nr. 84, p. 3)
33. Ook het CVZ bevestigt in het Besluit dat Appellant niet verplicht is zich in te schrijven met het E-121 formulier.
"Het CVZ is met u van mening dat het antwoord op de vraag of recht op zorg bestaat in de zin van artikel 69, lid 1, Zvw, niet voortvloeit uit de Zorgverzekeringswet, maar uit de toepasselijke internationale regeling, in uw geval de Verordening. In tegenstelling tot u is het CVZ echter van mening dat dit recht op zorg bestaat los van de vraag of de betrokken persoon medewerking verleent aan de administratieve handelingen die nodig zijn om dit recht te concretiseren."
34. Die conclusie van het CVZ is onjuist. Zolang een AOW-gerechtigde zich niet heeft ingeschreven met het E-121 formulier, heeft hij geen recht op de dekking van ziektekosten en is hij dus niet Verdragsgerechtigd. Het inschrijven heeft namelijk een constitutief effect. Wanneer een AOW-gerechtigde zich alsnog inschrijft, verkrijgt hij niet met terugwerkende kracht recht op vergoeding van verstrekkigen over de periode waarin hij tot inschrijving gerechtigd was, maar niet was ingeschreven. Dit wordt door CVZ miskend.
Dat het E-121 formulier een constitutief element heeft blijkt uit de gevallen die de Nationale Ombudsman noemt in zijn rapport "Zorg(en) in het buitenland - Over de uitvoering van de Zorgverzekeringswet voor gepensioneerden en uitkeringsgerechtigden in het buitenland" van 5 september 2006 (nr. 2006/300). Het rapport is bij dit beroepschrift gevoegd als Bijlage 2.
Bijdrageplicht
35. De opmerking van de Minister dat er wel een verdragsbijdrage is verschuldigd, ondanks dat een AOW-gerechtigde zich niet inschrijft met het E-121 formulier, is onjuist. Overigens is ook het CVZ deze onjuiste mening toegedaan, zoals blijkt uit de conclusie van het Besluit. Wanneer het woonland geen kosten in rekening brengt / kan brengen bij gebrek aan inschrijving met het E-121 formulier in het woonland, heeft het pensioenland Nederland namelijk geen heffingsrecht op grond van artikel 33 van Verordening 1408/71.
36. In tegenstelling tot wat CVZ concludeert, is de grondslag van de bijdrageplicht niet te vinden in "solidariteit". De grondslag is neergelegd in artikel 69 Zvw. Nederland is slechts gerechtigd de in artikel 69 Zvw genoemde bijdrage te heffen voor zover het EG-recht - meer in het bijzonder het vrij verkeer van personen en Verordening 1408/71 - daartoe ruimte laat. Artikel 33 van Verordening 1408/71 kent Nederland slechts onder voorwaarden de bevoegdheid toe om te heffen.
37. Artikel 33 lid 1 van Verordening 1408/71 luidt als gezegd als volgt:
"Het orgaan van een Lid-Staat dat een pensioen of rente verschuldigd is en dat een wettelijke regeling toepast waarin is bepaald, dat voor rekening van een pensioen of rentetrekker bijdragen of premies worden ingehouden om de kosten van de prestaties bij ziekte en moederschap te dekken, is gemachtigd deze bedragen, berekend overeenkomstig de betrokken wettelijke regeling, in te houden op het pensioen of de rente welke dit orgaan verschuldigd is, voorzover de prestaties krachtens de artikelen 27, 28, 28 bis, 29, 31 en 32 voor rekening van een orgaan van bedoelde Lid-Staat komen."(onderstreping toegevoegd)
38. Uit de toevoeging van de laatste bijzin die begint met "voorzover", blijkt dat Nederland niet van iedere AOW-gerechtigde die in een andere lidstaat dan Nederland woont een bijdrage mag heffen of mag stellen dat die persoon bijdrageplichtig is. Die AOW-gerechtigde wordt volgens artikel 33 van Verordening 1408/71 pas bijdrageplichtig wanneer Nederland de kosten voor die AOW-gerechtigde in rekening krijgt gebracht door de woonstaat van de AOW-gerechtigde. Zolang de woonstaat van de AOW-gerechtigde geen kosten in rekening brengt c.q. mag brengen bij Nederland, is Nederland niet gerechtigd enige bijdrage te heffen terzake van ziektekosten.
39. De woonstaat is pas gerechtigd de kosten bij Nederland in rekening te brengen wanneer de AOW-gerechtigde zich met zijn E-121 formulier inschrijft bij het ziekenfonds van zijn woonplaats. Wanneer hij dat niet doet, heeft de AOW-gerechtigde geen recht op ziektenkostendekking door zijn woonstaat en kan die woonstaat geen kosten in rekening te brengen bij Nederland. De eventuele ziektekosten die worden gemaakt ten behoeve van de AOW-gerechtigde komen dan ook niet voor rekening van de woonstaat, maar zoals in het geval van Appellant, voor rekening van zijn particuliere ziektekostenverzekeraar.
40. Zolang de AOW-gerechtigde geen gebruik maakt van het recht dat de artikelen 28 en 28bis van Verordening 1408/71 hem toekent, mag de woonstaat geen kosten in rekening brengen bij de pensioenstaat Nederland. Zolang Nederland geen kosten in rekening worden gebracht, verkrijgt Nederland niet het heffingsrecht waarin artikel 33 van Verordening 1408/71 voorziet en mag Nederland een AOW-gerechtigde niet aanmerken als bijdrageplichtige en bijdragen inhouden op zijn AOW-uitkering.
41. CVZ geeft ten onrechte aan dat of een AOW-gerechtigde al dan niet gebruik maakt van zijn recht op ziektekostenverzekering irrelevant is voor de vraag of hij bijdrageplichtig is, aangezien de bijdrage volgens CVZ is gebaseerd op solidariteit. Dat laatste is dus niet het geval. Zoals reeds aangegeven laat artikel 33 van Verordening 1408/71 Nederland slechts onder de daar genoemde voorwaarden, het recht om te heffen. En dat is wel een dwingende regel, waarvan niet kan worden afgeweken.
Overigens is het woord "solidariteit" hier misplaatst, aangezien elke (verticale) solidariteit met buiten Nederland wonende AOW-gerechtigden ontbreekt in de Zvw. Doordat de bijdrage wordt gerelateerd aan de gemiddelde kosten van verstrekkingen aan de gehele bevolking[3], is de bijdrage in veel gevallen hoger dan het bedrag dat Nederland onder de Verordening moet afdragen aan het woonland. Terwijl kosten van verstrekkingen aan 65+-ers uit solidariteitsoverwegingen juist in belangrijke mate door jongeren (moeten) worden opgebracht, maakt Nederland zelfs "winst" op in het buitenland wonende gepensioneerden. Met "solidariteit heeft dat niets te maken.
42. Nu er geen verplichting bestaat tot inschrijving met een E-121 formulier –, hetgeen ook is erkend door de Minister van VWS –, is CVZ ten onrechte tot de conclusie gekomen dat Appelant Verdragsgerechtigde is en bijdrageplichtig.
43. CVZ heeft het keuzerecht miskend door voordat Appellant zich überhaupt had ingeschreven / had kunnen inschrijven, reeds bij toezending van het E-121 formulier Appellant als Verdragsgerechtigde en bijdrageplichtige aan te merken. Derhalve dient het Besluit te worden vernietigd.
V.a.3 Situatie voor 1 januari 2006 bevestigt het bestaan van het keuzerecht
Verzekering van ziektekosten: ziekenfonds en particuliere verzekering
44. Illustratief voor het bestaan van een keuzerecht is de manier waarop de regelgeving voor particulier verzekerde buiten Nederland wonende AOW-gerechtigden voor 1 januari 2006 van verdragsgerechtigdheid uitsloot. Een belangrijk deel van de gemigreerde AOW-gerechtigden was niet onderworpen aan de Nederlandse sociale ziektewetgeving vastgelegd in de Ziekenfondswet ("Zfw"). Slechts voor gemigreerde ziekenfondsverzekerde AOW-gerechtigden gold het systeem van artikel 28 / 28bis van Verordening 1408/71 al voor 1 januari 2006.
45. De socialezekerheidspositie van gemigreerde particulier verzekerde AOW-gerechtigden in het woonland kon van geval tot geval sterk uiteenlopen. In de meeste gevallen waren migrerende gepensioneerden evenmin verzekerd ingevolge het socialezekerheidsstelsel van hun woonland (namelijk in de landen die werknemersverzekeringsstelsels kennen). Voorbeelden zijn België en Frankrijk. Sommige landen kennen een recht op verstrekkingen voor alle ingezetenen die worden gefinancierd uit de algemene middelen (dat wil zeggen een volksverzekering zonder premieplicht). De belangrijkste voorbeelden zijn het Verenigd Koninkrijk, Zweden en een groot aantal comunidades in Spanje. Weer andere landen voorzien in een verplichte verzekering met premieplicht voor ingezetenen (dit geldt voor sommige Spaanse comunidades).
46. In de grote meerderheid van de gevallen waren in het buitenland wonende pensioengerechtigden tot 1 januari 2006 particulier verzekerd, al dan niet in aanvulling op aansluiting bij het socialezekerheidsstelsel van het woonland. Dit hangt mede samen met het feit dat de kwaliteit van en de vergoedingen voor verstrekkingen ingevolge de socialezekerheidsregelingen van de woonlanden pleegt achter te blijven bij datgene wat onder Nederlandse verzekeringen placht/pleegt te worden geboden.
In tegenstelling tot de in Nederland geboden dekking van ziektekosten hebben gepensioneerden onder het Spaanse ziektekostenstelsel geen volledig vrije artsenkeuze, in het geheel geen vrije ziekenhuiskeuze; onder het Belgische stelsel dienen verzekerden substantiële inkomensafhankelijke eigen bijdragen te betalen, die kunnen oplopen tot duizenden euro's per jaar en kosten van ziekenhuisopnamen worden voor niet meer dan 60 tot 70% vergoed; in Frankrijk is dit niet anders.]
47. Door Appellant aan te merken als Verdragsgerechtigde en bijdrageplichtig miskent CVZ volledig dat Appellant tot 1 januari 2006 als particulier verzekerde AOW-gerechtigde placht te beschikken over een verzekeringsdekking die een zeer veel uitgebreidere dekking verschafte dan de basisvoorzieningen in het woonland. CVZ kiest er bewust voor deze gepensioneerden terug te werpen op het basisniveau van de sociale zekerheid in het woonland in "ruil" voor een zeer hoge verplichte bijdrage aan de (Nederlandse) Staat, en met verlies van de zekerheid van de bestaande particuliere dekking door hen als Verdragsgerechtigde aan te merken. Het aanmerken door het CVZ als Verdragsgerechtigde doet afbreuk aan de verzekeringspositie van de buiten Nederland wonende pensioengerechtigde.
48. Voor pensioengerechtigden is voorts van belang dat zij in geval van grote ingrepen desgewenst kunnen terugvallen op artsen en ziekenhuizen uit hun land van herkomst, mede vanwege lopende behandelingen die zijn gecontinueerd na emigratie, aanwezigheid van familie na of tijdens de behandeling, de mogelijke taalproblemen, etc. De particuliere verzekeringen voorzien in dekking van dergelijke verstrekkingen.
49. De betreffende AOW-gerechtigden waren in de meeste gevallen aangesloten bij een Nederlandse particuliere ziektekostenverzekering. Veelal hadden zij hun binnenlandse verzekering op enigszins aangepaste condities gecontinueerd nadat zij Nederland metterwoon hadden verlaten. De poliskosten waren in de regel ook niet noemenswaardig hoger dan die voor aangeslotenen met een "binnenlanddekking". Voor tal van gepensioneerden gold voorts dat zij na hun pensionering aangesloten waren gebleven bij de collectieve particuliere ziektekostenregeling van hun voormalige werkgever. Hun pensionering leidde niet tot wijziging van de verzekeringsdekking of van de verschuldigde premie.
50. Tot slot: particuliere ziektekostenverzekeraars plachten ten behoeve van buiten Nederland wonende verzekerden onder meer contracten af te sluiten met artsen ter plaatse die de Nederlandse taal machtig waren, teneinde aldus deze verzekerden in staat te stellen in hun woonland te worden geholpen door Nederlandstalige artsen conform de in Nederland vigerende standaarden. Ook dat komt te vervallen door het feit dat Appellant door het CVZ is aangemerkt als Verdragsgerechtigde en de daaropvolgende opzegging van zijn particuliere verzekering.
Verzekering van zorgkosten onder de AWBZ: bewuste uitsluiting door Nederland
51. Waar in Nederland in het sociale ziektekostenstelsel onderscheid werd gemaakt tussen ziekenfonds en particuliere verzekeringen, werd in het sociale zorgkostenstelsel in de vorm van AWBZ een dergelijk onderscheid niet gemaakt. In beginsel waren Nederlandse ingezetenen AWBZ-verzekerd, ongeacht of zij ziekenfonds of particulier waren verzekerd. De hoofdregel / het systeem van artikel 28 / 28bis van Verordening 1408/71 zou er dan voor hebben gezorgd dat een buiten Nederland wonende particulier verzekerde AOW-gerechtigde Verdragsgerechtigde was geweest. Immers, had hij in Nederland gewoond, dan was hij AWBZ-verzekerd geweest en dus voldoet hij aan de criteria gesteld in artikel 28 / 28bis van Verordening 1408/71 en heeft hij het recht aanspraak te maken op het woonlandpakket (althans in ieder geval voor de verstrekking van zorg - daargelaten dat die verstrekkingen naar het nationale recht van het woonland in de meeste landen inexistent zijn of niets voorstellen).
52. Nederland had echter een uitzondering doen laten opnemen die inbreuk maakt op de hoofdregel van artikel 28 / 28bis van Verordening 1408/71, door in Bijlage VI van Verordening 1408/71 (nationale toepassingsmodaliteiten) de navolgende passage te laten opnemen: "1 ziektekosten 53. Door in Bijlage VI voorgaande bepaling op te nemen, werden artikel 28 / 28bis van Verordening 1408/71 voor particulier verzekerde AOW-gerechtigden buitenwerking gesteld. Daardoor konden zij geen enkel recht konden ontlenen, hoewel zij daar op grond van het volksverzekeringskarakter van de AWBZ - althans voor wat betreft AWBZ-achtige verstrekkingen - in beginsel wel aanspraak op zouden kunnen maken.
54. Het feit dat Nederland tot 1 januari 2006 via de band van Bijlage VI bij Verordening 1408/71 particulier verzekerden van het recht op AWBZ-achtige verstrekkingen in het woonland heeft uitgesloten doet eens te meer de vraag rijzen waarom het CVZ diezelfde gepensioneerden vanaf 1 januari 2006 opeens dwingt om op diezelfde verstrekkingen in het woonland aanspraak te maken en hen niet het keuzerecht te laten.
55. De door Nederland tot 1 januari 2006 gehanteerde regeling onderstreept de ongeloofwaardigheid van het thans door het CVZ ingenomen standpunt dat migrerende gepensioneerden binnen het systeem van Verordening 1408/71 te allen tijde gedwongen zouden zijn zich te onderwerpen aan het verstrekkingenregime van het woonland en miskent het keuzerecht. Immers het valt niet in te zien waarom dit recht tot 1 januari 2006 via een speciale uitzonderingsbepaling voor wat betreft de AWBZ aan Nederlandse particulier verzekerde gepensioneerden heeft onthouden.
56. Het feit dat tot 1 januari 2006 aan een particulier verzekerde AOW-gerechtigde het recht op verstrekking van artikel 28 / 28bis van Verordening 1408/71 heeft onthouden, onderstreept eens te meer dat in die bepalingen een keuzerecht besloten moet liggen. Het keuzerecht is noodzakelijk om migrerende gepensioneerden in staat te stellen zich aan de evidente nadelen van het in casu door de Nederlandse wetgever speciaal voor hen ontworpen dwangbuismodel te onttrekken.
V.a.4 Aanwijsregels van Titel II voorzien in opt-out mogelijkheid specifiek voor gepensioneerde werknemers in woonland
57. Titel II van Verordening 1408/71 bevat in artikel 17bis een uitzonderingsbepaling op het stelsel van dwingende aanwijsregels, die specifiek is bedoeld voor gepensioneerde werknemers. De betreffende bepaling luidt als volgt:
"Degene die recht heeft op een pensioen of rente overeenkomstig de wettelijke regeling van een Lid-Staat of op pensioenen of renten krachtens de wettelijke regelingen van verscheidene Lid-Staten en die op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont, kan op zijn verzoek worden vrijgesteld van de toepassing van de wettelijke regeling van deze laatste Lid-Staat mits hij niet uit hoofde van de uitoefening van een beroepswerkzaamheid aan deze wettelijke regeling is onderworpen."
58. Ingevolge deze bepaling kan de gerechtigde tot een Nederlands pensioen op diens verzoek worden vrijgesteld van aansluiting bij het socialezekerheidsstelsel van zijn woonland (met inbegrip van de sociale zekerheidsregeling inzake ziektekosten). Deze bepaling is met name relevant voor gepensioneerden die in het woonland naar het recht van dat land verplicht aangesloten zijn bij takken van sociale zekerheid. De betreffende gepensioneerden hebben een ongeclausuleerd recht[4] om desgevraagd van aansluiting bij de sociale zekerheid te worden vrijgesteld. De betreffende bepaling in de Verordening maakt geen onderscheid al naar gelang tevens sprake is van aansluiting bij de sociale zekerheid van het woonland noch naar gelang al dan niet sprake is van premieplichtigheid in het woonland. De Verordening laat onmiskenbaar de mogelijkheid open dat de pensioengerechtigde ervoor kan kiezen nergens (noch in het woonland noch in het pensioenland) verzekerd te zijn.
59. Ingevolge artikel 17bis staat het gepensioneerden in bijvoorbeeld Spanje vrij om op verzoek te worden vrijgesteld van aansluiting bij de socialezekerheidsregelingen inzake ziektekosten, zowel in de comunidades die een premieplicht kennen als in de comunidades die geen premieplicht kennen. Gepensioneerden die een dergelijk verzoek indienen, vallen niet langer binnen het bereik van artikel 28bis van de Verordening, maar zouden automatisch binnen het bereik van artikel 28 komen. Er kan – uiteraard – geen sprake van zijn dat het wilsrecht dat in artikel 17bis besloten ligt doorkruist zou kunnen worden door een automatische indirecte aansluiting bij de wetgeving van het woonland uit hoofde van artikel 28 van Verordening 1408/71.
Overigens meent Appellant dat indiening van een verzoek ex artikel 17bis strikt genomen niet nodig is om de toepassing van het regime van artikel 28bis te vermijden: het afzien van registratie ex artikel 29 van Verordening 574/72 zou voldoende moeten zijn. Hoe dit zij: geen verdragsgerechtigde kan via de toepassing van de artikelen 28 en 28bis gedwongen worden een recht geldend te maken waarvan hij op grond van artikel 17bis nu juist afstand moet kunnen doen.
60. Het is evident dat ook in die gevallen waarin artikel 17bis buiten beeld blijft omdat een migrerende pensioengerechtigde in zijn woonland naar nationaal recht niet is aangesloten bij de socialezekerheidswetgeving, niet via de achterdeur van artikel 28 een indirecte aansluitplicht kan worden geconstrueerd.
61. Het is evenzeer evident dat het enkele feit dat de artikelen 28 en 28bis van Verordening 1408/71 meebrengen dat door de ziekenkas van het woonland te verlenen verstrekkingen voor rekening komen van het pensioenland, geen enkele grond biedt om de migrerende pensioengerechtigde het hem toekomende wilsrecht jegens diens woonland te ontnemen.
62. Het doel van de artikelen 28 en 28bis – evenals van artikel 17 bis - is het vrije verkeer van werknemers te bevorderen, niet om pensioenlanden een middel te geven om verplichte bijdragen te heffen van pensioengerechtigden door hen te dwingen zich aan te sluiten bij de sociale ziektekostenregeling van het woonland.
V.a.5 Bevestiging in communautaire jurisprudentie van het wilsrecht in de context van artikel 28 van Verordening 1408/71
63. Dat sprake is van een wilsrecht van de migrerende (gepensioneerde) werknemer in de context van artikel 28 van Verordening 1408/71 is uitdrukkelijk onderschreven door advocaat-generaal Ruiz-Jarabo Colomer in diens conclusie in zaak C-156/01, Van der Duin.[5] In paragraaf 26 van zijn conclusie overweegt hij dat de verantwoordelijkheid voor het verstrekken van medische prestaties niet automatisch wordt overgeheveld naar de ziekenkas van de woonplaats: "de overdracht geschiedt niet door de loutere verandering van
woonplaats, maar vereist, om effectief te zijn, een wilsuiting van de betrokkene." Met andere woorden: het mechanisme van artikel 28 treedt slechts in werking na een daartoe strekkende wilsuiting van de pensioengerechtigde. 64. Ook het Hof van Justitie merkt in zijn arrest in die zaak op dat de regeling van artikel 28 van Verordening 1408/71 eerst toepassing krijgt "wanneer de rechthebbenden op een pensioen of rente en de leden van hun gezin bij het orgaan van de woonplaats zijn ingeschreven".[6] Van een aansluiting van rechtswege bij het stelsel van het woonland is derhalve geen sprake.
65. Van der Duin was een Nederlandse gepensioneerde met een AOW-pensioen, die in Frankrijk woonde, maar verzekerd was krachtens de Zfw. Door zich te laten inschrijven bij het ziekenfonds in Frankrijk verkreeg hij recht op verstrekkingen in Frankrijk, maar verloor hij het recht op verstrekkingen onder de Zfw. De premieplicht ingevolge de Zfw bleef doorlopen: Nederland gebruikte op basis van artikel 33 van Verordening 1408/71 de Zfw-premie teneinde de betalingen ex artikel 95 van Verordening 574/72 aan de Franse ziekenkas te financieren. Niet valt in te zien dat het door de advocaat-generaal onderkende wilsrecht met ingang van 1 januari 2006 zou zijn komen te vervallen - respectievelijk dat de relevante Verordeningsbepalingen anders zouden moeten worden geïnterpreteerd - vanwege het enkele feit dat Nederlandse gepensioneerden in het buitenland van de aansluiting bij de Zvw zijn uitgesloten (wat betekent dat Van der Duin geen keuze meer heeft tussen het Franse en het Nederlandse stelsel, maar tussen het Franse stelsel en géén aansluiting).
66. De casus Van der Duin dateert van vóór de invoering van de Zvw. Onder de Zfw had Van der Duin de keuze tussen daadwerkelijke verzekering krachtens de Zfw in Nederland en recht op verstrekkingen in het woonland cum bijdrageplicht. Met de invoering van de Zvw is de eerste keuzemogelijkheid vervallen, doordat de Zvw - in tegenstelling tot de Zfw - niet-ingezetenen categorisch van de verzekering uitsluit. Daarmee verandert de mogelijkheid van keuze tussen het regime van het woonland en het regime van het pensioenland in de mogelijkheid van keuze tussen het regime van het woonland en géén wettelijke sociale verzekering. Deze wijziging is echter uitsluitend het gevolg van de keuze van de Nederlandse wetgever om de toepassingssfeer van de Zvw (anders dan voorheen de Zfw) te beperken tot ingezetenen. Deze eenzijdige keuze van de Nederlandse wetgever mag personen in de positie van Van der Duin (resp. Appellant, die zich sedert 1 januari 2006 in dezelfde situatie bevindt als Van der Duin), niet het voorheen door het Gemeenschapsrecht verleende keuzerecht ontnemen, resp. niet leiden tot een andere uitleg van de (ongewijzigde) relevante regels van Gemeenschapsrecht.
V.a.6 Erkenning in de communautaire jurisprudentie van het wilsrecht van migrerende werknemers in de context van Titel III van Verordening 1408/71
67. De centrale rol van het wilsrecht van de migrerende werknemers in de context van Titel III van Verordening 1408/71 is reeds eerder door het Hof van Justitie expliciet bevestigd. In het oog springt het arrest in zaak C-117/89, Kracht.[7] Het arrest heeft betrekking op de uitleg van artikel 76 van Verordening 1408/71 dat ziet op prioriteitsregels bij de cumulatie van rechten op gezinsbijslagen uit hoofde van verschillende nationale wetgevingen. Artikel 76 bepaalt – kort samengevat - dat het recht op uitkeringen krachtens de wetgeving van het werkland van de ouder wordt geschorst wanneer en voorzover overeenkomstige gezinsbijdragen onder wetgeving van het woonland van het betreffende kind worden toegekend. Het Hof van Justitie had in eerdere arresten geoordeeld dat deze schorsing enkel van kracht werd wanneer aan alle voorwaarden voor de daadwerkelijke toekenning van de gezinsbijlagen in het woonland van het kind was voldaan "daaronder begrepen de voorwaarde dat een aanvraag om toekenning is ingediend."[8] In de zaak Kracht verzocht de verwijzende Duitse rechter – daarbij ondersteund door de Duitse regering - het Hof van Justitie expliciet de eerdere arresten in heroverweging te nemen met als redengeving "dat artikel 76 van Verordening 1408/71 een dwingende prioriteitsregel is, die niet door een wilsverklaring van de rechthebbende buiten toepassing kan worden gesteld." Het Hof van Justitie wees dit verzoek resoluut af met de volgende overwegingen:[9]
Volgens de uitlegging van het Hof heeft artikel 76 immers tot doel, de mogelijkheid van cumulatie van bijslagen te beperken. Zo gezien, is artikel 76 een aanvulling op artikel 73 van Verordening 1408/71, dat het voor migrerende werknemers gemakkelijker moet maken kinderbijslagen te ontvangen in hun land van tewerkstelling, wanneer hun gezin zich niet ook in dat land heeft gevestigd. Zou de betrokken bepaling daarentegen, zoals de Bondsregering meent, als een dwingende prioriteitsregel moeten worden gezien, dan zou zij leiden tot een beperking van de mogelijkheden waarover de migrerende werknemer dankzij artikel 73 beschikt."
68. De strekking van het arrest van het Hof is duidelijk: Verordening 1408/71 heeft ten doel het vrij verkeer van werknemers te bevorderen. Verordening 1408/71 heeft niet ten doel migrerende werknemers tot het claimen van aanspraken uit hoofde van de Verordening te dwingen wanneer dezen daarop om hen moverende redenen geen aanspraak wensen te maken.
V.a.7 Erkenning wilsrecht in kader toepassing artikelen 28 en 28bis noodzakelijk in het licht van het vrij verkeer van werknemers
69. Doordat de artikelen 28 en 28bis van Verordening 1408/71 voorzien in gelijktijdige toepassing van de wetgeving van twee lidstaten – de ene lidstaat voor het vaststellen van de verstrekkingen en de andere lidstaat voor het vaststellen van de premie/inhouding – wordt het risico gecreëerd dat substantiële discrepanties ontstaan tussen het niveau van de verstrekkingen en de hoogte van de bijdragen. Wil het vrij verkeer van werknemers worden bevorderd in plaats van verhinderd, dan moet het migrerende gepensioneerde werknemers vrijstaan om in die gevallen waarin naar hun oordeel sprake is van een te groot verschil tussen verstrekkingenniveau in het woonland en bijdrageniveau in het pensioenland, van toepassing van het regime van de artikelen 28 en 28bis te kunnen afzien (met als gevolg dat zij afhankelijk van het geval terugvallen op een verplichte of vrijwillige sociale verzekering in hun woonland of – mede in lijn met het bepaalde in artikel 17bis – kiezen voor een oplossing buiten de sociale zekerheid). Met andere woorden: de potentiële onevenwichtigheid die besloten ligt in het regime van de artikelen 28 en 28bis van Verordening 1408/71 dwingt tot het erkennen van keuzevrijheid. Miskent men dat keuzerecht, dan wordt het vrij verkeer van werknemers geweld aan gedaan. De situatie van de Nederlandse verdragsgerechtigden is in dit verband exemplarisch.
V.a.8 Gevolgen voor de toepassing van artikel 69 Zvw en artikel 2.5.2 Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet
70. Waar in het licht van Verordening 1408/71 geen sprake kan zijn van een verplichting voor pensioengerechtigden om zich in hun woonland te melden bij de lokale ziekenkas met het oog op het verkrijgen van geneeskundige verstrekkingen, staat Verordening 1408/71 resp. artikelen 39 en / of 18 EG-Verdrag er a fortiori aan in de weg dat de pensioengerechtigden die niet van de rechten ex artikel 28 resp. 28bis van Verordening 1408/71 gebruik maken, zich alsnog zouden moeten melden bij enigerlei instantie in het pensioenland die is belast met de administratieve afhandeling van aanspraken waarvan deze pensioengerechtigden geen gebruik willen maken, zoals het CVZ.
71. Voorts staat vast dat artikel 33 van Verordening 1408/71 resp. artikelen 39 en / of 18 EG-Verdrag zich verzetten tegen het opleggen door het pensioenland van enige heffing op migrerende pensioengerechtigden ter financiering van geneeskundige verstrekkingen in gevallen waarin die verstrekkingen niet ten laste komen van het pensioenland. Dit is door het Hof van Justitie reeds bevestigd in zaak 275/83, Commissie/België.[10] In dit arrest oordeelde het Hof dat het pensioenland in het licht van artikel 33 van Verordening 1408/71 geen inhoudingen op wettelijke pensioenen mag doen terzake van prestaties bij ziekte "wanneer de betrokken prestaties niet voor rekening van een orgaan van [het pensioenland] komen." Dit betekent dat Nederland geen bijdragen mag heffen – ook niet door middel van inhouding op pensioenen - van verdragsgerechtigden die zich niet overeenkomstig artikel 29 van Verordening 574/72 hebben ingeschreven bij de ziekenkas van de woonplaats. Het ontbreekt Nederland dan aan een heffingsrecht.
Overigens vloeit uit het arrest Kracht tevens voort dat een migrerende werknemer in beginsel (met effect ex nunc) moet kunnen terugkomen op een eerder gemaakte keuze. Zie in dit verband ook de conclusie van de advocaat-generaal in die zaak, rnr. 5 op blz. I-2790.
72. Een Verdragsconforme (of zo men wil Verordeningsconforme) uitleg van artikel 69 Zvw brengt mee dat deze wetsbepaling niet van toepassing kan worden geacht op pensioengerechtigden die zich in hun woonland niet op de voet van artikel 29 van Verordening 574/72 hebben doen registreren (resp. een dergelijke registratie hebben ingetrokken).
V.a.9 Vonnis van de voorzieningenrechter van 31 maart 2006
73. De Stichting Belangenbehartiging Nederlandse Gepensioneerden in het Buitenland heeft de Staat reeds in kort geding gedagvaard. De voorzieningenrechter heeft op 31 maart 2006 vonnis gewezen. Dat vonnis is bijgevoegd als Bijlage 3. De voorzieningenrechter bracht het geschil terug tot twee kernpunten (rov. 4.8). Allereerst vraagt hij zich af of de in het buitenland wonende gepensioneerden een (keuze)recht hebben om te kiezen om niet onder de Nederlandse zorgwet te vallen. Deze vraag beantwoord hij voorshands negatief (rov. 4.14). Vervolgens vraagt hij zich af of de hoogte van de AWBZ-bijdrage onrechtmatig is. Dat is volgens de voorzieningenrechter het geval, nu ongelijke gevallen in dit opzicht ten onrechte gelijk worden behandeld. Volgens de voorzieningenrechter is de regeling inzake de AWBZ-bijdrage klaarblijkelijk strijdig met het gelijkheidsbeginsel, bezien in samenhang met de artikelen 18 en 39 EG-Verdrag. (rov. 4.24 en 4.25).
74. De voorzieningenrechter concludeerde op dit punt dat (rov. 4.13 en 4.14):
"[het t]wijfelachtig is of artikel 29 van Verordening 574/72 meebrengt dat de artikelen 27, 28 en 28 bis een keuzerecht toelaten. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap (hierna ook: het Hof of ‘HvJ EG’) dienen de socialezekerheidsverordeningen van de Raad te worden bezien in het licht van de bevordering van het vrije verkeer van werknemers. In zijn arrest van 4 juli 1990 inzake Kracht (C-117/89) heeft het Hof bij de uitleg van artikel 76 van Verordening 1408/71 beslissende betekenis toegekend aan het doel van artikel 51 EEG-Verdrag (thans: artikel 42 EG), namelijk de totstandbrenging van het vrije verkeer. Daarmee heeft het Hof, in die zaak, een keuzemogelijkheid voor de rechthebbende erkend. Ook het reeds aangehaalde arrest van 3 juli 2003 inzake Van der Duin (C-156/01) impliceert dat er, voor de in die zaak
bedoelde rechthebbenden, de facto een keuzerecht bestond.
75. De voorzieningenrechter baseert zijn voorlopig oordeel in hoofdzaak in een eigen interpretatie van het arrest Rundgren, waarin hij een bevestiging van het bestaan van een dwingende aanwijsregel leest. In het arrest kan evenwel geenszins het bestaan van een dergelijke regel lezen; het arrest gaat daar ook niet over. De overweging van de voorzieningenrechter is voorts des te verbazingwekkender omdat noch de Staat zelf noch ook de Europese Commissie te eniger tijd een beroep op genoemd arrest hebben gedaan ten betoge dat de artikelen 28 en 28 bis van Verordening 1408/71 een dwingende aanwijsregel zouden bevatten. Het door de voorzieningenrechter gemaakte onderscheid tussen de casusposities in de zaken Kracht en Van der Duin enerzijds en de onderhavige zaak anderzijds, overtuigt evenmin, om de redenen die in het voorgaande zijn uiteengezet: het verschil tussen de casuspositie in de zaak Van der Duin en de onderhavige casuspositie vloeit enkel voort uit het feit dat de Nederlandse wetgever ervoor heeft gekozen met ingang van 1 januari 2006 alle niet-ingezetenen – met inbegrip van voormalig Zfw-verzekerden zoals Van der Duin –, van verzekering krachtens de Nederlandse wetgeving uit te sluiten. Het is toch wel evident dat deze handelwijze geen rechtvaardiging kan vormen voor een differentie van gevallen als door de voorzieningenrechter aangenomen.
V.b. SUBSIDIAIR:
76. Mocht de afdeling tot de conclusie komen dat artikelen 28 en 28bis van Verordening 1408/71 en artikel 29 van Verordening 574/72 geen ruimte laten voor de interpretatie dat het recht op ziektenkostendekking in de woonstaat slechts wordt verkregen wanneer een AOW-gerechtigde daarvoor (actief) kiest, dan dient geconcludeerd te worden dat die bepalingen onverbindend zijn omdat zij niet in die keuzemogelijkheid voorzien. Het ontbreken van die keuzemogelijkheid is in strijd met het vrij verkeer van personen en het beginsel van gelijke behandeling.
77. De eerste overweging van de preambule van Verordening 1408/71 geeft aan
"dat de voorschriften ter coördinatie van de nationale wetgevingen inzake sociale zekerheid behoren tot de regelingen inzake het vrije verkeer van personen, en dat deze voorschriften derhalve moeten bijdragen tot de verhoging van de levensstandaard en de verbetering van de arbeidsomstandigheden".
78. De vijfde overweging van de preambule van Verordening 1408/71 geeft aan
"dat er in het kader van deze coördinatie moet worden gegarandeerd dat binnen de Gemeenschap alle werknemers die onderdaan zijn van de Lid-Staten, alsmede hun rechthebbenden en nabestaanden, gelijke behandeling genieten ten opzichte van de verschillende nationale wetgevingen".
79. Deze voorschriften moeten volgens de eerste overweging van de preambule bijdragen tot de verhoging van de levensstandaard. Verplichte aansluiting bij het woonlandpakket kan echter ook leiden tot een verslechtering van de levensstandaard nu de dekking van het woonlandpakket te laag is. De artikelen 28 en 28bis van Verordening 1408/71 bieden zonder keuzerecht dus niet de garantie die zij beogen te bieden, aangezien die bepalingen zelfs tot een verslechtering van de levensstandaard kan leiden.
80. Tot 1 januari 2006 had Appellant een particuliere verzekering bij een Nederlandse verzekeringsmaatschappij. Hiermee kon hij aanspraak maken op zorg in het woonland, maar ook in Nederland, het pensioenland. Op grond van artikel 2.5.2 van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet heeft Appellants oude Nederlandse zorgverzekeraars de particuliere verzekeringen opgezegd en volgens het CVZ is Appellant verplicht zich aan te sluiten bij het ziekenfonds van zijn woonplaats. Gevolg hiervan is dat de dekking van zorg- en ziektekosten beperkt is tot het minimale verstrekkingenniveau van het woonlandpakket, terwijl Appellant onder zijn oude particuliere verzekering een dekking had die gelijk was aan de in Nederland gegeven dekking. Nu die dekking wegvalt, omdat er geen keuzerecht is, is er sprake van een verslechtering van de levensstandaard.
81. Door de noodgedwongen aansluiting bij het woonlandpakket is bijverzekering noodzakelijk. Appellant en ook andere pensioengerechtigden zijn 65 jaar of ouder en komen daarom vaak niet meer voor bijverzekering in aanmerking of slechts tegen zeer hoge premiebetaling, omdat er voor de bijverzekering geen acceptatieplicht is. Ook dat draagt bij aan een verslechtering van de levensstandaard.
82. Deze verslechteringen van de levensstandaard belemmeren het vrij verkeer van personen, omdat de AOW-gerechtigden niet ongestoord kunnen genieten van het recht om zich vrij te verplaatsen en te vestigen in één van de lidstaten van de EG. Terugkeer naar Nederland zou dit probleem verhelpen, omdat Appellant in Nederland meteen een verzekering kan afsluiten bij een zorgverzekeraar, omdat voor hen een acceptatieplicht bestaat en er meteen recht ontstaat op het Nederlandse verstrekkingenpakket. Juist dit toont aan dat een gebrek aan keuzerecht het vrij verkeer belemmert. Immers, een burger van de Unie die gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer om na zijn pensionering vanuit Nederland naar een andere lidstaat te emigreren en die wordt gedwongen te remigreren omdat het gebrek aan keuzerecht zijn levensstandaard aantast, wordt in zijn recht op vrij verkeer ex artikel 18 EG-Verdrag belemmerd.
83. Nu er sprake is van een belemmering van het vrij verkeer van personen dient het Besluit dient te worden vernietigd.
VI. VERGOEDING VAN SCHADE - OMVANG NOG ONBEKEND
84. Appellant heeft door het primaire besluit schade geleden, waarvan de omvang op dit moment nog niet goed is te bepalen. Appellant verzoekt de Afdeling bestuursrechtspraak, nadat zij het beroep gegrond zal hebben bevonden, het onderzoek te heropenen ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent vergoeding van die schade door CVZ, althans de door de Afdeling aan te wijzen rechtspersoon.
OP DEZE GRONDEN VERZOEKT APPELLANT DE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
om met versnelde behandeling:
a) het in punt 2 genoemde Besluit geheel te vernietigen en primair zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat de uitspraak van de Afdeling in de plaats treedt van het bestreden Besluit; subsidiair CVZ een termijn te stellen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling; meer subsidiair CVZ een termijn te stellen om een nieuw besluit te nemen; b) te bepalen dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent vergoeding van de schade die door Appellant is geleden door CVZ, althans de door de Afdeling aan te wijzen rechtspersoon; c) aan Appellant door CVZ, althans de door de Afdeling aan te wijzen rechtspersoon, het griffierecht te laten vergoeden; d) CVZ, althans de door de Afdeling aan te wijzen rechtspersoon, te veroordelen tot vergoeding van de kosten die door Appellant in deze procedure zijn gemaakt.
Den Haag, 18 september 2006
Advocaat-gemachtigden Deze zaak wordt behandeld door Mr E.H. Pijnacker Hordijk en Mr W.W. Geursen, De Brauw Blackstone Westbroek N.V., Postbus 90851, 2509 LW Den Haag, T +31 70 328 5565, F +31 70 328 4089. [1] Pb 1998, L 195/37 [2] Pb 2004, L 229/35 [3] zie Bijlage 7 bij de Wijzigingsregeling Regeling zorgverzekering, Stcrt 2006, 104, p. 12 [4] In die zin ook uitdrukkelijk Kavelaars, "Toewijzingsregels in het internationaal fiscaal- en sociaalverzekeringsrecht", Deventer, Kluwer 2003 (Fiscale monografieën 108), p. 417. [5] Conclusie van 24 oktober 2002, Jurispr. 2002, blz. I-7045. [6] R.o. 40 en 47. [7] Arrest van 4 juli 1990, Jurispr. 1990, blz. I-2781. [8] Zaak 191/83, Salzano, arrest van 13 november 1984, Jurispr. 1984, blz. 3741 en zaak 153/84, Ferraioli, arrest van 23 april 1986, Jurispr. 1986, blz. 1401. Zie r.ov. 11 van het arrest Kracht. [9] R.o. 13-16. [10] Arrest van 28 maart 1985, Jurispr. 1985, blz. 1097. WAARSCHUWING: HOE TE HANDELEN BIJ ZIEKTE IN HET BUITENLAND! "Hoe te handelen bij ziekte in het buitenland (en Nederland hoort in dit geval ook bij het buitenland). Diegenen die verzekerd zijn via een E121 in hun woonland, hebben als het goed is een EHIC (European Health Card) gekregen. In noodgevallen kan die afgegeven worden in het EU-land waar het noodgeval zich voordoet. De EHIC is alleen voor noodgevallen en niet voor een behandeling die je bij voorkeur in Nederland zou willen ondergaan. Wat extra-murale zorg betreft schijnen de criteria minder streng te zijn. Voor buiten Europa in ieder geval contact opnemen met de betreffende instanties of een reisverzekering met dekking van medische risico's noodzakelijk is. Voor diegenen die een particuliere verzekering hebben afgesloten. Lees goed de polis na over hoe te handelen in het buitenland. Óf vraag het op z'n minst aan diegenen die je de polis verkocht heeft. Afhankelijk van het type polis is de buitenlanddekking meestal voor noodgevallen en voor 60 aaneengesloten dagen. In noodgevallen en bij plotselinge ziekenhuisopname wordt men geacht binnen 24 uur de verzekering hiervan in kennis te stellen. De meeste verzekeringsmaatschappijen geven je een kaartje waar alle telefoonnummers op vermeld staan. Vaak is het zo dat je dan zo snel mogelijk naar je woonland wordt gerepatrieerd voor verdere behandeling. Realiseer je terdege dat je emigratieland je thuisbasis is, ook al heb je een pied-a-terre in Nederland." Bestuur VNGS STICHTING BELANGENBEHARTIGING NEDERLANDSE GEPENSIONEERDEN BUITENLAND CORRESPONDENTIE ADRES: Apartado de correos 317 03590 Altea (Alicante) Spanje
Tel : +34 965 848 446 Mobiel : +34 630 128 189 Fax : +34 965 848 406
Verbond van Verzekeraars, Postbus 93450, 2509 AL, De Haag. T.a.v. de heer T. de Bruin, Per e-mail: j.breit@verzekeraars.nl Altea, 23 augustus 2006. Geachte heer de Bruin, Hartelijk dank voor uw schrijven ref. 2006/br/3635/JBREI van 8 augustus dat ik eerst enkele dagen geleden ontving. Staat u mij toe daar via e-mail op te reageren waarbij ik het adres gebruik zoals dat op uw briefpapier staat vermeld. Helaas moet ik vaststellen dat ik mij niet kan vinden in uw conclusie. U stelt dat ”verzekeraars volle medewerking geven aan het aanbieden van aanvullende verzekeringen die onze groep in staat zou stellen zorg te krijgen die zij nodig heeft” . De praktijk leert ons helaas anders zoals ik zal proberen te verduidelijken. Laat ik vooraf stellen dat de stichting de belangen behartigt van gepensioneerden in alle verdragslanden. Ik differentieer niet in de mate waarin gebruikte argumenten bepaalde landen in meer of mindere mate treffen. Allereerst wil ik aan de orde stellen de vraag in hoeverre de opzegging van de verzekeringen rechtmatig is geweest nu gebleken is dat, in tegenstelling tot wat de minister eerst beweerde, wij de vrijheid hebben om al dan niet van de woonlandzorg gebruik te maken waardoor het niet verplicht gesteld kan worden ons dwingend te onderwerpen aan de van overheidswege verstrekte woonlandzorg hetgeen eerder voorwaarde was voor de opzegging. Een omstandigheid waarom wij niet heen kunnen is de constatering dat de van overheidswege verstrekte zorg in de verdragslanden totaal verschillend is van aard, kwaliteit en prijs. De enorme deviaties tussen de woonlandfactoren, zoals van overheidswege vastgesteld, leveren het duidelijke bewijs daarvoor. Op grond van de grote hoeveelheid verdragslanden en de complexiteit van het probleem is de wens van de minister om de individuele situaties te onderzoeken (maatwerk) op economische gronden door de verzekeraars afgewezen. Art. 2.5.2. in de I&A stelt echter dat de particuliere verzekering mocht worden opgezegd voor het gedeelte dat per 1.1.2006 gedekt zou worden door de van overheidswege verstrekte zorg. Voor dat gedeelte van de zorg dat daarbij niet verzekerd zou zijn, moest een aanvullende verzekering worden aangeboden. Zoals gesteld is de zorg per land nooit onderzocht dus kan ook een dergelijke verzekeringen niet worden aangeboden omdat de verschillen per land eenvoudigweg niet onderzocht zijn. Derhalve hebben zorgverzekeraars gemakshalve een eigen interpretatie gegeven aan de wet en alle landen over een kam geschoren door één z.g. aanvullende verzekering aan te bieden. Deze verzekering draagt wel de misleidende naam van “aanvullende verzekering” maar is dat niet in de zin van de wet omdat er in de voorwaarden van wordt uitgegaan van de z.g. samenloopregeling waarbij de woonlandzorg voor behandeling prevaleert. In principe biedt natuurlijk ieder land publieke zorg en dus behoeft/kan op de “aanvullende verzekering” die dwingend uitgaat van de woonlandzorg, nooit beroep worden gedaan omdat naar de letter van de polisvoorwaarden alle zorg reeds in de publieke sector aanwezig is. Samengevat: deze verzekering was niet aanvullende omdat de uitgangspositie van zorg per land niet bekend was en vulde niets aan omdat de z.g. allesomvattende publieke woonlandzorg reeds geacht werd te voorzien in alle zorgbehoefte. In de zuidelijke verdragslanden, b.v. Spanje, werden verzekerden op 1.1.2006 gedwongen lopende behandelingen af te breken en particuliere ziekenhuizen te verlaten omdat de zorg die zij op dat moment ontvingen niet meer verzekerd was, waarbij getroffenen door verzekeraars erop attent werden gemaakt dat bij continuering zelf voor de kosten daarvan opgekomen diende te worden. Daaruit blijkt duidelijk dat de aanvullende verzekering die deze zorg had moeten dekken, niet aanwezig was alhoewel de wet dat voorschrijft. In Nederland is keuzevrijheid hoeksteen van het beleid. Zorg in het particuliere circuit, voor genoemde landen met een lage kwaliteit van publieke zorg een absolute voorwaarde en noodzaak voor een adequate behandeling, is voor onze groep niet meer weggelegd na 1.1.2006 maar zou wel in een aanvullend pakket ter beschikking moeten zijn gesteld hetgeen niet het geval is. Wij hebben immers ook het gelijke recht op vrije keuze uit de zorg die in het woonland voorhanden is en dus moeten ook wij toegang kunnen hebben tot alle zorgkanalen inclusief het z.g. particuliere circuit waarvan wij nu zijn uitgesloten. Los daarvan hebben we nog de acceptatieplicht die hier ook een rol speelt. Veel oudere mensen in de landen met, laat ik zeggen, uiterst zwakke zorg waren tot 1.1.2006 aanvullend particulier verzekerd welke optie op grond van de eenzijdige opzegging niet meer aanwezig is en, ware dat wel het geval geweest dan zouden zij hiervan zonder acceptatieplicht uitgesloten zijn op basis van leeftijdsdiscriminatie en/of antecedenten. Dat betekent dat een alternatieve verzekering bij een niet NL verzekeraar geen optie is. Geluk hebben diegenen die voor 1.1.2006 bij een niet Nederlandse maatschappij waren verzekerd want die verzekeringen zijn niet opgezegd. Ik spreek dan nog niet van onbetaalbare premies waarvoor de verzekeraars weliswaar niet verantwoordelijk kunnen worden gesteld, maar de overheid die, met de verticale solidariteit in het politieke vaandel, ons daar toch wel van heeft uitgesloten daarbij enthousiast ondersteund door verzekeraars die in één pennenstreek de oudjes uit de boeken konden schrappen en de daartoe opgebouwde reserves mochten laten vrijvallen. Bijkomend probleem, onderkend maar niet opgelost, is het dekkingsgebied. De Nederlander in Nederland heeft via zijn verzekering werelddekking; wij hebben slechts recht op woonlandzorg. Dit betekent een geografisch beperkte bewegingsvrijheid in het gunstigste geval tot de z.g. verdragslanden. Mensen die zich niet kwalificeren voor ziektekostenverzekering komen in vele landen niet in aanmerking voor doorlopende reisverzekering. Eerder stelden de verzekeraars de problematiek van de zijlijn te hebben bekeken; misschien had verwacht mogen worden dat zij ons tegen een onverantwoorde beleid van overheid in bescherming hadden genomen en daarin een pro-actiever beleid zouden hebben gevoerd. Vóór 1.1.2006 waren wij gewaarde klanten waarom commercieel werd gevochten. Hadden wij de verzekeringen vóór 1 januari nodig, dan is er na die datum aan de kwaliteit van de zorg in de woonlanden helemaal volstrekt niets veranderd dat die verzekeringen nu plotseling overbodig zou maken. Niets is minder waar; hoger lager de woonlandfactor, hoe groter de behoefte aan een particuliere zorgverzekering. Ik hoop dat u het met mij eens bent wanneer ik zeg dat dit nu niet een situatie is die tevredenheid rechtvaardigt en in overeenstemming is met I&A art. 2.5.2. zoals u in uw antwoord doet voorkomen en juist om die reden hebben wij ons tot u en ZN gericht. Geheel toevallig las ik in de krant van hedenmorgen bijgesloten artikel waarin te lezen staat dat de z.g. van overheidswege verstrekte zorg in de Comunidad Valenciana (o.a. Costa Blanca) 1.167 artsen méér zou moeten hebben om in staat te zijn aan één consult voor alle patiënten 10 minuten te kunnen wijden. Ik hoop dat dit duidelijk maakt dat in sommige landen toegang tot particuliere zorg absoluut nodig is en dat het pure onzin is te veronderstellen dat de EU verordening, zoals door NL is geïnterpreteerd, migratie zou bevorderen c.q. niet discriminerend werkt tegen in verdragslanden wonende gepensioneerde Nederlanders. Laat ik mijn brief beëindigen met een cynische noot. Onlangs moest ik een nieuwe autoverzekering afsluiten waarbij mij gevraagd werd waar ik het casco gedeelte wilde verzekeren; in mijn woonland of Nederland want die opties had ik. Mag ik de wens uitspreken dat onze gezondheid ook onder het autoverzekeringbeleid komt te vallen? Met vriendelijke groet, Stichting Belangenbehartiging Nederlandse Gepensioneerden in het Buitentend Cees van der Wiel, Voorzitter. CC: Drs. H.J. Herbert De heer M. Bontje Zorgverzekeraars Nederland.
BRIEF AAN VERBOND VAN VERZEKERAARS EN ZORGVERZEKERAARS NEDERLAND 01.08.2006 Geachte heer Bontje, Hierbij richt ik mij tot u in de hoedanigheid van voorzitter van de Stichting Belangenbehartiging Gepensioneerde Nederlanders in het Buitenland, eiser in het eerder aangespannen KG tegen de Staat alsmede in de daaruit voorvloeiende en nog lopende bodemprocedure. De invoering van de nieuwe ZVW heeft voor onze groep belanghebbenden geleid tot onacceptabele gevolgen waarvan o.i. de wetgever zich geen enkele rekenschap heeft gegeven bij de aanneming daarvan. Alhoewel ik vermoed dat deze u bekend zijn, toch hierbij nog een korte opsomming waarbij ik opmerken wil dat de ernst van deze consequenties per land kunnen verschillen.
· Per 1 januari 2006 werden alle lopende particuliere ziektekostenverzekeringen opgezegd; formeel voor zover zij het woonlandpakket te boven gingen. Verzekerden werden per die datum toegang ontzegd tot hun vertrouwde artsen, specialisten, zorg en ziekenhuizen; · Tegelijkertijd werden ze geforceerde genoegen te nemen met in veel landen absoluut inferieure zorg; · Voor de meesten zal gezien leeftijd en/of antecedenten nooit meer een particuliere zorgverzekering kunnen worden afgesloten hetgeen een ernstige beperking van bewegingsvrijheid veroorzaakt; · CVZ had nagelaten e.e.a. met de vereiste zorg voor te bereiden in de vorm van het ter beschikking stellen van E 121 formulieren of zelfs de landen te informeren; · Inhoudingen in Nederland werden arbitrair vastgesteld, veel hoger dan de eerder betaalde particuliere zorgpremie voor een inferieure zorg zonder de keuzevrijheid, die juist in Nederland hoeksteen van het beleid is; · Inhoudingen waren identiek voor ieder woonland ongeacht de kwaliteit en de kosten van zorg in het woonland c.q. door NL te betalen afdrachten aan de woonlanden; · In vele landen wordt zorg gefinancierd uit de algemene middelen d.w.z. via de belastingen die ook de aldaar wonende NL gepensioneerden moeten betalen; er wordt door hen derhalve dubbel betaald; · Zeer substantiële Inhoudingen voor AWBZ werden van kracht voor een zorgverlening die in de meeste woonlanden niet eens bestaat; · Verzekeringsmaatschappijen bleken niet bereid of bij machte een inventarisatie per land van zorg te maken en daarvoor aanvullende polissen aan te bieden.
Onze stichting procedeerde in Kort Geding tegen de zorgverzekeraars hetgeen niet tot de gewenst uitspraak leidde. Doel was een antwoord te krijgen op de rechtmatigheid van de opzegging van de verzekeringen waarover geen uitspraak werd gedaan. Daarna werd vastgesteld dat de minister de kamer had misleid door te stellen dat de gepensioneerden verplicht waren zich in te laten schijven bij de zorginstantie van het woonland. Tevens werd een Kort Geding procedure aangespannen tegen de Staat die in principe gevoerd werd over het keuzerecht en de onrechtmatigheden van het niveau van de inhoudingen. De rechter besliste dat het keuzerecht in een bodemprocedure moest worden betwist maar verklaarde dat geen inhoudingen mochten worden gedaan voor AWBZ zorg die in het woonland niet aanwezig was. Als gevolg daarvan introduceerde de minister de z.g. woonlandfactoren en werd door ons de bodemprocedure aangespannen zoals door de rechter in KG als voorwaarde was gesteld. Op korte termijn zullen meerdere processen volgen. Allereerst zijn naar de mening van onze stichting de woonlandfactoren niet conform de uitspraak van de rechter. Teneinde een nieuwe aanpassing daarvan te verkrijgen zal opnieuw geprocedeerd worden. Vervolgens zal een proefprocedure voor de bestuursrechter worden aangespannen tegen CVZ/SVB die tot doel heeft bevestiging te krijgen van het keuzerecht hetgeen ons mogelijkerwijs via de Raad van State zal brengen naar EHvJ. Daarnaast beraden wij ons over het te voeren beleid naar aanleiding van de opzegging van de particuliere ziektekostenverzekering. Bij die overwegingen spelen volgende elementen een rol. Het verkrijgen van het keuzerecht alleen lost onze problemen niet op. Kiezen zonder keuze is geen optie. Vrije keuze betekent dat wij van overheidswege daartoe verplicht zijnde, ons moeten verzekeren maar daarbij de keuze hebben tussen lokale zorg door middel van E 121 of toegang tot de NL zorgverzekering tegen NL premies met een acceptatieplicht. Indien niet dan blijft de deur naar de vrije keuze in de zorg potdicht. Allereerst voelt onze doelgroep zich beroofd van de verticale solidariteit. Immers in de gezondheidszorg geldt het principe rijk betaalt voor arm en jong voor oud. In onze werkzame jaren hebben wij voor de ouderen betaald en nu is ons de toegang tot deze solidariteit ontzegt en kunnen daartoe opgebouwde reserves vrijvallen. Art. 2.5.2. van I&A wet stelt dat de particuliere zorgverzekeringen konden worden opgezegd in zoverre dat betreft het gedeelte waarin voor zorg wordt voorzien door de van overheidswege verstrekte zorg. Aangezien nooit een inventarisatie per land werd gemaakt, is geen vergelijking voorhanden tussen de zorg in het woonland en het basispakket in Nederland en ontbreek een aanvullende verzekering. Een algemene aanvullende verzekering met een z.g. overloopregeling is daarop niet het antwoord omdat het daarbij namelijk onduidelijk blijft welk gedeelte als opgezegd moet worden beschouwd en waaruit de aanvulling bestaat. In de praktijk betekent dit dan dat in principe er vanuit gegaan wordt dat de woonlandzorg in alle zorg voorziet en de aanvullende verzekering dus eigenlijk geen warde heeft. Ook bestrijden wij de onmogelijkheid in Nederland behandeld te kunnen worden dan alleen met toestemming van de zorgautoriteit in het woonland aangezien die in de praktijk nooit gegeven zal worden. Niet in de laatste plaats willen wij de rechtmatigheid bestrijden van de opzeggingen in zijn algemeen. Zoals eerder gesteld zegt artikel 2.5.2. ziektekostenverzekering kon worden opgezegd voor zover een recht bestaat in het woonland. Door te stellen dat iedereen verplicht was zich aan te melden bij de publieke zorg in het woonland werd een situatie gecreëerd waarbij tot gerechtvaardigde opzegging kon worden overgegaan. Met andere woorden: de “rechtvaardiging” was het RECHT op zorg en niet de aanmelding bij de woonlandzorg. Begrijpelijk dat het eenmalig opschonen van een bestand met bijna uitsluitend dure 65 plussers bij verzekeraars geen aanmoediging behoefde. De gevolgen voor vele bejaarden met grote fysieke en mentale problemen zoals altzheimer, dementie, invaliditeit leidden in veel landen met een laag publiek zorgniveau tot sociaal volstrekt onacceptabele situaties. Nu gebleken is dat Nederland niet aan de gepensioneerden in verdragslanden dwingend kan opleggen zich bij de lokale zorg aan te melden en velen dat ook niet gedaan hebben, is de van rechtswege verstrekte rechtvaardiging tot opzegging van de verzekering niet van toepassing en dus zijn betreffende genoemde polissen nog steeds rechtsgeldig. Van rechtswege is de beëindiging gekoppeld aan het recht op zorg en niet aan de vraag of daar al dan niet gebruik van gemaakt wordt. Daarnaast rijst de vraag of de wetgever bevoegd was in te grijpen in de particuliere verzekeringen. Het gaat hier immers om een privaatrechtelijke overeenkomst waarop van overheidswege niet ingegrepen mag worden. Hoogervorst heeft bij herhaling gezegd daartoe niet bevoegd te zijn maar wel beloofd druk uit te zullen oefenen op de verzekeringsmaatschappijen dat niet te doen. De praktijk heeft geleerd dat deze druk, mocht die al zijn uitgeoefend, tot niets geleid heeft want alle verzekeringen werden rücksichtslos opgezegd zonder ook maar enige coulance te hebben met individuele schrijnende gevallen. E.e.a. bewijst dat deze maatregel de verzekeraars niet onwelgevallig was. U zult vragen waarom deze opsomming van feiten. Het moge duidelijk zijn dat wij proberen in eerste instantie problemen op te lossen via de dialoog en niet via de rechtsgang. Helaas toonde de minister Hoogervorst op geen enkele manier enige vorm van bereidheid de problematiek bespreekbaar te maken. De minister heeft zich verscholen achter onwaarheden zoals de stelling dat EU regelgeving hem daartoe gedwongen had. Ambassadeur Vijverberg die genoemde wetgeving namens NL onderhandelde, sprak van een perverse interpretatie van wetgeving. Later verklaarde de minister in een kamer dat de NL versie inderdaad zijn eigen interpretatie was en niet een door de verordening opgelegde uitleg was. Ook was zijn stelling dat de gepensioneerden verplicht waren zich in te schrijven hetgeen later ook bleek een onwaarheid te zijn. Wij roepen in herinnering de brief van de heer Wiegel die zich in een open brief aan de minister duidelijk uitspraak ten gunste van een betere behandeling van deze relatief kleine groep gepensioneerden. Helaas viel zijn suggestie op dovemans oren. Misschien dat nu, na een aantal maanden van voortschrijdend inzicht, er aan de kant van uw organisatie zich openingen aandienen om onze problematiek nogmaals onder ogen te nemen teneinde gezamenlijk te proberen in het licht van het huidige stadium van de ontwikkelingen in de politiek tot komen tot voorstellen die tegemoetkomen aan onze toch bepaald niet onredelijk wensen. U begrijpt dat, indien van uw kant ons een kans geboden zou kunnen worden tot een desbetreffend gesprek, wij te allen tijde daarvoor beschikbaar zijn. Met vriendelijke groet, Namens de SBNGB
C.H. van der Wiel, voorzitter.
AANVULLENDE INFORMATIE BEWIJS ZORGVERZEKERING Van: Nijs J.de Aan: vngsint Geachte dames, heren, "Extra controle op zorgverzekering door Belastingdienst/ Toeslagen “ Tabel: Wat moet u opsturen in uitzonderingssituaties?
Bron: Belastingdienst (*) Na overleg heden 11 september met de Belastingdienst wordt als bewijs eveneens goedgekeurd het maandelijks AOW overzicht van de SVB!!! Noot: Mr. J.P.Hueber Secretaris VNGS/ SBNGB
|
BRIEF VNGS AAN VASTE KAMERCOMMISSIE VWS DD. 03 SEPTEMBER 2006
Geachte Commissieleden
Wij hebben de behandeling van de Zorgverzekeringswet in de openbare zittingen van uw commissie met grote belangstelling gevolgd. Wij kunnen ons niet aan de indruk onttrekken dat bij veel van uw leden niet geheel duidelijk is hoe groot de nadelige gevolgen zijn van deze wet voor de geëmigreerde gepensioneerde Nederlanders. Als Vereniging van Nederlandse Gepensioneerden in Spanje (VNGS) willen wij u daarom graag onderstaand resumé geven waarin die nadelige gevolgen nog eens worden geschilderd.
Artikel 69 van de Zvw heeft ernstige negatieve gevolgen voor de ca. 100.000 oudere Nederlanders die na een werkzaam leven in Nederland van hun laatste jaren proberen te genieten in een aangenaam klimaat. Die Nederlanders worden nu verplicht zich te melden bij het CVZ en een door Nederland opgelegde bijdrage te betalen, ook in die gevallen waar Nederland niets aan het woonland hoeft te betalen, omdat de betreffende persoon geen gebruik maakt van zijn recht volgens EU verordening 1408/71. Die verordening dwingt daar ook niet toe. Het is een recht en géén plicht. 2004/38/EG stelt slechts als eis dat de gepensioneerde die zich vestigt in een ander EU land moet beschikken over een geldig identiteitsbewijs, een ziektekostenverzekering en over voldoende middelen van bestaan. Het woonland dient dit te controleren. Die ziektekostenverzekering mag een particuliere verzekering zijn, zoals jarenlang gebruikelijk was en dat door veel andere EU landen nog steeds wordt toegepast.
De negatieve gevolgen zijn ondermeer:
De vrije keus, de hoeksteen van de Zorgverzekeringswet, is hen ontnomen. Zij dienen zich nu te melden bij een aangewezen arts in hun woonland. In Spanje betekent dat voor heel veel ouderen die de Spaanse taal niet machtig zijn, een inbreuk op hun privacy. De Spaanse arts eist in veel gevallen dat een tolk wordt meegenomen. Die Spaanse arts heeft geen beeld van hun ziekteverleden, daar deze mensen gebruik maakten van hun Nederlandse arts, die hun gegevens in het Nederlands bijhield. Die Spaanse arts heeft daar ook geen tijd voor, getuige de kop van een artikel in de krant “Información” van 24 augustus 2006 in haar katern Alicante, “Sanidad necesita 1167 médicos más para dedicar 10 minutos a cada paciente”, ofwel “De gezondheidsdienst heeft 1167 artsen meer nodig om aan iedere patiënt 10 minuten te kunnen besteden”. In haar advies van 26/8/2004 benadrukt de Raad van State ook het belang van de relatie tussen arts en patiënt. “In de gezondheidszorg gaat het uiteindelijk om de relatie arts-patiënt. Essentieel in die relatie zijn de medische professionaliteit (de juiste behandeling op het juiste moment voor de individuele patiënt) en het onderlinge vertrouwen (tussen die individuele patiënt en de arts)”.
Indien een ziekenhuis nodig is wordt men verwezen naar de Staatsziekenhuizen. Het ziekenhuis in Denia is zo vol dat patiënten in de gangen liggen. In het ziekenhuis in Villajoyosa, bij Benidorm, is de zorg zo slecht dat huisgenoten of anderen dagelijks naar het ziekenhuis moeten om de patiënt te wassen en te voeden. Die situatie geldt overigens niet in heel Spanje. Spanje kent 17 “comunidades” die ieder een eigen beleid volgen. De comunidad Valencia, waaronder de Costa Blanca ressorteert staat bekend als het slechtste op dat gebied. Men kan geen gebruik meer maken van de privé-klinieken die wel een goede zorg bieden, zoals men dat altijd gewend was.
De particuliere verzekeringen werden door de Nederlandse verzekeraars, gesteund door de I&A wet Zorgverzekeringswet, en masse opgezegd, of zoveel duurder gemaakt dat de mensen het niet meer konden betalen. Dat betekent niet alleen dat men geen Nederlandse arts meer heeft en geen gebruik kan maken van de privé-klinieken, maar ook dat men wordt beperkt in zijn vrijheid van bewegen. Binnen de EU kan men weliswaar reizen met de Europese kaart, maar buiten Europa kan men geen kant op. De leeftijd van deze groep mensen varieert van 65 tot soms diep in de negentig. Er is vrijwel geen verzekeringsmaatschappij te vinden die mensen van die leeftijd nog accepteert tegen redelijke voorwaarden, zeker niet als ze ook nog een behoorlijk ziekteverleden hebben.
De risico-solidariteit is doorbroken. De gepensioneerden hebben tijdens hun werkzame leven altijd een premie betaald waarin een stuk solidariteit met de ouderen zat verwerkt. De Premie/Kosten verhouding voor de groep tot 65 jaar bedraagt ongeveer 1,4 en voor de groep boven 65 jaar 0,5. (Gegevens overgenomen uit een nota van minister Els Borst van VWS.) Dit betekent dus dat de jongere, werkende ongeveer 40% meer betaalt dan zijn kosten zijn en de oudere betaalt maar ongeveer de helft van zijn kosten. De reserve die aldus wordt opgebouwd tijdens zijn werkzame leven is de gepensioneerde die naar het buitenland vertrekt kwijt en verdwijnt in de zakken van de verzekeraars.
In veel gevallen moet dubbel worden betaald. Er is een aantal EU landen waar de zorg wordt betaald uit de algemene middelen. Middels de belastingen betaalt de gepensioneerde daaraan mee. Bovendien wordt hij geacht zijn bijdrage aan het CVZ te betalen. Voorbeelden hiervan zijn o.m. Spanje, het Verenigd Koninkrijk en Zweden. Het is wrang dat met een beroep op EU verordening 1408/71 dubbel moet worden betaald, terwijl de verordening juist is bedoeld om dubbele betaling te voorkomen. Oud ambassadeur Vijverberg, die aan het tot stand komen van de verordening heeft meegewerkt, noemt dat een pervers gebruik maken van de verordening.
Sommigen betalen driedubbel. Vanwege de slechte staat van de zorg in Spanje hebben veel mensen, ook de Spanjaarden, veelal ook een particuliere verzekering, die dus bovenop de in punt 5. genoemde betalingen komt.
Wij hebben op vele manieren getracht deze nadelige gevolgen onder de aandacht van de minster van VWS en Kamerleden te brengen. Dat de minister en de Kamer het kennelijk niet begrijpen of om andere redenen daar niet op willen of kunnen ingaan, blijkt uit onderstaand relaas.
de minister van VWS is doof voor ieder redelijk argument. In tegendeel, hij schildert de betrokken gepensioneerden af als belastingontduikende zakkenvullers, die de gehele dag met een drankje aan de rand van hun zwembad zitten. De realiteit is een andere. Zeer vele Nederlandse gepensioneerden moeten rondkomen van een klein pensioentje en een AOW- uitkering. De meesten betalen gewoon hun belastingen hier in Spanje, hoewel er best een aantal zal zijn, die dat niet doet. Maar dat is in Nederland niet anders, ook daar wordt belasting ontdoken.
De regeling die de minister heeft getroffen heeft tot doel inkomsten voor de Nederlandse Staat te genereren. Zij is meer dan kostendekkend of zoals de minister onlangs in een debat zei: “Het overschot neigt nu naar neutraal”. Bovendien is zij strijdig met EU-verordening 1408/71 artikel 33. Slechts het bevoegde orgaan is gerechtigd bijdragen in te houden op de wettelijke pensioenen. CVZ is als bevoegd orgaan aangewezen, maar kan helemaal niets inhouden omdat zij niets uitbetaalt. Bovendien wordt er ingehouden over bedrijfspensioenen. Dat zijn geen wettelijke pensioenen. Het is in strijd met de verordening daarover inhoudingen te doen.
De minister negeert een uitspraak van de kort geding rechter om geen bijdrage voor AWBZ-achtige voorzieningen in rekening te brengen als die niet worden gegeven in het woonland. In zijn laatste regeling met woonlandfactoren zijn er landen met een dergelijke hoge woonlandfactor dat van de daar wonende gepensioneerde Nederlanders wel degelijk een bijdrage aan de AWBZ-achtige voorzieningen wordt gevraagd, hoewel die voorzieningen niet worden verstrekt.
De regeling voor de woonlandfactoren is gebaseerd op de kosten voor een gemiddelde inwoner en niet op de kosten voor een gepensioneerde, daarmede worden de hoge kosten in Nederland, die vooral het gevolg zijn van de AWBZ-voorzieningen, voor de groep 65+ gemitigeerd en betaalt de geëmigreerde Nederlandse gepensioneerde het gelag. Bovendien wordt geen rekening gehouden met de risico-solidariteit, terwijl die wel in Nederland geldt. Zijn opgebouwde reserve is hem afgenomen. Een vorm van discriminatie.
De minister weigert steevast de geëmigreerde Nederlander de vrije keus terug te geven die hem is ontnomen. Dit terwijl de vrije keus juist een hoeksteen is van de Zvw. Wederom een vorm van discriminatie.
In zijn antwoorden op vragen van Mevrouw Schipper over een mogelijke opt-out gebruikt de minister de grootst mogelijke onzin argumenten om geen opt-out te hoeven toepassen. Zo zou dat volgens hem dan ook op de Nederlanders in Nederland van toepassing moeten zijn. Bovendien wijst hij op de mogelijkheid van “freerider”-gedrag. Onzin, de groep mensen waarom het hier gaat is per definitie ouder dan 65 jaar en die kunnen zich geen “freerider”-gedrag permitteren. De kans op noodzakelijke zorg is daarvoor veel te groot. De Tweede Kamer slikt het als zoete koek.
De minister heeft de Tweede Kamer tenminste tweemaal verkeerd voorgelicht door te stellen dat hij door de EU-verordening zou zijn gedwongen de wet op die manier toe te passen. Later moest hij toegeven dat dit niet zo was. De Tweede Kamer liet deze politieke doodzonde gelaten over zich heen gaan. Het was politiek niet opportuun er iets aan te doen.
De minister stelt bij ieder debat dat de organisatie bij het CVZ goed is geregeld. Het is echter nog steeds een puinhoop. Tot op de dag van vandaag worden brieven niet of verkeerd beantwoord, bij telefoongesprekken wordt geen goed antwoord of helemaal geen antwoord gegeven door de daartoe ingehuurde krachten die klaarblijkelijk geen kennis hebben van de materie. De inhouding op de bedrijfspensioenen is een organisatorisch monstrum. CVZ moet bewaken dat het te betalen maximum niet wordt overschreden. Een farce, zij zijn daartoe niet in staat. Dat betekent dat de gepensioneerde in eerste instantie teveel moet betalen en dat later terug moet claimen. Bovendien is zij in strijd met de EU-verordening. Ook hier treedt de Tweede Kamer niet op. Minister Verdonk wordt voor minder naar de Kamer teruggeroepen en met moties geconfronteerd over het handelen van de IND.
De Tweede Kamer laat zich weinig gelegen liggen aan het lot van die ca. 100.000 Nederlanders in Europa. Mevrouw Schipper van de VVD en de heer Omtzigt van het CDA hebben in het debat met de minister hem zelfs gecomplimenteerd voor de goede aanpak van het probleem met de “buitenlanders”. Zij hebbent er kennelijk geen notie van wat er speelt. Wel wordt er urenlang, zo niet dagenlang, gedebatteerd over het lot van één enkel kamerlid, Mevrouw Hirshi Ali. Dat zet hier heel veel kwaad bloed.
Het is echt onbegrijpelijk dat een land als Nederland, als enige in Europa, op deze manier over de rug van de gepensioneerde, geëmigreerde, Nederlander zijn begrotingstekort probeert te verminderen. Velen van hen zijn al 10, 20 jaar weg uit Nederland en hebben altijd goed hun eigen boontjes kunnen doppen. Soms wordt het verwijt gemaakt door de minister en de leiding van CVZ ( Hillen) dat die mensen van twee wallen willen eten. Een goed klimatologisch klimaat en goede zorg ten laste van Nederland. Ook wordt gezegd dat zij de consequentie van hun emigratie moeten overzien. Dat zal niemand ontkennen, zeker de betrokkenen niet. Zij kunnen echter niet voorzien dat vele jaren na hun vertrek zij alsnog met een dergelijke houding van de Nederlandse regering en in het bijzonder die van de minister van VWS worden geconfronteerd. De Wtz werd nog in 2002 aangepast zodat emigrerende gepensioneerden gebruik konden blijven maken van hun ziektekostenverzekering. Nauwelijks 3 jaar later werd deze wet opgeheven. Hoe kan men zich daar nu op voorbereiden? De overheid toont daarmee aan een onbetrouwbare overheid te zijn.
Artikel 69 van de ZvW is overbodig. Om gebruik te maken van zijn recht onder EU-verordening 1408/71 is dit artikel niet nodig. De enige conclusie moet zijn dat dit artikel in de wet is opgenomen om de gepensioneerde geëmigreerde Nederlander financieel te kunnen aanpakken.
De minister van VWS beroept zich herhaaldelijk openlijk op zijn geweldige prestaties (o.m. Nova 21/8). Wij zouden het wat betreft de gepensioneerde geëmigreerde Nederlander eerder een wanprestatie willen noemen. Het heeft alle kenmerken van een haastklus, slechte voorbereiding, slechte regelgeving en bijzondere slechte organisatie en uitvoering. Inmiddels heeft hij te kennen gegeven de politiek te willen verlaten. Dit en de komende verkiezingen bieden een goede mogelijkheid om aan enige reparatiewetgeving te doen. Het wordt tijd dat de overheid haar sociale gezicht laat zien. Het is toch bijzonder wrang dat de betrokken groep, oudere Nederlanders, naar de rechter toe moet om haar gelijk te verkrijgen. Wij doen daarom een dringend beroep op u de keuzevrijheid te herstellen en bovendien de te betalen bijdrage op een zodanige wijze vast te stellen dat recht wordt gedaan aan de uitspraak van de rechter en de risico-solidariteit. Geef de geëmigreerde gepensioneerde Nederlander zijn opgebouwde reserve terug.
Namens de Vereniging van Nederlandse Gepensioneerden in Spanje (VNGS)
C. van der Wiel, voorzitter
OPROEP OPROEP OPROEP OPROEP OPROEP OPROEP !!!!!
Zoals bekend werden per 1.1.2006 alle lopende particuliere ziektekostenverzekeringen eenzijdig opgezegd. Naast de lopende processen waarover u bent geïnformeerd, zijn wij ook bezig de verzekeringsmaatschappijen aan te pakken op hun gedrag in deze.
Art. 2.5.2. in de I&A bepaalt dat de particuliere verzekering mocht worden opgezegd voor het gedeelte dat per 1.1.2006 gedekt zou worden door van overheidswege verstrekte zorg.
Er had een aanvullende polis beschikbaar moeten komen ter dekking van datgene dat niet viel onder de woonlandzorg; die is er dus nooit gekomen zoals we ook weten.
Na 1 januari heb ik diverse signalen gekregen dat mensen op dat moment door hun verzekeringsmaatschappij zijn benaderd met de mededeling dat de lopende behandeling die men op dat moment onderging moest worden afgebroken en verdere behandeling diende te worden ondergaan via de dienstverlening van de Seguriad Social waar men zich moest aanmelden. Ging men toch door, dan zouden de gemaakte kosten niet meer voor rekening van de inmiddels opgezegde verzekering komen.
Indertijd heb ik daar geen aantekeningen over gemaakt maar nu blijkt dat dit feit belangrijk is voor onze strijd. Ik zou het op prijs stellen indien mensen die dit is overkomen, met mij (cvdwiel@terra.es) daarover contact zouden willen opnemen in de vorm van een schriftelijke verklaring of, beter nog, met schriftelijk bewijs van de betreffende verzekeraar.
Bij voorbaat dank.
Cees van der Wiel
Voorzitter SBNGB/ VNGS
MEDEDELING SBNGB BETREFFENDE AANVULLENDE BEZWAARSCHRIFTEN SVB dd. 15.08.2006
Op dit moment worden wij overspoeld met vragen over een eventueel aanvullend bezwaarschrift op de reeds ingediende bezwaarschriften bij de SVB naar aanleiding van de inhoudingen op de AOW - uitkering. Wij kunnen u daarover het volgende mededelen:
Er is inmiddels een aantal personen geselecteerd die bezwaarschriften hebben ingediend tegen de inhoudingen en de woonlandfactoren. Bij afwijzing van die bezwaarschriften zal er beroep worden aangetekend bij de Raad van State (bestuursrechter).
Met de SVB is overeengekomen dat zij geen nieuwe brieven meer zullen versturen met het verzoek om aanvulling van de gronden van het bezwaar, totdat de proefprocedures zijn uitgeprocedeerd.
Mocht u echter toch een brief (hebben) ontvangen waarin om aanvulling van de gronden wordt verzocht, dan vindt u hier een aanvullend bezwaarschrift. Deze tekst dient te worden overgenomen in een brief en hetgeen tussen [rechte haken] staat, dient te worden ingevuld. Vergeet niet Bijlage 1 bij uw bezwaarschrift te voegen, die hier is te vinden. Het verdient aanbeveling om op de enveloppe te vermelden dat het
een bezwaarschrift betreft.
Bestuur SBNGB
CVZ BESLISSING OP BEZWAAR KEUZERECHT DD: 09.08.2006
ONZE ADVOCAAT GAAT TEGEN DEZE UITSPRAAK IN BEROEP!!!
Geachte mijnheer…,
U heeft bezwaar gemaakt tegen de beslissing van het College voor zorgverzekeringen (CVZ) van 5 december 2005 dat u op basis van een Nederlands pensioen recht heeft op geneeskundige verzorging in uw woonland en daarom bijdragen verschuldigd bent in Nederland.
Naar aanleiding van uw bezwaren heb ik namens het CVZ de volgende beslissing genomen.
BESLISSING
Het CVZ verklaart uw bezwaarschrift ongegrond.
Bij deze beslissing heb ik in aanmerking genomen artikel 69 van de Zorgverzekeringswet (Zvw), de artikelen 27 tot en met 28bis, 33 en 89 van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (hierna: de Verordening), artikel 29 van Verordening (EEG) nr. 574/72 (hierna: de Toepassingsverordening) en de artikelen 6:7, 6:8, eerste lid, en 6:11 Awb.
MOTIVERING
Op 5 december 2005 heeft het CVZ u een formulier E 121 toegestuurd. Tevens worden op uw AOW-pensioen sedert januari 2006 bijdragen ingevolge artikel 69 Zvw ingehouden. Op 15 februari 2006 heeft u een bezwaarschrift ingediend tegen de beslissing van het CVZ dat u op basis van een Nederlands pensioen recht heeft op geneeskundige verzorging in uw woonland en daarom bijdragen verschuldigd bent in Nederland. Op 2 juni 2006 heeft u aanvullende gronden voor het bezwaar ingediend.
Ontvankelijkheid van uw bezwaarschrift
De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 6:8, eerste lid, Awb aan op de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. U maakt bezwaar tegen het besluit van het CVZ dat op 5 december 2005 aan u is bekendgemaakt. Uw bezwaarschrift heeft u ingediend op 15 februari 2006. U heeft uw bezwaarschrift derhalve ingediend meer dan zes weken na de datum waarop de termijn voor het maken van bezwaar is verstreken. Ingevolge artikel 6:11 Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Omdat u bij de bekendmaking van het besluit van 5 december 2005 niet bent gewezen op de mogelijkheid bezwaar te maken tegen dit besluit ben ik van oordeel dat u niet in verzuim bent geweest. Uw bezwaarschrift is daarom ontvankelijk.
Gronden van het bezwaar
In uw bezwaarschrift voert u kort weergegeven aan dat:
1. De artikelen 28 en 28 bis van de Verordening geen verplichting behelzen maar een recht waarvan iemand al dan niet gebruik kan maken;
2. U daarom niet verplicht bent zich te registreren bij een verzekeringsorgaan (ziekenkas) in uw woonland;
3. Artikel 69 Zvw alleen op u van toepassing is, als u beslist om gebruik te maken van bovengenoemd recht.
Reactie CVZ
Ingevolge artikel 2 Zvw is de persoon die verzekerd is voor de AWBZ, verplicht om in Nederland een zorgverzekering te sluiten. U bent niet AWBZ-verzekerd en daarom bent u niet verplicht zich krachtens een zorgverzekering te verzekeren ingevolge artikel 2 Zvw.
Artikel 69, lid 1, Zvw bepaalt dat buiten Nederland wonende personen die met toepassing van een Verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen recht hebben op zorg of vergoeding van de kosten daarvan, zich bij het CVZ moeten aanmelden. U woont buiten Nederland en heeft met toepassing van de Verordening recht op zorg in België op grond van het feit dat u vanuit Nederland een AOW-pensioen ontvangt. Ingevolge het tweede lid van artikel 69 Zvw bent u in Nederland een bijdrage verschuldigd voor de zorg waarop u in uw woonland recht heeft.
U voert aan dat van recht op zorg als bedoeld in artikel 69, lid 1, Zvw en derhalve van de verschuldigdheid van een bijdrage als bedoeld in artikel 69, lid 2, Zvw, eerst sprake is vanaf het moment dat u zich inschrijft bij een orgaan in België. U meent voorts dat de Verordening u het recht geeft zich in te schrijven voor zorg, maar u daartoe niet verplicht.
U heeft verder aangevoerd dat u zich weliswaar inderdaad heeft aangemeld, maar dat u dit louter heeft gedaan omdat door het CVZ is medegedeeld dat u daartoe verplicht bent. Zodra komt vast te staan dat u niet verplicht bent zich aan te melden in België, zult u zich aldaar doen uitschrijven.
Het CVZ is met u van mening dat het antwoord op de vraag of recht op zorg bestaat in de zin van artikel 69, lid 1, Zvw, niet voortvloeit uit de Zorgverzekeringswet, maar uit de toepasselijke internationale regeling, in uw geval de Verordening. In tegenstelling tot u is het CVZ echter van mening dat dit recht op zorg bestaat los van de vraag of de betrokken persoon medewerking verleent aan de administratieve handelingen die nodig zijn om dit recht te concretiseren. Centraal voor de beoordeling van uw bezwaarschrift staat derhalve de vraag of de regeling vervat in de Verordening het toestaat u de verplichting op te leggen u aan te melden bij het CVZ en van u een bijdrage te verlangen op het moment dat u zich (nog) niet hebt ingeschreven in uw woonland, omdat u geen gebruik wenst te maken van uw recht op de verstrekking van zorg of vergoeding daarvan volgens de normen van het wettelijk stelsel van uw woonland.
Het CVZ kan zich om de volgende redenen niet met uw argumenten verenigen.
In algemene zin kan worden gesteld dat de bescherming die de Verordening biedt eruit bestaat dat de aanspraken worden veiliggesteld die een migrant zou kunnen verliezen door zich van een lidstaat naar een andere te begeven. In casu is hiervan sprake. Personen die een Nederlands pensioen ontvangen hebben op grond van artikel 28 van de Verordening recht op zorg overeenkomstig de wetgeving van hun woonland. Tegenover dat recht staat dat zij bijdragen verschuldigd zijn. In het kader van het solidariteitsbeginsel – het fundament van de sociale zekerheid – ligt het niet in de rede om eerst bijdragen te vragen nadat het te verzekeren risico zich al heeft voorgedaan. De Verordening is er daarom ook niet op gericht om personen te ontheffen van de uit solidariteit geboren verplichting bij te dragen aan de sociale zekerheid.
Het CVZ heeft bij het voorgaande acht geslagen op de jurisprudentie van het Hof van Justitie EG en met name het arrest Kracht. In dit arrest heeft het Hof bij de uitleg van artikel 76 van de Verordening beslissende betekenis toegekend aan het doel van artikel 51 EEG-Verdrag (thans: artikel 42 EG), namelijk de totstandbrenging van het vrije verkeer van werknemers. Op grond
daarvan heeft het Hof een keuzemogelijkheid voor de rechthebbende erkend (zie overweging 16 van het arrest Kracht van 4 juli 1990, zaak C-117/89, Jur. 1990, I-02781). Het CVZ meent dat dit arrest niettemin geen onderbouwing vormt van uw argumenten. In het arrest Kracht gaat het namelijk niet om de vraag of een lidstaat premies of bijdragen mag heffen, maar louter om de vraag of een bestaande aanspraak op gezinsbijslag mag worden verminderd als in een andere lidstaat eveneens recht op gezinsbijslag bestaat maar dit recht niet tot uitbetaling komt omdat het niet is aangevraagd. In het arrest Kracht wordt nergens – al ware het maar impliciet – gesuggereerd dat het niet aanvragen van een uitkering de betrokkene zou kunnen ontslaan van de verplichting bij te dragen aan het fonds of de kas waaruit de uitkering zou worden betaald indien aangevraagd.
Ten slotte merk ik over de tekst van artikel 29 van de Toepassingsverordening nog het volgende op. Deze bepaling schrijft inderdaad voor (1) dat u zich moet inschrijven om in aanmerking te komen voor zorg in uw woonland en (2) dat het formulier E 121 op uw verzoek wordt afgegeven door het orgaan van het land dat het pensioen betaalt, i.e. het CVZ. Maar het bepaalde in artikel 29 van de Toepassingsverordening, zoals deze verordening in zijn geheel, is er vooral op gericht om de socialezekerheidsorganen te laten samenwerken bij de realisering van de rechten van migrerende personen. De Toepassingsverordening is geenszins bedoeld om beperkingen aan te brengen op de rechten die de Verordening garandeert. Het is daarom onjuist om uit de tekst van artikel 29 af te leiden dat de regeling alleen van toepassing wordt als u besluit zich in te schrijven en daarvoor verzoekt om afgifte van een formulier E 121. Artikel 29 van de toepassingsverordening vormt immers geen constituerend element voor het recht op verstrekkingen. De inschrijving en de afgifte van het formulier E 121 doen namelijk niet het recht op zorg ontstaan, omdat dit recht direct voortvloeit uit de Verordening. De afgifte van het formulier E 121, de inschrijving in het woonland en ten slotte de zorg kunnen door de betrokken uitvoeringsorganen dan ook niet geweigerd worden als aan de voorwaarden van de Verordening is voldaan. Het ligt daarom niet in de rede om te aanvaarden dat u weliswaar recht hebt op zorg, maar dat u (nog) geen bijdragen verschuldigd bent omdat u zich niet wenst(e) in te schrijven bij het orgaan van uw woonland ten einde uw aanspraak op zorg te concretiseren.
Op basis van de voorgaande overwegingen concludeert het CVZ dat de Verordening en de Toepassingsverordening het wel degelijk toestaan u de verplichting op te leggen u aan te melden bij het CVZ en van u een bijdrage te verlangen op het moment dat u zich (nog) niet hebt ingeschreven in uw woonland. Ik heb daarom besloten uw bezwaarschrift ongegrond te verklaren.
Volgens de Algemene wet bestuursrecht dient u in beginsel te worden gehoord voordat op uw bezwaar wordt beslist. Uw gemachtigde heeft aan ons meegedeeld dat van het horen wordt afgezien. Daarom is geen hoorzitting gehouden.
Ten slotte delen wij u mee dat, nu uw bezwaar ongegrond is verklaard, u niet in aanmerking komt voor de vergoeding van de kosten die u in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken.
MEDEDELING VNGS 09.08.2006
ERVARING MET TARJETA SANITARIA EUROPEA IN NEDERLAND
Ons is gemeld dat er in Nederland problemen kunnen ontstaan met bovengenoemde kaart. Dit wordt veroorzaakt door onwetendheid van de zorgverleners in Nederland.
Het blijkt dat AGIS de aangewezen zorgverzekeraar is die de facturen behandelt van Nederlanders die normaal in het buitenland wonen, maar die tijdens hun verblijf in Nederland zorg nodig hebben.
De zorgverleners kunnen en moeten hun facturen dus naar AGIS sturen.
Houd u hier rekening mee bij uw bezoek aan Nederland.
Bestuur VNGS
MEDEDELING SBNGB / VNGS DD. 07.08.2006
HOE NU VERDER NA HET BEZWAAR BIJ HET CVZ / SVB?
Omdat velen van u al bezwaar hebben gemaakt, heeft het CVZ / SVB de Stichting verzocht of het mogelijk zou zijn één of enkele procedures bij wijze van proefprocedure uit te procederen waarna de uitslag van die proefprocedure zal gelden voor de overige bezwaarschriften.
Dit houdt in dat het CVZ / SVB naar aanleiding van één of enkele bezwaarschriften een zogenaamd besluit op bezwaar zal nemen. Nu de Nederlandse wettekst niet voorziet in een keuzerecht, zal het CVZ / SVB naar alle waarschijnlijkheid niet tot een ander oordeel (kunnen) komen dan dat u verdragsgerechtigde bent en derhalve bijdrageplichtig.
Daarna zal in de proefprocedures beroep moeten worden ingesteld bij de bestuursrechter, die vervolgens zal dienen te beslissen hoe de zorgverzekeringswet moet worden uitgelegd in het licht van de Europese regelgeving.
De uitspraak van de rechter in die ene procedure (eventueel na hoger beroep) zal dan maatgevend zijn voor de manier waarop het CVZ / SVB met alle andere bezwaren zal (moeten) omgaan.
C. van der Wiel
Voorzitter SBNGB/ VNGS
BELANGRIJKE MEDEDELING SBNGB/ VNGS 22.07.2006
BEZWAAR TEGEN INHOUDING OP UW AOW CONFORM DE DOOR DE MINISTER VASTGESTELDE WOONLANDFACTOR.
Wij hebben allen van het CVZ de brief ontvangen betreffende de voor ons geldende woonlandfactor. Het zal opgevallen zijn dat de datering nogal vrijblijvend is: “juni 2006”. Wordt hier bedoeld: begin- , medio-, of einde juni?
Bovendien is deze brief zéér knap opgesteld: is de inhoud uitsluitend informatief of geldt het een beschikking waartegen men bezwaar kan aantekenen? In ieder geval is met grote zorgvuldigheid vermeden ons te wijzen op de mogelijkheid van – en de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen de voorgestelde woonlandfactor.
Het zou kunnen zijn dat velen van ons hierdoor te laat zijn geweest met het indienen van de bezwaarschriften.
Is hier sprake van boos opzet van het CVZ? Men zou het bijna denken. Zij hebben toch zeker voldoende deskundigheid in huis om een duidelijke en heldere brief op te stellen, netjes, zoals het hoort. Door de brief zoals hij nu verzonden is, zijn velen, al dan niet opzettelijk, op het verkeerde been gezet.
Het is daarom noodzakelijk om (zekerheidshalve) gebruik te maken van de volgende mogelijkheid tot bezwaar aantekenen: direct nadat op uw AOW de eerste inhouding conform de woonlandfactor heeft plaatsgevonden (eind juli). Wij adviseren U dan ook om zo snel mogelijk nadat U heeft vastgesteld dat ingehouden is, een bezwaarschrift in te dienen. Een model kunt U op de site vinden. (onder deze brief)
Laten wij het CVZ en de Minister ook op deze wijze laten weten dat wij niet accoord gaan met zijn plannetjes. Indien grote aantallen bezwaarschriften ontvangen worden uit vele landen geven wij aan dat het ongenoegen algemeen is en breed gedragen wordt. Het betreft niet slechts enkele raddraaiers!
Het is uiteraard een heel gedoe: bezwaarschrift na bezwaarschrift, er zou een soort “bezwaarschrift-moeheid” kunnen ontstaan. Dat is precies waar de Minister en zijn ambtenaren op hopen: GEEF ZE GEEN GELIJK!
Klik hier voor de modelbrief in word formaat
BEZWAAR MAKEN TEGEN WOONLANDFACTOR
Het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) stuurt op dit moment brieven aan de verdragsgerechtigden waarin zij u informeert over de woonlandfactor die op u van toepassing is. Wellicht heeft u deze brief zelfs al ontvangen. Ter behoud van rechten kunt u bezwaar maken tegen de vaststelling van de woonlandfactor. Daarnaast zullen op dit punt nu ook proefprocedures worden aangespannen bij het CVZ. De uitkomst van die proefprocedure zal dan ook gelden voor uw bezwaarschrift.
Hier vind u het bezwaarschrift (PDF) tegen de vaststelling van de woonlandfactor. Deze tekst dient te worden overgenomen in een brief en hetgeen tussen [rechte haken] staat, dient te worden ingevuld. Vergeet niet Bijlage 1 bij uw bezwaarschrift te voegen.
BELANGRIJKE MEDEDELING SBNGB DD. 11.07.2006
1. BEGELEIDENDE TEKST BIJ BRIEF AAN OUDE VERZEKERAAR
Brief aan uw oude verzekeraar
De meeste - zo niet alle - Nederlandse verzekeringsmaatschappijen hebben de oude particuliere verzekeringsovereenkomsten integraal opgezegd. Aangezien noch het keuzerecht, noch de tekst van de wet waarmee de Zorgverzekeringswet is ingevoerd, daartoe ruimte bieden, heeft deze opzegging ten onrechte plaatsgevonden.
Wanneer in de proefprocedures het keuzerecht wordt erkend is het belangrijk dat de mogelijkheid nog bestaat dat u "terugkunt" naar uw oude particuliere verzekeraar. Slechts dan heeft u immers écht wat te kiezen. Er is een modelbrief opgesteld tot behoud van rechten jegens uw verzekeraar wanneer u van uw keuzerecht gebruik wilt maken. Die brief vindt u hier onder 2. Let op: dat betekent dat u ervoor kiest niet verzekerd te zijn bij het ziekenfonds van uw woonplaats (waartoe de Nederlandse zorgverzekeringswet u verplicht).
Mocht u evenwel toch gebruik willen maken van het woonlandpakket, dan zou de oude particuliere verzekering als aanvullende verzekering op dat woonlandpakket moeten dienen conform de tekst van de Invoeringswet. Ook daarvoor is een modelbrief opgesteld tot behoud van rechten jegens uw verzekeraar. Die brief vindt u hier onder 3.
Let op! Het verzekeringsrecht kent een verjaringstermijn van drie jaar. U moet uw voorbehoud dus om de drie jaar per brief inroepen om verjaring te voorkomen. Uiterlijk eind 2008 zult u dus weer een brief van gelijke strekking aan uw verzekeraar moeten sturen.
MEDEDELING STICHTING dd. 11.7.2006
In alle lidstaten van de EU wordt de European Health Insurance Card (Europese ziekteverzekeringskaart = EHIC) ingevoerd. Deze kaart moet eind 2006 zijn ingevoerd. Landen of instellingen die deze kaart nog niet beschikbaar hebben, kunnen zolang een voorlopig bewijs ter vervanging van de Europese ziekteverzekeringskaart afgeven. Dat is vastgesteld in bijlage 2 bij Besluit nr. 190 van 18 juni 2003 betreffende de technische specificaties van de Europese Ziekteverzekeringskaart.
Voor Nederlands pensioengerechtigden die voor rekening van Nederland in andere EU-landen zijn ingeschreven, is de verzekeringsinstelling van de woonplaats (dus waar de pensioengerechtigde voor rekening van Nederland is ingeschreven) verplicht deze op verzoek af te geven.
De aanspraken die betrokkenen hebben zijn dezelfde als die voorheen golden voor het vroegere formulier E 111 (het zogenaamde vakantieformulier).
Wij vertrouwen u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
met vriendelijke groet,
het College voor zorgverzekeringen
REACTIE VAN LANDSADVOCAAT OP BRIEF STICHTING dd. 30.06.2006
De landsadvocaat heeft namens het Ministerie van VWS gereageerd op de namens de Stichting gestuurde brief betreffende de onjuiste berekening van de woonlandfactoren. Volgens het Ministerie van VWS dient de woonlandfactor te worden berekend op basis van onderling te vergelijken bedragen. De zorgkosten van het woonland die vergeleken worden met de zorgkosten van Nederland moeten volgens het Ministerie dezelfde groep betreffen. Volgens hem betreffen de bedragen die de lidstaten onderling aan elkaar moeten betalen voor "elkaars" verdragsgerechtigden niet (altijd) dezelfde groepen. Sommige lidstaten nemen ook de kosten voor WAO-ers, Vutters en vroeg-gepensioneerden mee en ook gezinsleden van die personen en gezinsleden van 65-plussers, terwijl een land als Nederland bij de berekening juist alleen maar uitgaat van 65-plussers. Het Ministerie van VWS heeft daarom andere gegevens gebruikt om tot wel vergelijkbare groepen te komen, nl. alle verzekerden.
Ook op dit punt zullen nu dus proefprocedures moeten worden aangespannen bij het CVZ. Omdat velen van u al bezwaar hebben gemaakt tegen de hoogte van de bijdrage, heeft het CVZ de Stichting verzocht of het mogelijk zou zijn ook hiervoor één of enkele procedures bij wijze van proefprocedure uit te procederen waarna de uitslag van die proefprocedure zal gelden voor de overige bezwaarschriften.
Dit houdt in dat het CVZ naar aanleiding van één of enkele bezwaarschriften een zogenaamd besluit op bezwaar zal nemen. Het CVZ kan niet anders dan de woonlandfactor vast te stellen op basis van de huidige gewijzigde Regeling Zorgverzekering. Daarna zal in de proefprocedures beroep moeten worden ingesteld bij de bestuursrechter, die vervolgens zal dienen te beslissen of met die gewijzigde Regeling Zorgverzekering op juiste dan wel onjuiste wijze uitvoering wordt gegeven aan het kortgedingvonnis van 31 maart jl.
De uitspraak van de rechter in die ene procedure (eventueel na hoger beroep) zal dan maatgevend zijn voor de manier waarop het CVZ met alle andere bezwaren zal (moeten) omgaan.
Daarnaast is door ons nog een ander punt aangestipt in de brief aan de landsadvocaat: het wegvallen van de brutering van (o.a.) de WAO-uitkering. Volgens de landsadvocaat is dit slechts tekstueel weggevallen, maar blijven de uitvoeringsorganen onverminderd een brutering toepassen.
Volgens het Ministerie van VWS is een expliciete verwijzing in de Regeling Zorgverzekering naar art. 46 Zvw waar de brutering staat genoemd overbodig omdat er reeds een verwijzing naar par. 5.2 van de Zorgverzekeringswet in de Regeling is opgenomen. Nu art. 46 onder par. 5.2 van de Zorgverzekeringswet valt zou de verwijzing dus "dubbelop" zijn.
Zorgverzekeringswet, voortgang proces
De Kort geding rechter heeft in zijn uitspraak bepaald dat er een bodemprocedure tegen de Staat moest worden aangespannen om zeker te stellen dat de bodemrechter zijn uitspraak deelt dat de verplichte bijdrage geen AWBZ deel mag bevatten als in de woonlanden geen AWBZ voorzieningen aanwezig zijn. De minister heeft daarop gereageerd door met een nieuwe regeling te komen waarbij “woonlandfactoren” zijn geïntroduceerd. Hierdoor is de situatie belangrijk veranderd. Nader overleg met onze advocaat over die veranderde situatie heeft tot het volgende geleid:
Woonlandfactoren
Met de introductie van de “woonlandfactoren” komt de minister enigszins tegemoet aan de eis van de rechter om rekening te houden met de specifieke woonland omstandigheden. Echter hij baseert zich daarbij op de kosten van een gemiddeld persoon in de verschillende landen. In sommige, meestal noordelijke landen, moet ondanks het gebrek aan AWBZ voorzieningen meer worden betaald dan voor de introductie van de “woonlandfactoren”. Dit is voor het bestuur volstrekt onacceptabel. Het bestuur erkent dat in die gevallen waarbij de mensen geen gebruik wensen te maken van hun recht op vrije keuze van hen een redelijke bijdrage mag worden verwacht. Het principe van “woonlandfactoren” kan daarbij van dienst zijn. Wel stelt het bestuur dat de basis daarvoor de zorgkosten van de gepensioneerden moet zijn en niet die van een gemiddeld persoon. In die zin is er een brief verstuurd aan de landsadvocaat waarin dit is neergelegd. Mocht dat worden geaccepteerd dan wordt in vrijwel alle landen en in alle gevallen de AWBZ bijdrage volledig buiten beschouwing gelaten en wordt bovendien recht gedaan aan de eis rekening te houden met de verschillen in voorzieningen in de verschillende woonlanden. Het bestuur is in dat geval en uitsluitend in dat geval, bereid af te zien van verdere procedures betreffende de hoogte van de bijdrage.
Vrije keuze
Het bestuur is van mening, daarbij ondersteund door de wens van veel leden, dat een ieder het recht moet hebben zelf te bepalen of hij/zij gebruik wil maken van de zorgvoorzieningen in zijn/haar woonland of daarin anderszins wil voorzien. De minister heeft zich tegenover de Tweede Kamer steeds op het standpunt gesteld dat dit volgens de Europese verordening niet mogelijk is. In zijn beschouwing van 10 april over de mogelijkheid tot opt-out geeft de minister aan dat er wel degelijk een mogelijkheid was, maar dat hij dat niet wilde doen, omdat hij dat dan ook in Nederland zou moeten toestaan. Het zou in zijn optiek leiden tot “freerider” gedrag. Een onzinnig argument dat nergens op slaat.
Het bestuur blijft zich met volle kracht inzetten om de vrije keuze mogelijk te maken.
In overleg met de advocaat is besloten hiervoor de bestuursrechter in te schakelen. Hiervoor is een aantal personen geselecteerd die een bezwaarschrift bij het CVZ hebben ingediend en die geen gebruik willen maken van de voorzieningen in hun woonland. CVZ en SVB hebben toegezegd hieraan voluit te willen medewerken om ook voor hen klaarheid te brengen in deze zaak in verband met de zeer vele bezwaarschriften die zijn ontvangen. De dossiers van deze proefpersonen worden nu onderzocht en voor 1 augustus zal de zaak aanhangig worden gemaakt. Het CVZ verzendt op dit moment een brief aan alle indieners van bezwaarschriften met het verzoek de uitslag van dit proces te willen afwachten.
Conclusie
Het bestuur wil voor iedereen de vrije keuze en indien men daarvan geen gebruik wil of kan maken een aanvaardbare bijdrage.
Bestuur VNGS
STICHTING BELANGENBEHARTIGING NEDERLANDSE GEPENSIONEERDEN BUITENLAND
Aan de dames en heren leden van de 2e Kamer der Staten Generaal
Zoals bekend voerde bovengenoemde stichting een proces tegen de Staat der Nederlanden teneinde wijziging af te dwingen van de onacceptabele gevolgen van de Zorgverzekerings-wet. De rechter wees vonnis in deze zaak op 31 maart j.l.
Om te voldoen aan het daarin gestelde kondigde de minister van VWZ een wijziging van de Regeling Zorgverzekering af, de z.g. Wijzigingsregeling, waarbij het begrip “woonlandfactor” werd geïntroduceerd.
Bij bestudering daarvan is het bestuur van de stichting tot de conclusie gekomen dat het daarin vervatte voorstel geen c.q. onvoldoende invulling geeft aan het door de rechter in zijn vonnis bepaalde. Wij hebben dan ook besloten daartegen formeel bezwaar aan te tekenen, hetgeen is vervat in het schrijven van onze raadsman aan de Landsadvocaat van 12 juni.
Om u daarvan op de hoogte te stellen doen wij u hierbij een kopie toekomen van genoemde brief.
Daarin wordt gesteld dat onze stichting bereid is alle procedures met betrekking tot de hoogte van de inhoudingen in te trekken. Voor de goede orde wijzen wij erop dat deze toezegging betrekking heeft op de hoogte van de inhoudingen. De fundamentele kwestie van het keuzerecht staat hier los van.
Gaarne spreken wij de wens uit in deze aangelegenheid op uw steun te mogen rekening teneinde de onaanvaardbare gevolgen van deze wetgeving ongedaan te maken.
Namens de Stichting SBNGB,
C.H. van der Wiel
Voorzitter.
|
BRIEF ADVOCAAT STICHTING AAN LANDSADVOCAAT
|
|
|
|
|||
|
Datum |
19 juni 2006 |
|||
|
|
|
|||
|
Uw ref. |
|
|||
|
Onze ref. |
DOCPROPERTY "DOCNAAM" 116\stichting Gepensioneerden\bdrijber\eph |
|||
|
Betreft: |
Stichting Belangenbehartiging Nederlandse Gepensioneerden in het Buitenland / Staat |
|
|
|
|
Amice, |
|
|
|
|
|
|
|
Hierbij kan ik je het formele standpunt van het bestuur van de Stichting doen toekomen met betrekking tot de wijziging van de Regeling Zorgverzekering ter uitvoering van kortgedingvonnis van 31 maart 2006 (de "Wijzigingsregeling").
De Stichting meent dat het toepassen een woonlandfactor, zoals geïntroduceerd in de Wijzigingsregeling, op zich een passende manier is om rekenschap te geven van de verschillen in verstrekkingenpakketten, mede in vergelijking met de Nederlandse situatie, waarop gepensioneerden in hun respectievelijke woonlanden aanspraak kunnen maken.
Het had echter om diverse redenen voor de hand gelegen wanneer de Minister de woonlandfactoren had bepaald op basis van een vergelijking van verstrekkingenpakketten aan gepensioneerden. Omgekeerd is onbegrijpelijk, en juridisch ook niet verdedigbaar, dat de Minister de woonlandfactoren heeft gebaseerd op een vergelijking van de gemiddelde verstrekkingen aan de gehele bevolking.
De eerste reden is dat de gemiddelde kosten van verstrekkingen aan gepensioneerden, althans in Nederland, zeer veel hoger zijn dan de gemiddelde kosten van verstrekkingen aan de totale bevolking. Dit laat zich voor een belangrijk deel verklaren door het - de Minister uiteraard zeer wel bekend - feit dat de AWBZ-verstrekkingen, die meer dan de helft van de totale kosten van de zorg vertegenwoordigen, voor het overgrote deel uitsluitend aan gepensioneerden ten goede komen. Juist op dat punt onderscheidt het Nederlandse zorgstelsel zich van het buitenland. Een in Nederland wonende gepensioneerde mag er, na jarenlang hoge AWBZ-premies te hebben betaald, op vertrouwen dat hij aanspraak kan maken op het volledige AWBZ-pakket. De in het buitenland wonende gepensioneerde, die eveneens jarenlang AWBZ-premies heeft betaald (daarom valt hij immers onder de regeling), mag dat niet. Door de woonlandfactor te baseren op de gemiddelde kosten van verstrekkingen aan de gehele bevolking, benadeelt de Minister derhalve wederom specifiek de gepensioneerden. Daarmee staat de Wijziging tevens op gespannen voet met de strekking van het dictum van het kortgedingvonnis, voor zover het daarmee al niet expliciet in strijd is (zie onder).
Het nadeel dat gepensioneerden ondergaan omdat de woonlandfactor wordt gebaseerd op de gemiddelde kosten van verstrekkingen aan de gehele bevolking is navenant. In nagenoeg alle gevallen beloopt het verschil vele tientallen procenten. De meest schrijnende gevallen zijn Noorwegen en Italië, waar de woonlandfactor op basis van kosten van verstrekkingen aan gepensioneerden maar liefst 52% lager is dan de door de Minister gekozen woonlandfactor. Anders gezegd: de bijdrage valt voor gepensioneerden in die landen maar liefst 104% hoger uit door de keuze van een niet-representatieve woonlandfactor. Het lijdt geen twijfel dat de Minister zich van dit verschil bewust moet zijn geweest. Het is immers ondenkbaar dat het Ministerie niet tevens de gevolgen heeft doorgerekend van de keuze voor de wél voor de hand liggende woonlandfactor.
De keuze voor de gemiddelde kosten van verstrekkingen aan de gehele bevolking is eens te meer onaanvaardbaar, omdat tussen de lidstaten in het kader van Verordening 1408/71 terzake van verstrekkingen aan gepensioneerden wordt afgerekend op basis van gemiddelde kosten van verstrekkingen aan gepensioneerden. Bij de keuze voor een woonlandfactor gerelateerd aan de grondslag voor de onderlinge verrekeningen tussen gepensioneerden wordt derhalve afgerekend op een basis die rechtstreeks samenhangt met de hoogte van de betalingen die Nederland dient te verrichten terzake van bijdrageplichtigen. Doordat de Minister heeft gekozen voor een nadelige en niet-representatieve woonlandfactor komt het onverminderd voor dat Nederland "winst" maakt op de bijdragen die aan gepensioneerden in rekening worden gebracht. Die winst is het meest excessief bij de in Noorwegen wonende gepensioneerden; dezen betalen maar liefst tot EUR 2.936 meer per jaar dan Nederland aan Noorwegen moet afdragen.
Het feit dat onder de Wijzigingsregeling gepensioneerden in sommige landen zelfs meer moeten gaan betalen dan onder de oorspronkelijke regeling (en zelfs meer dan in Nederland wonende verzekerden), terwijl de gemiddelde waarde van de verstrekkingen waarop zij aanspraak kunnen maken minder is dan de gemiddelde waarde van verstrekkingen aan gepensioneerde verzekerden in Nederland, valt uitsluitend en geheel toe te schrijven aan de keuze voor een manifest foute woonlandfactor. Indien de Minister had gekozen voor de woonlandfactor gebaseerd op de gemiddelde kosten van verstrekkingen aan gepensioneerden, zou in geen enkel geval een gepensioneerde méér zijn gaan betalen. Het is immers onverminderd een vaststaand feit dat de gemiddelde kosten van verstrekkingen aan gepensioneerden in Nederland veel tot vele malen hoger zijn dan in eender welk ander Europees land (zelfs dan Noorwegen). Als gezegd valt dat bijna geheel toe te schrijven aan de AWBZ.
De keuze voor een woonlandfactor gebaseerd op de gemiddelde kosten van verstrekkingen aan gepensioneerden had voorts eens te meer voor de hand gelegen omdat die factor eenvoudig valt te berekenen op basis van de cijfers die door de Europese Commissie worden geverifieerd en goedgekeurd en die algemeen bekend worden gemaakt. Het Ministerie had zich de bijzondere inspanningen om gemiddelde kosten van verstrekkingen van de diverse woonlanden aan de totale bevolking te (re)construeren eenvoudig kunnen besparen door de openbare, door de Commissie geaccordeerde cijfers te nemen.
Ten aanzien van de verenigbaarheid van de Wijzigingsregeling met het kortgedingvonnis geldt het volgende. De President heeft de Staat gelast na te gaan in hoeverre de kosten van verstrekkingen voor AWBZ-achtige verstrekkingen in de respectievelijke woonlanden aan de Staat in rekening worden gebracht. Direct gevolg van de uitspraak is dat de Staat een korting moet toepassen ten belope van de totale AWBZ-component van de oorspronkelijke bijdrage ten aanzien van pensioengerechtigden in landen die dergelijke verstrekkingen niet kennen (althans niet AWBZ-achtige verstrekkingen die onder het regime van Verordening 1408/71 vallen). Voorbeelden zijn Spanje, Frankrijk en België. De Wijzigingsregeling leidt evenwel tot een korting op de oorspronkelijke bijdrage die in het geval van Frankrijk en België aanzienlijk minder is dan het bedrag van de AWBZ-component. Doordat de Staat voorts in het geheel niet (eens) heeft gepoogd om aan te tonen dat aan de eisen van het kortgedingvonnis is voldaan, staat voldoende vast dat de Staat het dictum van het vonnis schendt. Dit zou anders zijn geweest indien de Minister een woonlandfactor gebaseerd op de gemiddelde kosten van verstrekkingen aan gepensioneerden zou hebben genomen. Dit is een derde reden waarom moet worden geoordeeld de Minister ten onrechte de gemiddelde kosten van verstrekkingen aan de gehele bevolking als maatstaf heeft genomen.
Namens de Stichting kan ik berichten dat de Stichting bereid is alle procedures met betrekking tot de hoogte van de bijdrage in te trekken en haar leden en belanghebbenden actief uit te dragen dat de hoogte van de bijdrage als zodanig acceptabel is, indien de Staat c.q. Minister alsnog de correcte woonlandfactor introduceert. De Stichting is van oordeel dat in dat geval een oplossing is bereikt die voor alle gepensioneerden acceptabel zou moeten zijn. Houdt de Staat daarentegen onverkort vast aan de thans geïntroduceerde woonlandfactor, dan zal de Stichting de Wijzigingsregeling met alle mogelijke middelen, waaronder juridische procedures, blijven bestrijden en zal de Stichting actief blijven uitdragen dat de Minister wederom welbewust een regeling heeft getroffen die specifiek tot doel en effect heeft dat "verdragsgerechtigde" gepensioneerden sterk worden benadeeld.
Tenslotte zou ik nog jouw aandacht willen vestigen op art. 6.3.1. lid 4 van de oude Regeling Zorgverzekering. Deze bepaling voorzag in een vergoeding aan WAO- en VUT-gerechtigden ter grootte van 6,5% van hun uitkering (ter compensatie van de inkomensafhankelijke bijdrage) op grond van art. 46 van de Zorgverzekeringswet. Nu die bepaling door de wijziging van de Regeling Zorgverzekering is komen te vervallen, vervalt daarmee ook de vergoeding. Dat kan natuurlijk nooit de bedoeling zijn geweest van de invoering van de woonlandfactor. Wellicht dat de vergoeding (net als de zorgtoeslag) gemitigeerd zou moeten worden door toepassing van de woonlandfactor daarop. Het volledig schrappen van die vergoeding brengt daarentegen een ongelijkheid teweeg die zelf weer strijdig zou kunnen zijn met art. 39 / 18 EG. Mag ik ervan uitgaan dat dit een omissie betreft die zal worden gecorrigeerd, of is deze bepaling bewust geschrapt? Wanneer dat laatste het geval is, dan geldt daarvoor - voor wat betreft de (procedurele) opstelling van de Stichting - hetzelfde als voor de invoering van de juiste woonlandfactor.
|
Met vriendelijke groet, |
|
|
|
E.H. Pijnacker Hordijk |
Z/VV-2686154
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
Gelet op artikel 69, tweede en vijfde lid, van de Zorgverzekeringswet;
BESLUIT:
Artikel I
In de Regeling zorgverzekering wordt na Bijlage 6 een bijlage ingevoegd, luidende:
Bijlage 7 van de Regeling zorgverzekering
Bijlage horende bij artikel 6.3.1. van de Regeling zorgverzekering
Het in artikel 6.3.1, eerste lid, bedoelde verhoudingsgetal voor het jaar 2006, de gemiddelde uitgaven voor zorg in het woonland en de gemiddelde uitgaven voor zorg in Nederland voor het jaar dat overeenkomt met het jaar waarvoor de kosten in het woonland zijn berekend, zijn in Tabel 7.1 opgenomen in respectievelijk de kolom Woonlandfactor de kolom Gemiddelde zorgkosten woonland en de kolom Gemiddelde zorgkosten Nederland en luiden als volgt:
Tabel 7.1
|
Land + landcode |
Berekenings- jaar |
Gemiddelde zorgkosten woonland1 |
Gemiddelde zorgkosten Nederland1 |
Woonland-factor |
|
België (04) |
2003 |
€ 1.641,20 |
€ 2.660,96 |
0,6168 |
|
Bosnië-Herzegovina (61) |
2001 |
€ 270,00 |
€ 2.147,55 |
0,1257 |
|
Cabo Verde (35) |
2001 |
€ 60,71 |
€ 2.147,55 |
0,0283 |
|
Cyprus (70) |
2003 |
€ 614,81 |
€ 2.660,96 |
0,2310 |
|
Denemarken (10) |
2004 |
€ 1.819,19 |
€ 2.700,19 |
0,6737 |
|
Duitsland (11) |
2004 |
€ 1.942,39 |
€ 2.700,19 |
0,7194 |
|
Estland (71) |
2004 |
€ 308,46 |
€ 2.700,19 |
0,1142 |
|
Finland (57) |
2002 |
€ 1.323,50 |
€ 2.448,29 |
0,5406 |
|
Frankrijk (20) |
2004 |
€ 1.790,98 |
€ 2.700,19 |
0,6633 |
|
FRJ Kosovo (68) |
2002 |
€ 134,52 |
€ 2.448,29 |
0,0549 |
|
FRJ Montenegro (62) |
2002 |
€ 148,06 |
€ 2.448,29 |
0,0605 |
|
FRJ Servië (66) |
2002 |
€ 134,52 |
€ 2.448,29 |
0,0549 |
|
FRJ Vojvodine (67) |
2002 |
€ 134,52 |
€ 2.448,29 |
0,0549 |
|
Griekenland (28) |
2003 |
€ 614,81 |
€ 2.660,96 |
0,2310 |
|
Groot-Brittannië (19) |
2003 |
€ 1.766,79 |
€ 2.660,96 |
0,6640 |
|
Hongarije (72) |
2003 |
€ 306,90 |
€ 2.660,96 |
0,1153 |
|
Ierland (23) |
2002 |
€ 2.288,01 |
€ 2.448,29 |
0,9345 |
|
IJsland (59 |
2003 |
€ 3.066,44 |
€ 2.660,96 |
1,1524 |
|
Italië (24) |
2002 |
€ 1.431,09 |
€ 2.448,29 |
0,5845 |
|
Kroatië (63) |
2004 |
€ 404,73 |
€ 2.700,19 |
0,1499 |
|
Letland (73) |
2004 |
€ 151,15 |
€ 2.700,19 |
0,0560 |
|
Liechtenstein |
2004 |
€ 1.757,24 |
€ 2.700,19 |
0,6508 |
|
Litouwen (74) |
2002 |
€ 46,50 |
€ 2.448,29 |
0,0190 |
|
Luxemburg (27) |
2004 |
€ 2.150,40 |
€ 2.700,19 |
0,7964 |
|
Macedonië (64) |
2002 |
€ 123,72 |
€ 2.448,29 |
0,0505 |
|
Malta (75) |
2004 |
€ 542,35 |
€ 2.700,19 |
0,2009 |
|
Marokko (36) |
2002 |
€ 30,56 |
€ 2.448,29 |
0,0125 |
|
Noorwegen (38) |
2002 |
€ 3.204,38 |
€ 2.448,29 |
1,3088 |
|
Oostenrijk (40) |
2004 |
€ 1.723,17 |
€ 2.700,19 |
0,6382 |
|
Polen (76) |
2004 |
€ 201,38 |
€ 2.700,19 |
0,0746 |
|
Portugal (41) |
2003 |
€ 751,22 |
€ 2.660,96 |
0,2823 |
|
Republika Srpska (60) |
2001 |
€ 270,00 |
€ 2.147,55 |
0,1257 |
|
Slovenië (69) |
2004 |
€ 353,86 |
€ 2.700,19 |
0,1311 |
|
Slowakije (77) |
2004 |
€ 275,57 |
€ 2.700,19 |
0,1021 |
|
Spanje (44) |
2004 |
€ 960,37 |
€ 2.700,19 |
0,3557 |
|
Tsjechië (78) |
2004 |
€ 475,12 |
€ 2.700,19 |
0,1760 |
|
Tunesië (48) |
2002 |
€ 68,72 |
€ 2.448,29 |
0,0281 |
|
Turkije (51) |
2004 |
€ 112,37 |
€ 2.700,19 |
0,0416 |
|
Zweden (56) |
2004 |
€ 2.085,35 |
€ 2.700,19 |
0,7723 |
|
Zwitserland (54) |
2004 |
€ 1.430,24 |
€ 2.700,19 |
0,5297 |
1 De gemiddelde zorgkosten van Nederland komen telkens overeen met het jaar waarvoor de gemiddelde zorgkosten van het woonland zijn berekend.
Bronvermelding gegevens (voor het genoemde berekeningsjaar):
België Nota Rekencommissie EU - CA.SS.TM.193/05 - 4 augustus 2005
Bosnië-Herzegovina Gebaseerd op verrekeningscijfers van Oostenrijk
Cabo Verde Brief 'Instituto Nacional de Previdência Social' - 17 mei 2002
Cyprus Cijfers van Griekenland zijn overgenomen
Denemarken Ministry of Interior and Health - Danish Public Health Care expenditures 2004
Duitsland Nota Rekencommissie EU - CA.SS.TM.80/06 - 29 maart 2006
Estland Estonian Health Insurance Fund - annual report 2004
Finland Nota Rekencommissie EU - CA.SS.TM.124/06 - 18 april 2006
Frankrijk Nota Rekencommissie EU - CA.SS.TM.112/06 - 10 april 2006 (steekproef)
FRJ Kosovo Cijfers van FRJ Servië zijn overgenomen
FRJ Montenegro Embassy of Serbia and Montenegro - Tableau statistique des
donnes sur les frais de la protection medicale - 4 december 2003
FRJ Servië Embassy of Serbia and Montenegro - Tableau statistique des
donnes sur les frais de la protection medicale - 4 december 2003
FRJ Vojvodine Cijfers van FRJ Servië zijn overgenomen
Griekenland Nota Rekencommissie EU - CA.SS.TM.93/96 - 31 maart 2006
Groot Brittannië Nota Rekencommissie EU - CA.SS.TM.100/06 - 7 april 2006
Hongarije Economic Department - Twining application of articles 94 and 95 of
Regulation No 574/72 for Hungary - 11 maart 2004
Ierland Nota Rekencommissie EU - CA.SS.TM.287/05 - 18 oktober 2005
IJsland Public expenditure on health care 2003 - www.statice.is
Italië Nota Rekencommissie EU - CA.SS.TM.169/05 - 26 april 2005
Kroatië Croatian institute for health insurance - 14 juni 2005
Letland Nota Rekencommissie EU - CA.SS.TM.111/05 - 11 april 2005
Liechtenstein Nota Rekencommissie EU - CA.SS.TM.90/06 - 7 april 2006
Litouwen Nota Rekencommissie EU - CA.SS.TM.64/04 - 11 februari 2004
Luxemburg Nota Rekencommissie EU - CA.SS.TM.073/06 - 29 maart 2006
Macedonië Statistical Yearbook of the Republic of Macedonia, 2002
Malta Nota Rekencommissie EU - CA.SS.TM.129/06 - 29 april 2006
Marokko Rapport Royaume du Maroc 'CNSS' - 30 december 2005
Nederland: 2001: Nota Rekencommissie EU - CA.SS.TM.265/03 - 29 september 2003
2002: Nota Rekencommissie EU - CA.SS.TM.158/04 - 28 april 2004
2003: Nota Rekencommissie EU - CA.SS.TM.190/05 - 13 mei 2005
2004: Brief College voor zorgverzekeringen - AB/26051242 - 23 mei 2006
Noorwegen Nota Rekencommissie EU - CA.SS.TM.303/05 - 23 maart 2006
Oostenrijk Nota Rekencommissie EU - CA.SS.TM.282/05 - 14 oktober 2005
Polen International Affairs Office – National Health Fund Poland - 22 maart 2006
Portugal Nota Rekencommissie EU - CA.SS.TM.283/05 - 12 oktober 2005
Republika Srpska Cijfers van FRJ Bosnië Herzegovina zijn overgenomen
Slovenië Nota Rekencommissie EU - CA.SS.TM.234/05 - 29 juli 2005
Slowakije Nota Rekencommissie EU - CA.SS.TM.098/06 - 30 maart 2006
Spanje Nota Rekencommissie EU - CA.SS.TM.284/05 - 13 oktober 2005
Tsjechië Nota Rekencommissie EU - CA.SS.TM.289/05 - 3 april 2006
Tunesië Caisse Nationale de Sécurité Sociale - 21 december 2004
Turkije Ministry of labour and social security - Annual average costs calculation
of medical treatment per one person - 19 april 2006
Zweden Nota Rekencommissie EU - CA.SS.TM.92/06 - 3 april 2006
Zwitserland Nota Rekencommissie EU - CA.SS.TM.242/05 - 22 augustus 2005
Artikel II
Indien de op grond van artikel 6.3.1 berekende bijdrage op jaarbasis hoger is dan de berekende bijdrage op grond van artikel 6.3.1, zoals dat artikel luidde voordat de Regeling houdende wijziging van de Regeling zorgverzekering in verband met de gedifferentieerde berekening van de bijdrage voor verdragsgerechtigden van 25 april 2006 in werking trad, is over de periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 het meerdere niet verschuldigd.
Artikel III
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2006.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister voornoemd,
H. Hoogervorst
Toelichting
In deze bijlage zijn de woonlandfactoren van de landen waar verdragsgerechtigden wonen opgenomen. Hieronder is uiteengezet op welke wijze het College voor zorgverzekeringen (CVZ) de woonlandfactoren heeft berekend, welke gegevens daarvoor zijn gebruikt en op welke wijze die gegevens zijn gebruikt. De woonlandfactoren gelden voor de bijdrage die verdragsgerechtigden in het jaar 2006 verschuldigd zijn en worden jaarlijks uiterlijk in november opnieuw vastgesteld en gepubliceerd.
De gegevens die aan de woonlandfactoren ten grondslag liggen, namelijk de gegevens over de kosten van de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale verzekering in het woonland en in Nederland, kunnen jaarlijks fluctueren. Als het aansprakenpakket van een land wordt aangepast, heeft dat immers gevolgen voor de kosten van dat pakket.
Ontwikkelingen die thans nog onvoldoende zijn uitgekristalliseerd en in de berekeningen voor het jaar 2006 niet zijn meegenomen, kunnen bij de vaststelling van de hoogte van de bijdrage die verdragsgerechtigden verschuldigd zijn voor 2007 en latere jaren een nadere afweging vergen.
Ik duid hiermee op de mogelijkheid dat op grond van verdragsaanspraken mensen naast zorg in het woonland, in bepaalde gevallen ook zorg elders kunnen inroepen ten laste van Nederland.
Ook de wijze waarop het recht op zorgtoeslag in verband met de aangepaste bijdrageberekening zal worden aangepast, kan hierop invloed hebben. Ik zal deze ontwikkelingen nauwlettend volgen.
De grondslagen voor de berekening
Artikel 6.3.1, eerste lid, van de Regeling zorgverzekering bepaalt dat de voor een persoon, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet verschuldigde bijdrage wordt berekend door de grondslag van de bijdrage te vermenigvuldigen met een verhoudingsgetal dat wordt berekend uit de verhouding tussen de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale verzekering (hierna te noemen: zorgkosten) in het woonland van deze persoon en de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale zorgverzekeringen in Nederland. Het CVZ berekent dit verhoudingsgetal (de woonlandfactor) en geeft daarover advies aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Dit advies is op 17 mei 2006 aan mij uitgebracht. In deze toelichting is aangegeven op welke wijze het CVZ de woonlandfactor van de verschillende woonlanden voor het jaar 2006 heeft berekend en welke uitgangspunten daarbij in aanmerking zijn genomen.
Formule woonlandfactoren
De berekening van de woonlandfactor vindt plaats volgens de formule:
Woonlandfactor = gemiddelde zorgkosten woonland / gemiddelde zorgkosten Nederland
De gemiddelde zorgkosten in een woonland worden bepaald door het totaalbedrag van zorgkosten in het woonland te delen door het aantal rechthebbenden in het woonland. Op basis van beide bestandsdelen komt een vast bedrag aan kosten per persoon tot stand.
De zorgkosten zijn de kosten voor die geneeskundige verstrekkingen waarop aanspraak bestaat op grond van de wetgeving over de verzekering voor geneeskundige zorg van het woonland, voorzover die zorgkosten als basis gelden voor de berekening daarvoor van de vaste bedragen. De modaliteiten van de berekening zijn vastgelegd in de Europese socialezekerheidsverordening of in een bilateraal verdrag inzake sociale zekerheid.
Rechthebbenden zijn zij die recht hebben op geneeskundige verzorging op grond van de wetgeving over de verzekering voor geneeskundige zorg van het woonland. Overeenkomstig de regeling is uitgegaan van alle rechthebbenden van het betreffende verdragsland, ongeacht hun status of leeftijd. Voor het bepalen van het aantal rechthebbenden zijn waar mogelijk dezelfde brongegevens gebruikt als voor de zorgkosten.
De gemiddelde zorgkosten in Nederland zijn op dezelfde wijze bepaald en resulteren eveneens in een vast bedrag aan kosten per persoon. De Nederlandse zorgkosten bestaan uit de kosten voor geneeskundige verstrekkingen waarop aanspraak bestaat op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en de Zorgverzekeringswet, voorzover die kosten als basis gelden voor de berekening daarvoor van de vaste bedragen. De modaliteiten voor de berekening zijn vastgelegd in een Verordening van de Europese Gemeenschappen of in een verdrag inzake sociale zekerheid.
Voor de (historische) cijfers van vóór 2006 zijn de kosten en de respectievelijke kring van verzekerden voor de verzekeringen ingevolge de Ziekenfondswet (Zfw) en de AWBZ bepalend. In de toekomst zal uitgegaan worden van cijfers op grond van de Zorgverzekeringswet.
Het bedrag van gemiddelde zorgkosten per rechthebbende wordt voor deze jaren bepaald volgens de formule:
Gemiddelde zorgkosten per rechthebbende =
(totale AWBZ-kosten/ rechthebbenden AWBZ) + (totale Zfw-kosten/ rechthebbenden Zfw)
Gegevensbronnen
De gemiddelde zorgkosten voor Nederland zijn bepaald op basis van bij de Rekencommissie van de Europese Unie ingediende nota’s (als bedoeld in artikel 101, derde lid, van Verordening (EEG) nr. 574/72). Op basis van deze gegevens wordt per jaar de noemer van de factorbepaling bepaald: de gemiddelde kosten voor zorg per rechthebbende in Nederland.
De gemiddelde zorgkosten per rechthebbende in de diverse woonlanden is bepaald op basis van verschillende bronnen. Niet voor al deze landen zijn dezelfde gegevensbronnen beschikbaar. Het CVZ heeft de volgende bronnen, in aangegeven volgorde, gebruikt:
1. bij de Rekencommissie van de Europese Unie ingediende nota’s (voor 2006: 22 landen);
2. door verdragslanden bij het CVZ aangeleverde cijfers (voor 2006: 13 landen);
3. door het CVZ gehanteerde schattingen (voor 2006: 5 landen).
Het berekeningsjaar
De gemiddelde zorgkosten woonland van een bepaald jaar zijn gebaseerd op de laatst bekende documenten, dan wel op informatie die door het betreffende land aan het CVZ bekend is gemaakt. De bepaling van de factor geschiedt hiermee op basis van historische cijfers van verdragslanden.
Het beschikbaar stellen van benodigde cijfers wordt door verschillende landen op verschillende momenten en op verschillende manieren gedaan. Bij de berekening van de woonlandfactor is het streven om uit te gaan van de meest actuele cijfers.
Voor een juiste verhouding worden tegenover de buitenlandse gemiddelde zorgkosten in een bepaald jaar de gemiddelde zorgkosten voor Nederland van het overeenkomende jaar gebruikt.
Voor de vaststelling van de woonlandfactoren 2006 heeft het CVZ de meest actuele gegevens tot en met 11 mei 2006 als uitgangspunt genomen. Gegevens die gebruikt worden voor het berekenen van het in artikel 6.3.1 bedoelde verhoudingsgetal en die na 11 mei 2006 ter beschikking zijn gekomen van het CVZ, zijn bij het berekenen van het verhoudingsgetal voor het jaar 2006 niet in aanmerking genomen.
Afondingen
De verschillende benodigde componenten voor de berekening van de landenfactoren zijn exact overgenomen uit de gebruikte bronnen. Er zijn geen afrondingen voor de komma uitgevoerd; cijfers achter de komma zijn wel afgerond.
De woonlandfactor is als volgt afgerond tot vier cijfers achter de komma (bijvoorbeeld 0,3543):
- indien het vijfde cijfer achter de komma 0 tot 4 is, is afgerond naar beneden; indien het vijfde cijfer achter de komma 5 tot 9 is, is afgerond naar boven.
Rekenen met vreemde valuta
Bij de bepaling van de woonlandfactor voor de niet-euro landen dienen bedragen in vreemde valuta omgerekend te worden naar euro’s. Doordat deze woonlandfactoren worden bepaald op basis van historische cijfers, is gebruik gemaakt van gemiddelde valutakoersen naar de euro over het berekeningsjaar.
Voor de jaarkoersen is (op basis van beschikbaarheid) in de aangegeven volgorde gebruik gemaakt van de volgende bronnen:
1. Gegevens van De Nederlandsche Bank;
2. Gegevens van de Europese Centrale Bank;
3. Gegevens OANDA online valuta berekening (volgens www.oanda.com).
Gebruik van gegevens uit bronnen
Zoals aangegeven kunnen de bronnen voor het bepalen van de gemiddelde zorgkosten per land verschillen. Gebruikte documenten hebben niet altijd een uniforme indeling en opgenomen cijfers zijn niet altijd rechtstreeks vergelijkbaar. Onderstaand zijn de randvoorwaarden genoemd, waarmee bewaakt wordt dat uit de diverse documenten zo zuiver en zo vergelijkbaar mogelijke cijfers zijn overgenomen voor de bepaling van de woonlandfactoren. Uiteraard gelden de voorwaarden zowel voor de Nederlandse bronnen als voor de bronnen van de diverse landen.
- Gespecificeerde posten die niet zijn meegenomen bij het bepalen van de woonlandfactor:
- kosten voor arbeidsongevallen;
- posten die opgenomen zijn voor de kosten van niet-verzekerden. Alleen kosten die
gemaakt zijn door ‘rechthebbenden’ (verzekerden) zijn opgenomen. De groep ‘niet-
verzekerden’ is in de populatie ook niet opgenomen;
- eventuele eigen betalingen (van rechthebbenden) voor zorg.
- Bepaalde verdragslanden werken met een voorgerekend bedrag voor gemiddelde zorgkosten per rechthebbende in het land. Indien er geen verdere gegevens beschikbaar zijn, is er gebruikt gemaakt van deze gegevens.
- Bepaalde verdragslanden werken met steekproeven voor bepaling van de componenten. Indien er geen verdere gegevens beschikbaar zijn, is gebruik gemaakt van de gegevens uit de steekproef.
- Bepaalde verdragslanden werken met (toekomstige) schattingen voor bepaling van de componenten. Indien er geen verdere gegevens beschikbaar zijn, is er gebruikt gemaakt van deze gegevens.
- Van een beperkt aantal landen is geen enkel gegeven bekend. Indien verzekerden gebruik maken van hun rechten om zorg in derde landen te verkrijgen, zal dat in het algemeen geschieden in de geografisch of cultureel dichtstbijzijnde buurlanden. Voorts is niet onaannemelijk dat de gezondheidszorg in de betreffende landen op min of meer hetzelfde niveau ligt. Daarom zijn de woonlandfactoren van de hiernagenoemde landen overgenomen van de aangegeven landen:
- Voor Cyprus is de woonlandfactor van Griekenland overgenomen.
- Voor FRJ Kosovo en FRJ Vojvodine is de woonlandfactor van FRJ Servië is overgenomen.
- Voor Republika Srpska is de woonlandfactor van de Federale Republiek Bosnië-Herzegovina
overgenomen.
Voor het merendeel van de landen is het resultaat van de berekening een woonlandfactor die kleiner is dan één. Voor enkele landen resulteert er echter een uitkomst groter dan één. Het CVZ heeft berekend dat als gevolg van een samenloop van de wijziging in de grondslag voor de bijdrage het omslagpunt tussen minder en meer betalen ten opzichte van de oude regeling geldt bij een factor van ongeveer 0,82. Komt de berekening van de woonlandfactor boven de 0,82 dan zal de verdragsgerechtigde per saldo meer gaan betalen.
Omdat aan de regeling terugwerkende kracht is verleend tot 1 januari 2006 kan zo de situatie ontstaan dat de verdragsgerechtigde over een al verstreken periode meer moet betalen dan op grond van de regeling zoals die luidde tot de inwerkingtreding van de Regeling houdende wijziging van de Regeling zorgverzekering in verband met de gedifferentieerde berekening van de bijdrage voor verdragsgerechtigden van 25 april 2006 (Stcrt. 2006, 85). Ik acht dit onwenselijk. Om deze reden is in de genoemde gevallen -conform het advies van het CVZ- het meerdere van de bijdrage over het eerste halfjaar niet verschuldigd. Dit is in Artikel II geregeld. Een rekenvoorbeeld maakt het duidelijk. Stel dat op grond van de oude berekening op jaarbasis een bedrag van € 1 200 verschuldigd was en dat op grond van de nieuwe berekening € 1 500 verschuldigd is, dan is over het eerste halfjaar niet meer dan € 600 verschuldigd, terwijl over het tweede halfjaar € 750 verschuldigd is. Hiermee wordt voorkomen dat de personen die het betreft met terugwerkende kracht financieel worden benadeeld.
De Minister voornoemd,
H. Hoogervorst
MEDEDELING SBNGB/ VNGS 02.06.2006
HOOGTE ZORGVERZEKERINGSBIJDRAGEN
Naar aanleiding van het vonnis in de Kort geding procedure heeft de Minister van VWS de manier waarop de verschuldigde bijdragen worden berekend aangepast, door de zogenaamde woonlandfactor in te voeren. De huidige manier waarop de woonlandfactor wordt berekend strookt echter niet met het vonnis van 31 maart jl. De nieuwe Ministeriële Regeling gaat uit van de gemiddelde kosten van alle ingezetenen, terwijl de Minister had moeten uitgaan van de gemiddelde kosten van verstrekkingen aan 65+-ers. Dat zijn de kosten op basis waarvan de onderlinge verrekening tussen lidstaten plaatsvindt. Door de gemiddelde kosten van de gehele bevolking te nemen, komt de Minister in alle gevallen tot een aanzienlijk ongunstiger woonlandfactor, met name omdat in Nederland met name 65+-ers in aanmerking komen voor AWBZ-verstrekkingen. Het verschil tussen de gemiddelde kosten van de totale bevolking en de gemiddelde kosten van 65+-ers is in Nederland veel groter dan in alle andere lidstaten. De
keuze van de verkeerde woonlandfactor verklaart ook waarom in sommige landen gepensioneerden zelfs méér moeten gaan betalen dan in het verleden. Wanneer de Minister de juiste woonlandfactor toepast, betalen alle gepensioneerden een aanzienlijk lagere bijdrage dan thans het geval is.
Waar nodig zullen door de advocaat van de Stichting de noodzakelijke procedures worden opgestart teneinde het vonnis op correcte wijze ten uitvoer te laten leggen.
HOE NU VERDER NA HET BEZWAAR BIJ HET CVZ?
De brief van het College voor zorgverzekeringen ("CVZ"), waarbij het E-121 formulier aan u is toegezonden, betrof volgens een zegsman van het CVZ niet slechts een begeleidende brief, maar een besluit waarin wordt vastgesteld dat u "bijdrageplichtig" bent. Daartegen kunt u dus bezwaar maken, wanneer u niet verzekerd wilt zijn bij de ziekenkas van uw woonstaat, maar bij een particuliere verzekering - dit is het logische gevolg van het keuzerecht.
Wanneer u daartegen bezwaar heeft gemaakt met een zogenaamd pro-forma bezwaar - waarin alleen staat dat u het er niet mee eens bent, maar niet de redenen waarom - krijgt u een brief van het CVZ - of heeft u deze al gekregen - met de vraag om "binnen vier weken alsnog de redenen aan te geven waarom u bezwaar maakt tegen de genomen beslissing." Met een zogenaamd aanvullend bezwaarschrift (dat reeds eerder op de website werd gepubliceerd) kunt u aan het CVZ duidelijk maken waarom u niet als verdragsgerechtigde bent aan te merken en dus niet bijdrageplichtig bent. Daarna zal het CVZ uw bezwaar dienen te behandelen en opnieuw tot een uitspraak dienen te komen.
Omdat velen van u al bezwaar hebben gemaakt, heeft het CVZ de Stichting verzocht of het mogelijk zou zijn één of enkele procedures bij wijze van proefprocedure uit te procederen waarna de uitslag van die proefprocedure zal gelden voor de overige bezwaarschriften.
Dit houdt in dat het CVZ naar aanleiding van één of enkele bezwaarschriften een zogenaamd besluit op bezwaar zal nemen. Nu de Nederlandse wettekst niet voorziet in een keuzerecht, zal het CVZ naar alle waarschijnlijkheid niet tot een ander oordeel (kunnen) komen dan dat u verdragsgerechtigde bent en derhalve bijdrageplichtig.
Daarna zal in de proefprocedures beroep moeten worden ingesteld bij de bestuursrechter, die vervolgens zal dienen te beslissen hoe de zorgverzekeringswet moet worden uitgelegd in het licht van de Europese regelgeving.
De uitspraak van de rechter in die ene procedure (eventueel na hoger beroep) zal dan maatgevend zijn voor de manier waarop het CVZ met alle andere bezwaren zal (moeten) omgaan.
C. van der Wiel
Voorzitter SBNGB/ VNGS
(klik hier voor downloaden) (XLS bestand)
MEDEDELING VNGS VOOR POSTACTIEVE AMBTENAREN EN MILITAIREN
29 689 Herziening Zorgstelsel Nr. 92 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG
Vastgesteld 19 mei 2006
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport1 heeft op 27 april 2006 overleg gevoerd met minister Hoogervorst van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over…
Antwoord Hoogervorst
…Postactieve ambtenaren en postactieve militairen kunnen alvast de status
van verdragsgerechtigde krijgen op het moment dat de desbetreffende
pensioenregelingen door Binnenlandse Zaken en Defensie via Sociale Zaken bij de EU zijn aangemeld als pensioenregelingen in de zin van de Europese
verordening ter zake. In de volgende voortgangsrapportage zal de Kamer
hierover nader worden geïnformeerd.
REACTIE OP BRIEF VAN CVZ - AANVULLEND BEZWAARSCHRIFT
Wanneer u bezwaar heeft gemaakt bij het CVZ tegen de vaststelling dat u verdragsgerechtigde en bijdrageplichtig bent, krijgt u een brief van het CVZ - of heeft u deze al gekregen - met de vraag om "binnen vier weken alsnog de redenen aan te geven waarom u bezwaar maakt tegen de genomen beslissing." Met een zogenaamd aanvullend bezwaarschrift kunt u aan het CVZ duidelijk maken waarom u niet als verdragsgerechtigde bent aan te merken en dus niet bijdrageplichtig bent.
Mocht u zich bij het ziekenfonds van uw woonplaats hebben ingeschreven met het E-121-formulier, dan vind u hier het aanvullend bezwaarschrift dat u in een brief kunt overnemen, onder invulling van uw individuele gegevens.
Mocht u zich niet hebben ingeschreven bij uw lokale ziekenfonds, dan vind u hier het aanvullend
REACTIE BEZWAARSCHRIFT CVZ
Ons bereikt het bericht dat in antwoord op de ingezonden bezwaarschriften aan CVZ een reactie komt die vraagt om een nadere uitleg, omdat het bezwaarschrift daaraan geen invulling geeft. In overleg met de advocaat zullen wij daartoe een concept antwoord voorbereiden dat aansluit op de lopende bodemprocedure. Wij zullen deze brief zo snel mogelijk op deze website publiceren.
VRAGEN OMTRENT HET E 121 FORMULIER.
Ons bereiken vragen over het E 121 formulier die wij zullen proberen te beantwoorden via onze web site omdat veel vragenstellers dikwijls geholpen kunnen worden met één antwoord.
Een van deze vragen luidde:
Ik heb me in maart via het E121 formulier aangemeld bij de Seguridad Social. Liefst had ik dit niet gedaan, maar werd mij geadviseerd het toch te doen. Ik ben lid van uw vereniging.
Nu lees ik in de Hallo nr. 20 in een artikel over wijzigingen regeling zorgverzekering, dat je niet gedwongen kunt worden om je aan te melden en dat je dan ook geen bijdrage in Nederland zou hoeven te betalen.
Kan ik de aanmelding ongedaan maken ? Wordt dan de inhouding in Nederland stopgezet ?
Als dit zo is zou ik dat graag horen , want dan verzeker ik mij hier in Spanje bij een particuliere verzekeringsmij.
Ons antwoord:
Met het verstrijken der tijd veranderen situaties en ook de omstandigheden waaronder wij indertijd ons eerste advies hebben afgegeven zijn inmiddels duidelijk gewijzigd.
Inmiddels heeft het ministerie van VWS moeten bekennen dat Nederland ons niet kan verplichten ons aan te sluiten bij de Seguridad Social door het E 121 formulier in te dienen.
Wij hebben u indertijd geadviseerd het E 121 formulier te gebruiken omdat wij wilden voorkomen dat u onverzekerd zou zijn. Immers, vele z.g. aanvullende polissen waren gebaseerd op het z.g. woonlandpakket, die geen enkele waarde hadden zonder aansluiting bij Seguridad Social. Indertijd was ook de Spanjepolis in zijn huidige vorm nog niet beschikbaar.
Daarnaast stelden wij dat u kon afzien van gebruikmaking van het E 121 formulier indien u er zeker van was een onafhankelijke verzekering te hebben een z.g. Wereldpolis of Europapolis.
De minister gaat er nog steeds vanuit dat hij het recht heeft de inhoudingen te doen, ook indien u geen gebruik gemaakt heeft van het E 121 formulier. Dat is nu juist een van de zaken die wij in de bodemprocedure bestrijden. Immers wanneer wij geen gebruik maken van het E 121 formulier, wordt Nederland door Spanje niet belast en mag er dus ook niet ingehouden worden aangezien tegen de inhoudingen geen betalingen c.q. vertrekkingen staan.
De minister meent echter op dit moment nog steeds te mogen inhouden en doet dat dus ook. Het ongedaan maken van de aanmelding heeft dus op dit moment geen enkele zin omdat immers toch ingehouden blijft worden.
Mocht het zo zijn dat wij ons gelijk krijgen, dan zijn wij onder valse voorwendselen door de minister gedwongen geweest ons te melden met het E 121 formulier en moeten wij in staat gesteld worden dat ongedaan te maken voor diegenen die dat wensen.
Cees van der Wiel.
Voorzittter VNGS
MUTUALIS
Deze week is de Spaanse overheid in de hoedanigheid van het INSS begonnen met het oproepen van mensen, die zich hebben opgegeven bij Mutualis, om een verklaring af te leggen op het politiebureau. In heel Spanje is de actie gaande. De reden is dat er verdenking bestaat van fraude ten opzichte van de Seguridad Social. De Spaanse overheid gaat er van uit dat de bedoeling van het zogenaamde werk dat onder auspiciën van Mutualis wordt verricht, is, inschrijving te bewerkstelligen bij de Seguridad Social voor een te verwaarlozen bedrag en dat men op die manier probeert min of meer gratis te kunnen profiteren van de medische voorzieningen.
Dat het hier in feite gaat om een methode om de bijdragen aan Nederland te vermijden, wordt niet als legitiem argument erkend. Toch raden wij aan te vermelden dat het juist de bedoeling was, om niet onder de Seguridad Social te vallen via Nederland en dat automatische inschrijving bij de Seguridad Social ten gevolge van de werkzaamheden in wezen een ongewenste bijkomstigheid is, maar dat Nederland een hier wel geldende niet Nederlandse particuliere verzekering niet erkend.
De toen nog in oprichting zijnde VNGSINT heeft in september 2005 al onderzocht, of de MUTUALIS methode haalbaar was. Onafhankelijk van elkaar hebben toen twee in arbeidsrecht gespecialiseerde advocaten ons dat ten zeerste afgeraden, juist om de hiervoor geschetste redenen. De VNGSINT heeft daarom afgezien van verdere acties op dat front.
Diegenen die met Mutualis in zee zijn gegaan raden wij ten zeerste aan in ieder geval een partikuliere verzekering af te sluiten, of alsnog het E-121 formulier in te leveren. Dit zou als verzachtende omstandigheid kunnen worden beschouwd. Tevens moet misschien de hulp van een advocaat worden ingeroepen.
Uiteraard kan de VNGSINT geen enkele verantwoording nemen ten aanzien van diegenen die zich bij MUTUALIS hebben ingeschreven.
Maarten Vasbinder
VERZOEKEN OM LAND SPECIFIEKE INFORMATIE
Het bestuur van de SBNGB wordt geconfronteerd met verzoeken om financiële informatie zoals op de Spaanse website werd gepubliceerd. Het gaat daarbij om berekeningen per land van de gevolgen van het nieuwe voorstel van de minister, e.e.a. zoals aangekondigd met zijn brief van 27 april jl. In deze verzoeken klinkt een ondertoon van verwijt als zouden wij Spanje een voorkeursbehandeling geven en zou onze voorzitter in zijn berichtgeving de andere landen minder belangrijk achten. Teneinde dat te ontzenuwen volgt hierbij afschrift van een van de antwoorden die daarop door hem werd gegeven.
De heer XXXXX stuurde mij een e-mail. Het daarin vervatte commentaar kan ik mij heel goed voorstellen. Laat ik proberen u een bevredigend antwoord daarop te geven.
Onze stichting SBNGB vormt een samenwerkingsverband tussen 4 landen: België, Frankrijk, Portugal en Spanje. De stichting is de rechtspersoon die het proces tegen de Staat heeft gevoerd en nu ook in de bodemprocedure als eisende partij optreedt.
Iedere organisatie binnen onze stichting heeft een eigen website waarvoor het land zelf verantwoordelijk is; de stichting heeft geen eigen website. In mijn capaciteit van voorzitter van de VNGS ben ik dus verantwoordelijk voor de Spaanse site; zoals gezegd een site voor de Stichting is er niet.
Wij coördineren onze publicaties die alle landen betreffen zoals b.v. nu de noodzaak tot het verzenden van de bezwaarschriften. Daarnaast heeft iedere organisatie zijn eigen verantwoordelijkheid voor de website. Ik ben inderdaad voorzitter van de Stichting maar in die capaciteit heb ik geen verantwoordelijkheid voor wat er gepubliceerd wordt op de sites van Frankrijk, België of Portugal.
De cijfers die op de VNGS site zijn gepubliceerd betreffen daarom alleen Spanje en er worden op deze site geen gegevens gepubliceerd voor de andere landen die daarvoor zelf verantwoordelijk zijn. Nu lijkt het alsof ik mijn collegae in de andere landen een verwijt maak, maar dat is volstrekt niet waar.
Door een omstandigheid die direct te maken heeft met de publicatie van het ministerie, zijn alleen de cijfers van Spanje bekend. Indien u de brief van de minister van 27 april bekijkt, kunt u zien dat deze als voorbeeld uitsluitend de Spaanse situatie weergeeft. Voor de andere landen zijn de cijfers gewoonweg nog niet bekend en zijn wij in afwachting van details die ons door het ministerie ter beschikking moeten worden gesteld. Wij hebben inmiddels daarvoor een EU rekenmodel uitgewerkt dat wij zullen gaan toepassen zodra de cijfers bekend zijn.
Mijn mededeling op de monitor heb ik niet gezien, maar dat kan niets anders zijn dan een kopie van hetgeen ik op de Spaanse site heb gemeld want iets anders heb ik niet gepubliceerd.
Wij worden ook volstrekt niet uit elkaar gedreven. Natuurlijk geeft de nieuwe regeling verschillen per land, maar dat heeft geen invloed op onze samenwerking o.a. in de bodemprocedure. De doelstellingen die wij daarbij nastreven zijn van even grote importantie voor alle landen.
Derhalve kan ik u de geruststelling geven dat mij de stichting evenals de Spaanse organisatie absoluut even belangrijk en lief zijn. Bovendien kan onze samenwerking in de Stichting maar een koers volgen omdat de Spaanse organisatie op zich geen enkele activiteit ontwikkelt buiten de landsgrenzen.
Ik hoop dat ik uw ongerustheid heb kunnen wegnemen. Op het moment dat de cijfers beschikbaar komen voor de andere landen, zullen die onmiddellijk op de diverse websites van de verschillende landen worden gepubliceerd.
Met vriendelijke groet,
Cees van der Wiel.
Voorzitter SBNGB/ VNGS
Wijziging Regeling zorgverzekering in verband met aanpassen bijdrage verdragsgerechtigden.
(Deze tekst downloaden klik hier)
Naar aanleiding van de succesvolle uitkomst van ons Kort Geding tegen de Staat heeft de minister een aantal maatregelen voorgesteld om aan de in het vonnis aan hem gestelde eisen te voldoen.
Hoe moeten wij het nieuwe voorstel van de minister interpreteren??
Laten we bij onze beoordeling voorop stellen dat we er vanuit gaan dat genoemd voorstel ook daadwerkelijk ten uitvoer gebracht wordt in wet- en regelgeving.
· Tengevolge van het nieuwe voorstel zullen onze inhoudingen fors minder worden; voor een zeer voorlopige raming daarvan verwijzen wij naar onderstaande bedragen;
· De EU verordening ongedaan maken kunnen we niet en dat was ook geen inzet van onze zaak;
· De minister voldoet aan de eis de inhoudingen te baseren op de kosten van zorg in het woonland;
· In alle landen buiten Nederland zijn de kosten van gezondheidszorg en AWBZ (cure and care) in een bedrag verenigd, wat betekent dat daar waar dergelijk zorg niet aanwezig is, er ook niet voor wordt ingehouden;
· Tevens treden wij daarmee binnen in de z.g. verticale solidariteit van het woonland: oud betaalt voor jong en rijk voor arm.
· Bij de huidige wet was ons die solidariteit ontnomen doordat onze ziektekostenverzekeringen waren afgenomen. Die krijgen we niet terug ondanks eerdere beloftes. Ziektekostenverzekeraars kunnen eenvoudigweg niet van overheidswege gedwongen worden producten aan te bieden tegen van vastgestelde prijzen.
· Alle te veel ingehouden bedragen zullen worden terugbetaald hoewel geduld zal moeten worden betracht.
· Alhoewel er een duidelijke verbetering is ontstaan, is daarmee nog niet ons uiteindelijke doel bereikt namelijk de keuzevrijheid. Wat kunnen we daar nu nog aan doen?
In het geval van de AWBZ besliste de rechter eerder dat geen inhoudingen mogen plaatsvinden voor zorg die in het woonland niet aanwezig is. Wij zeggen dat ook niet betaald behoeft te worden wanneer van die zorg geen gebruik wordt gemaakt, omdat immers de meldplicht in het woonland niet dwingend is.
Dat is nu het enige dat nog uitgevochten moet worden; de manier waarop dat moet gebeuren is momenteel onderwerp van overleg. Niettemin kan worden gezegd dat we een hele grote stap gekomen zijn in de goede richting binnen het kader van de mogelijkheden van de verordening, zoals hieronder is weergegeven.
Uit de gegevens die nu zijn verstrekt betreffende de nieuwe regeling kan voor Spanje worden aangegeven wat de waarschijnlijke uitkomst van de nieuwe regeling zal zijn. In onderstaand staatje wordt deze uitkomst vergeleken met die zoals nu nog in de wet is opgenomen vóór de toepassing van de nieuwe regeling.
Inkomensgroep Te betalen bijdrage per jaar
Bestaande wet Nieuwe regeling Verschil
Alleenstaande:
Uitsluitend AOW uitkering € 2.276 € 488 - € 1.788
Inkomen meer dan 30.000 € 5.040 € 1.809 - € 3.231
Echtparen:
Uitsluitend AOW uitkering € 3.046 € 658 - € 2.388
Eén AOW uitkering, één 30.000+ € 7.164 € 2.495 - € 4.669
Beiden 30.000 + l € 10.131 € 3.924 - € 6.207
Inmiddels is komen vast te staan dat wanneer wij niet van het E 121 formulier gebruik maken om ons aan te melden bij lokale zorgverlener, in ons geval de Seguridad Social, de EU verordening niet in werking treedt en het woonland geen betaling verlangt van het pensioenland. Daarnaast kunnen wij niet gedwongen worden ons aan te melden. Die twee elementen samengevoegd betekenen dat Nederland dus geen bijdrage van ons mag/kan inhouden omdat immers niets betaald behoeft te worden. De minister zegt dat hij dat wel mag.
Cees van der Wiel.
Voorzitter VNGS
Alsnog bezwaar maken tegen E-121 formulier bij het CVZ
De brief van het College voor zorgverzekeringen ("CVZ"), waarbij het E-121 formulier aan u toegezonden is, betrof volgens een zegsman van het CVZ niet slechts een begeleidende brief, maar een besluit waarin wordt vastgesteld dat u "bijdrageplichtig" bent. Daartegen kunt u dus bezwaar maken, wanneer u niet verzekerd wil zijn bij de ziekenkas van uw woonstaat, maar bij een particuliere verzekering - dit is het logische gevolg van het keuzerecht.
!! Let op: Realiseert u zich wel dat mocht dit bezwaar worden gehonoreerd, u er voor kiest zich niet te verzekeren bij de ziekenkas van uw woonstaat, waartoe u met het E-121 formulier kon overgaan. Alsdan zal een adequate private verzekering afgesloten dienen te worden. Niet adequaat is een private verzekering die geldt als aanvulling op het woonlandpakket; u heeft er dan immers voor gekozen geen aanspraak te willen maken op het woonlandpakket. U zal dan een verzekering dienen af te sluiten die alle ziektekosten dekt.
Een proforma-bezwaarschrift dat u kunt overnemen, onder invulling van uw individuële gegevens, vindt u hier.
Bezwaar moet in beginsel binnen zes weken na ontvangst van het besluit kenbaar worden gemaakt. Daartoe had het CVZ echter wel in de brief dienen te vermelden dat het een besluit betrof waartegen binnen zes weken bezwaar kon worden gemaakt. Nu het CVZ dat niet heeft vermeld, is er een gerede kans dat uw bezwaarschrift alsnog in behandeling moet worden genomen door het CVZ. Dan moet u echter wel zo snel mogelijk doch uiterlijk binnen veertien dagen nadat dit bericht is geplaatst op de website bezwaar maken.
Dat u volgens het CVZ bijdrageplichtig zou zijn, zegt overigens nog niets over de hoogte van uw bijdrage. Daar gaat de Sociale Verzekeringsbank of het UWV over. Mocht u het niet eens zijn met de hoogte van de bijdrage dan dient daar afzonderlijk bezwaar tegen te worden gemaakt bij de Sociale Verzekeringsbank of het op u van toepassing zijnde UWV.
Bezwaar tegen onrechtmatige inhouding AWBZ-bijdrage bij de SVB / UWV
Naar aanleiding van het vonnis van de voorzieningrechter te Den Haag van 31 maart 2006 heeft de Minister een wijziging voorgesteld van de Regeling zorgverzekering die terugwerkt tot en met 1 januari 2006. Volgens de Minister heeft de Sociale Verzekeringsbank ("SVB") aangegeven in juli de nieuwe systematiek te kunnen toepassen. Van het UWV is dit onbekend. Volgens de minister zal de huidige inhoudingspraktijk desalniettemin nog enige tijd naijlen. Te hoge inhoudingen worden evenwel volledig gecorrigeerd omdat het CVZ het verschil tussen de verschuldigde bijdrage op grond van deze regeling en de werkelijk ingehouden of geïnde bedragen, achteraf zal verrekenen.
Ondanks deze belofte tot verrekening achteraf, kunt u tegen de onrechtmatige inhouding van de AWBZ-bijdrage op uw AOW/ WAO-uitkering - in strijd is met het vonnis van de voorzieningrechter - een pro-forma bezwaarschrift indienen bij de SVB/ UWV. (vindt u hier)
MEDEDELING VAN HET BESTUUR VNGS
U zult ongetwijfeld kennis hebben genomen van de door de minister uitgegeven publicatie Wijziging regeling zorgverzekering in verband met aanpassen bijdrage verdragsgerechtigden die integraal op deze website werd weergegeven.
Ongetwijfeld zult u verwacht hebben van de zijde van het bestuur naar aanleiding daarvan een commentaar te kunnen lezen hetgeen tot op heden nog niet is geschied. Daarvoor zijn we een verklaring verschuldigd.
De uitspraak van de rechter in ons Kort geding heeft de minister ertoe gedwongen het uitgangspunt van de wetgeving drastisch te wijzigen. Was het eerder zo dat de Nederlandse gepensioneerden in de verdragslanden allemaal over een kam geschoren werden in die zin dat iedereen, ongeacht het woonland, aan dezelfde systematiek van inhoudingen was onderworpen, nu is dat volstrekt anders geworden.
Doordat de minister gedwongen is te differentiëren naar de kosten van de zorg in het woonland, zullen in het nieuwe voorstel voor ieder land volstrekt van elkaar verschillende inhoudingen plaatsvinden aangepast aan de effectieve kosten voor de zorg in dat land.
Dat betekent dat wij geen financiële consequenties voor alle gepensioneerden in verdragslanden kunnen geven, maar de situatie veel meer per land zullen moeten toespitsen. Vandaar dat een reactie op deze site voor Spanje zou betekenen dat alle andere bezoekers van onze site uit de andere landen daar geen enkele conclusie uit zouden kunnen trekken voor hun situatie.
Daar komt nog bij dat onze bestuursleden, die ook bestuurlijk functies hebben binnen de stichting die het proces voerde, ook verantwoordelijkheden hebben naar de andere landen die daarin verenigd zijn. Dat betekent weer dat we eerst een studie moeten maken van de consequenties voor alle landen zodat we een integraal beeld kunnen laten zien.
Daartoe ontbreken ons op dit moment nog specifieke gegevens van het ministerie die ons maandag a.s. ter beschikking zullen worden gesteld. Wij hopen snel daarna meer specifiek te kunnen berichten.
Cees van der Wiel,
Voorzitter VNGS
Kamerstuk, 27-4-2006
De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA DEN HAAG
Z/VV-2679569
27 april 2006
Bij mijn brief van 7 april jl. (Kamerstukken II, 2005/06, 29689, nr. 80) heb ik u geïnformeerd over het vonnis in kort geding in de zaak van de stichting Belangenbehartiging Nederlandse Gepensioneerden in het buitenland en een vijftal verdragsgerechtigden in persoon tegen de Staat der Nederlanden. Ik heb daarbij aangegeven u op korte termijn nader te zullen berichten over de door mij naar aanleiding van het vonnis gekozen wijze waarop de bijdrage van verdragsgerechtigden in relatie wordt gebracht met de zorgkosten in het woonland.
Inmiddels heb ik in overleg met de betrokken uitvoeringsinstanties (CVZ, SVB en UWV) besloten de Regeling zorgverzekering te wijzigen om op zo kort mogelijke termijn te voorzien in de uitvoering van het vonnis van de rechter in genoemd kort geding. Deze voorlopige wijziging van de Regeling zorgverzekering heb ik bijgevoegd en zal ik hieronder in het kort nader uiteen zetten. Met deze wijziging geef ik tevens invulling aan de motie Schippers (Kamerstukken II, 2005/06, 29689, nr. 52). Uiteraard blijft het mogelijk dat op grond van nadere overwegingen bijstelling nodig zal blijken. Het CVZ zal mij in dit verband in de eerste helft van 2007 een uitvoeringstoets doen toekomen.
In zijn vonnis acht de rechter het niet gerechtvaardigd dat van alle elders wonende Nederlandse gepensioneerden een zelfde bijdrage wordt geheven, die geheel los staat van de forfaitaire bedragen die de desbetreffende woonlanden aan Nederland in rekening brengen. In aanmerking genomen de AWBZ-component, heeft hij daarom geoordeeld dat de bijdragen van gepensioneerden niet hoger mogen zijn dan wat Nederland aan het woonland moet betalen.
Ik heb besloten om de gehele bijdrage voor verdragsgerechtigden te baseren op de gemiddelde zorgkosten voor de sociale ziektekostenverzekering in het woonland, in relatie tot de gemiddelde zorgkosten van de sociale ziektekostenverzekeringen in Nederland. Daarbij wordt de Nederlandse verhouding tussen inkomensgerelateerde- en nominale premies in aanmerking genomen. Door deze relatie met de gehele bijdrage te leggen, wordt de berekening van de bijdrage verdergaand gewijzigd dan de rechter in het vonnis heeft aangegeven.
Dit weerspiegelt het meest zuiver het verschil in het totale verzekerde pakket tussen Nederland en het woonland; daarnaast is het zo dat de kosten voor met AWBZ-zorg vergelijkbare zorg in het woonland meestal niet afzonderlijk kunnen worden bepaald.
In het algemeen zal dit ertoe leiden dat de meeste verdragsgerechtigden een lagere verdragsbijdrage verschuldigd zullen zijn dan het geval was voor deze wijziging van de regelgeving.
Onderstaand wordt de nieuwe berekeningswijze voor de bijdrage met een rekenvoorbeeld toegelicht. De genoemde gemiddelde kosten zijn indicatief . In het voorbeeld is nog geen rekening gehouden met de heffingskortingen die, net als in Nederland, op het AWBZ-deel in mindering worden gebracht.
Voorbeeld:
Stel: het pensioen bedraagt € 1100 per maand. Betrokkene is gepensioneerd en heeft een niet werkende jongere partner. Beiden wonen in Spanje.
Grondslag van de bijdrage:
- inkomensafhankelijk deel, dat correspondeert met de in
Nederland geldende inkomensgerelateerde bijdrage van
verzekeringsplichtigen voor de Zvw: 6,5% = € 71,50 per maand
- inkomensafhankelijk deel, dat correspondeert met de
in Nederland geldende AWBZ-premie: 12,55% = € 138,05 per maand
- nominale deel : € 969/12 = € 80,75 per maand
De woonlandfactor wordt berekend uit verhouding tussen de gemiddelde kosten van Spanje (€ 950) en de gemiddelde kosten in Nederland (€ 2700).
De woonlandfactor is dan: 950/2700=0,352
De verschuldigde bijdrage per maand wordt dan:
(€ 71,50+€ 138,05+€ 80,75) x 0,352=€ 102,19 voor de gepensioneerde en voor diens gezinslid (€ 80,75 x 0,352=) € 28,42.
Voor de zorgtoeslag geldt dat die in sommige gevallen hoger kan uitvallen dan de verschuldigde bijdrage wanneer die, zoals thans, gebaseerd blijft op de Nederlandse gemiddelde premie. Nu in werkelijkheid een bijdrage verschuldigd is die niet is gebaseerd op de zorgconsumptie in Nederland maar op zorgconsumptie in het woonland, dient ook de zorgtoeslag overeenkomstig te worden aangepast. Daartoe bereid ik een wetswijziging voor die evenals de aanpassing van de bijdrage voor verdragsgerechtigden zal moeten terugwerken tot en met 1 januari 2006. In hoeverre rechtstreekse verrekening van de zorgtoeslag met de bijdrage mogelijk is, is nog onderwerp van nadere bestudering.
De wijziging van de Regeling zorgverzekering werkt terug tot en met 1 januari 2006. De nieuwe heffing en inning van de bijdragen bij verdragsgerechtigden gaat in zodra de inhoudingsplichtige organen de aanpassingen in hun systemen hebben ingevoerd en het CVZ in staat is op basis van met deze organen uitgewisselde gegevens vast te stellen in hoeverre restitutie dient plaats te vinden. Dit zal in de loop van 2006 gerealiseerd zijn. De SVB heeft aangegeven reeds in juli aanstaande de nieuwe systematiek te kunnen toepassen. Verschillende andere uitkeringsinstanties zullen iets langer tijd nodig hebben om hun administratie aan te passen. Daarom is het onvermijdelijk dat de huidige inhoudingspraktijk nog enige tijd naijlt. Te hoge inhoudingen worden evenwel volledig gecorrigeerd omdat het CVZ het verschil tussen de verschuldigde bijdrage op grond van deze regeling en de werkelijk ingehouden of geïnde bedragen, achteraf verrekent.
De Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport,
H. Hoogervorst