|
Samenvatting stand van zaken per 1 oktober. Wapenfeiten, zoals rechterlijke uitspraken, zijn er nog niet te melden. Maar om te voorkomen dat de gedachte bij U postvat dat er niets gebeurt, geven wij U hierbij een overzicht van activiteiten die achter de schermen plaats vinden. Niet alleen de Stichting Belangenbehartiging Nederlandse Gepensioneerden in het Buitenland (SBNGB), U weet wel de overkoepelende organisatie van de vier samenwerkende clubs uit Portugal, Spanje, Frankrijk en België, die zich verzetten tegen de onbillijkheden van de zorgverzekeringswet en haar advocaten hebben het nodige gedaan. Ook buiten Stichtingsverband zijn er initiatieven genomen. Ook van deze geven wij U een overzicht. Allereerst de Stichtingsactiviteiten. 1. De rechtszaken over keuzerecht en woonlandfactoren. Zoals bekend willen wij af van de gedwongen winkelnering bij de ziekenfondsen in ons woonland. Wij willen de vrijheid hersteld zien om te kunnen kiezen tussen ziekenfonds en particuliere verzekering. Van de bestuursrechter (in deze de Bestuurskamer van de Raad van State) wordt hier een uitspraak over verwacht. De stand van zaken met betrekking tot de voorbereiding hiertoe is de volgende. Er zijn door U talloze bezwaarschriften ingediend tegen dit gebrek aan keuzerecht. Door het CVZ is vervolgens een beslissing op bezwaar genomen. Die was afwijzend, zoals te verwachten. Door de advocaat is daarna aan vier mensen verzocht hierover een proefproces te voeren. Het betreft twee procesvoerders uit Spanje, één uit Frankrijk en één uit België. Zij worden hierin door de advocaat vertegenwoordigd en de Stichting draagt de kosten. Als eerste stap in dit proces zijn door de advocaat voor deze vier mensen beroepsschriften ingediend bij de Raad van State. Het beroepsschrift is een uitgebreid document waarin wordt betoogd op grond waarvan het keuzerecht hersteld moet worden. U hebt er kennis van kunnen nemen op onze website. Daarnaast is aan de Raad van State verzocht om een versnelde behandeling van het beroepsschrift. De Raad heeft hiermee ingestemd. Tot zover het keuzerecht. Er is indertijd bezwaar gemaakt bij de minister tegen de berekeningswijze van de woonlandfactoren. Dit is de verhouding tussen de gemiddelde zorgkosten in het woonland en die in Nederland. De minister maakt hierbij gebruik van de zorgkosten van de gehele bevolking. De Stichting betoogde dat de zorgkosten voor 65+ ers hier in het geding waren, omdat het overwegend om gepensioneerden gaat. De woonlandfactor met deze soort zorgkosten berekend is gunstiger dan die van de minister. Het bezwaar is door de Minister afgewezen. Hierna is besloten ook hierover naar de bestuursrechter te stappen. Ook hierover zijn talloze bezwaarschriften bij het CVZ ingediend. Ook hierover is een afwijzende beslissing op bezwaar genomen. Voor deze zaak zijn vijf procesvoerders aangezocht, uit België, Frankrijk, Ierland, Italië en Zweden. De beroepsschriften voor deze zaak zijn vrijwel afgerond en zullen binnenkort worden ingediend. Ook hiervoor zal een versnelde behandeling worden gevraagd. 2. Dubbele heffing In een aantal landen worden de zorgkosten uit de algemene middelen bekostigd. Nederlanders die daar gevestigd zijn betalen dus met hun belasting een evenredig deel daaraan mee. Evengoed brengen deze landen conform de Europese regels ( Verordening 1408/71) de zorgkosten voor die Nederlanders bij Nederland in rekening. Nederland betaalt dat, waarop inhouding van de zvw-bijdragen op de pensioenen plaats vindt. Deze mensen betalen dus dubbel. Om dit aan te pakken zou in ieder land waar dit gebeurt een proces gevoerd moeten worden tegen de Staat. Organisatorisch en financieel is dit een moeilijk uitvoerbare zaak. Toch wil het Stichtingsbestuur een poging wagen dit probleem aan te pakken. Als beginstap, zo adviseert de advocaat van de Stichting, kan worden overwogen de Gemeenschap eerst maar eens aansprakelijk te stellen. Dit zou kunnen gebeuren door een klacht bij de Europese Commissie en de Raad van Ministers in te dienen (met inbegrip van aansprakelijkstelling), waarin gesteld wordt dat Verordening 1408/71 een verboden discriminatie naar nationaliteit en een ernstige beperking van het vrije verkeer van personen behelst, doordat het lidstaten in bepaalde omstandigheden in de gelegenheid stelt ingezetenen die een pensioen genieten uit een andere lidstaat twee keer te belasten voor dezelfde verstrekkingen in verband met ziekte. Een dergelijke klacht, die in concept geformuleerd is, kan zonder noemenswaardige kosten worden ingediend. Echter deze stap moet gevolgd worden door een procedure voor het gerecht van eerste aanleg van de EU indien in negatieve zin op de aansprakelijkstelling wordt gereageerd. En dit is wèl een kostbare zaak. Het bestuur onderzoekt thans wegen om met vermijding van deze kosten toch een uitvoering aan dit geheel te kunnen geven. Op verzoek van de voorzitter van het Stichtingsbestuur is een werkgroep gevormd onder leiding van de heer Henk Achterberg uit Zweden. Deze groep inventariseert voor een aantal landen hoe het staat met die dubbele heffing. Thans wordt de laatste hand gelegd aan het eindrapport, dat ter onderbouwing kan dienen van bovengenoemde klacht en tevens ter hand zal worden gesteld aan de ECAS, een instelling die verderop in deze brief aan de orde komt. De voorzitter van de groep zegt over hun activiteiten het volgende. Enige tijd geleden kwam er naar aanleiding van berichten (o.a. Zweden) informatie boven tafel dat het systeem van verplichte inhoudingen door Cvz op Nederlandse pensioenen leidde tot in feite dubbel betalen van de kosten van zorg: één keer via het wettelijke systeem in het woonland en één keer via de (verplichte) inhoudingen door Cvz. Wat is er aan de hand? Het is gebleken dat verscheidene landen in Europa zoals Zweden, Finland, Groot-Brittannië, Ierland, Italië (en sommige delen van Spanje) een stelsel van sociale zekerheid kennen, waarbij de kosten van dat stelsel worden gefinancierd vanuit de belastingopbrengsten. Aangezien je als gepensioneerde Nederlander in je Europese woonland belastingplichtig bent, betaal je eigenlijk via deze weg voor de kosten van zorg in je woonland. Met andere woorden: men neemt deel aan een wettelijk verplicht stelsel van ziektekostenverzekering. Met de invoering van het nieuwe zorgverzekeringsstelsel in Nederland en de daaruit volgende verplichting tot registratie middels een E121 formulier bij de zorgautoriteiten in het woonland, is men verplicht aan het Nederlandse Cvz een bijdrage te betalen. Deze bijdrage is gebaseerd op de kosten van zorg in het woonland en verschillen vanwege de woonlandfactoren van land tot land. Cvz motiveert dit niet alleen door het afspelen van de inmiddels grijs gedraaide grammofoonplaat inhoudende de tekst: “ U hebt uitsluitend pensioen uit Nederland en dus bent u verdragsgerechtigd en betaalt Nederland de kosten voor uw zorg aan uw woonland”, maar beroept zich vanwege deze deun op de artikelen 28, 28bis en 33 uit de Verordening 1408/71 Dit betekent dat U in feite 2x betaalt voor uw zorgkosten. Om dit fenomeen nader te onderzoeken is vanuit de Stichting een werkgroep gevormd en zonder op de eindrapportage vooruit te lopen kan wel worden vastgesteld dat inderdaad nationale gezondheidszorgautoriteiten aan deze gang van zaken zwaar verdienen op kosten van, u raadt het al: de Nederlandse gepensioneerde. Cvz betaalt immers de kosten van zorg in uw woonland ?? Maar die heeft u al betaald! Enne…. opzeggen van de verzekering in het woonland is er niet bij: men is wettelijk verplicht aan het woonlandstelsel deel te nemen. Cvz is doof voor deze argumenten en gaat gewoon door met innen van bijdragen Zo kan de ‘bijdragebalans’ van Hoogervorst wel positief blijven. En de politiek maar tijdens de Algemene Beschouwingen roepen dat iedereen een goede en betaalbare ziektekostenverzekering moet hebben waarbij je niet teveel betaalt voor je zorg. En: kan je het allemaal niet opbrengen, wel dan is er toch de zorgkostenbijdrage?? Zeker, en die kan de Nederlandse gepensioneerde in het buitenland ook aanvragen, maar ze vergeten er wel bij te vertellen dat de belastingdienst in je woonland deze bijdrage beschouwt als inkomen en derhalve onderhevig maakt aan de te betalen belasting….. Nog een slotopmerking: uit het onderzoek komt ook naar voren dat vele Europese Lidstaten een slaatje proberen te slaan uit de Europese sociale zekerheidsregels, zeker als het gepensioneerden betreft: de regels worden zonder uitzondering in het nationale belang uitgelegd, en ja, over de ruggen van de gepensioneerden. En men is daarbij bereid zo nodig de bepalingen uit het Europese verdrag aan de laars te lappen. Vindt u het vreemd dat ‘Europa’ zo weinig leeft bij de Europese burger?? Henk Achterberg, Blattnicksele, Zweden. 3. Contacten met de verzekeraars Ook met het Verbond van Verzekeraars is er contact geweest. Helaas, het resultaat was bedroevend. Het Verbond schrijft dat onze acties hebben geleid tot “op maat gesneden oplossingen. Oplossingen waaraan de verzekeraars hun volle medewerking geven door het aanbieden van aanvullende verzekeringen…” Ook Zorgverzekeraars Nederland loopt over van begrip en wijst erop dat zij “in een eerder stadium nadrukkelijk aandacht heeft gevraagd voor de complexe situatie die bij invoering van de ZVW zou ontstaan” (de brief van Wiegel) Maar het parlement heeft anders besloten en door de dwingende regelgeving kunnen zij niet anders en zien zij geen kans tegemoet te komen aan “wensen van de diverse groepen”. Natuurlijk begrijpen ze onze teleurstelling en een nieuw gesprek lijkt hen “weinig opportuun”. Zie voor de hele correspondentie met de verzekeraars onze website. 4. European Citizen Action Service. De Stichting heeft contact met een organisatie genaamd ECAS, European Citizen Action Service. ECAS is een internationale non-profit organisatie en is onafhankelijk van politieke partijen, commerciële belangen en EU –instellingen. Hun missie is o.a. er voor te zorgen dat Non Governmental Organisations (NGO’s) en individuen gehoord worden door de EU, door hun adviezen te geven over hoe men kan lobbyen, fondsen kan verwerven en Europese burgerrechten kan verdedigen. www.ecas.org Er is een uitvoerige briefing gestuurd over onze situatie ten gevolge van de ZVW en onze initiatieven teneinde daarin verandering af te dwingen. Hierover is contact geweest met Tony Venables, director van ECAS. Betreffende organisatie heeft een grote invloed bij de totstandkoming van EU wetgeving en hun adviezen worden veelal gevolgd. Mario Monti is voorzitter hetgeen het gewicht aangeeft. (Mario Monti (1943) was van 1995 tot 2004 lid van de Europese Commissie. Van 1995 tot 1999 was hij belast met interne markt, en van 1999 tot 2004 met mededinging. Eerder was hij hoogleraar economie aan de universiteiten van Turijn en Milaan en werkzaam in diverse Italiaanse overheidscommissies inzake economische vraagstukken.) Het is duidelijk dat men zeer geïnteresseerd was in onze problematiek. Inmiddels is er een groot aantal dossiers naar deze instelling gestuurd over onze contacten met Europese instellingen, spoedig zal er een aantal dossiers over onze contacten met de Nederlandse regering en parlement volgen. Er zijn 2 punten die men wil onderzoeken. Allereerst zoeken zij advies “ about the compatibility or otherwise of the new healthcare legislation with the basic treaty provisions on free movement and equal treatment . In some cases Dutch pensioners are being forced to pay twice for health insurance, both in their country of residence and in their country of origin” . Vervolgens “ we look at the commission’s implementing text for regulation 883/2004 to see whether there are opportunities to propose changes whilst it is in the process of going through the other institutions.” Verordening 883/2004 moet de Verordening 1408/71 gaan vervangen. Beide handelen over “de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels” en zijn dus erg belangrijk voor de problematiek waar we mee te maken hebben. Deze Europese regels bepalen bijvoorbeeld wie er tot de verdragsgerechtigden gerekend moeten worden en geven ook de grenzen aan van de invloed die een regering heeft op haar expats. Het is dus erg belangrijk alles te doen om in de nieuwe verordening de positie van de geëmigreerden zo sterk mogelijk te maken. Inmiddels heeft ECAS besloten een eigen onderzoek in Nederland in te stellen via een juridisch kantoor.
Tot zover de opsomming van de Stichtingsactiviteiten. Activiteiten die buiten de Stichting om plaats vinden: Ook buiten de Stichting zijn er mensen die hun boosheid over het onrecht waar we tegen strijden omzetten in acties. Een aantal ervan is bij ons bekend. Zij voeren hun acties uit zonder last of ruggespraak met de overkoepelende Stichting of één van de deelnemende verenigingen . We willen hier toch over publiceren, omdat alles wat er op dit gebied gebeurt van belang voor u kan zijn. 1. Europarlement Het project van Jean Blankert heeft betrekking op het Europarlement. Hij heeft een petitie ingediend en deze is geaccepteerd. Ze is nu onderwerp van intensief onderzoek en alle aspecten die in strijd zijn met COM ((2002) 694 over het vrije verkeer binnen Europa) worden onder de loep genomen. Hij heeft ook contact met de Commissaris voor Justitie van EU en met ECAS. In feite ligt, sinds hij de COM (2002) 694 heeft ontdekt, het accent van zijn bemoeienis op de EU. Er is een grote tegenstelling tussen wat Mr. Rob Cornelissen (Head of Unit at the European Commission Employment, Social Affairs and Equal Opportunities DG) beweert in zijn antwoorden aan velen van ons enerzijds en de richtlijn COM (2002) 694 anderzijds. De Commissie is daarvan nu op de hoogte. Citaat: Het doel van dit stuk is in praktische termen enkele van de meeste belangrijke onderwerpen voor migrerende werkenden en hun families te beschrijven en de manier waarop de Commissie hiermee omgaat en zal omgaan met het oog op uitspraken van de Europese rechter. Vrij verkeer van personen is een fundamentele vrijheid die gegarandeerd wordt door het recht van de Gemeenschap en bevat het recht te werken en te wonen in een andere Lidstaat. Eerst was deze vrijheid in essentie gericht op economisch actieve personen en hun families Vandaag betreft het recht op vrij verkeer binnen de Gemeenschap ook andere categorieën zoals studenten, gepensioneerden en EU-burgers in het algemeen. Einde citaat Iedereen zal begrijpen dat er spanning ontstaat tussen aan de ene kant deze vrijheid en de gevolgen van de ZVW voor ons aan de andere kant. 2. Het Tweede Front Hierover laten wij een van de initiatiefnemers aan het woord, de heer Huub Frantzen: Het Tweede Front bestaat uit een losse groep mensen die op eigen kracht iets willen bijdragen aan het gezamenlijke doel: WEG MET DE EMIGRATIEBELASTING VAN ART.69. Maar ook: herstel van de vorig jaar nog bestaande buitenlandpolissen. Wat doen we? Heel in het kort: we geven een zo goed mogelijk doordachte en geformuleerde mening over die onderwerpen die ons raken. Zo hebben we nogal wat bijdragen en reacties geschreven op met name het Buitenforum van monitor. We hebben bezwaarschriften geschreven en op dit forum geplaatst. Sommigen hebben hun (voormalige) verzekeraars in gebreke gesteld en hebben hun oude verzekering weer terug, zonder prijsverhogingen. We hebben mensen op hun verzoek geadviseerd. Op het moment zijn we vooral bezig met het beroep inzake de keuzevrijheid. Wij verstaan daaronder de vrijheid om zelf te kiezen of wij ons willen aanmelden bij de lokale sociale verzekering of niet. In het laatste geval veroorzaken we nooit of te nimmer kosten die NL aan ons woonland zou moeten vergoeden. Wij stellen (en onderbouwen die stelling met kracht van argumenten) dat Nederland geen eigen, nationale, soevereine bevoegdheid heeft om inhoudingen te plegen op de pensioenen van intern-EU migranten, en dat Nederland volledig beperkt is tot en gebonden is door de bevoegdheid die artikel 33, lid 1 van VO 1408/71 geeft. Wij gaan als zelfstandige partij in beroep om niet afhankelijk te zijn van de stellingen en argumenten die een ander voor ons bedenkt en naar voren brengt. Wij doen dat niet om de Stichting en haar advocaat dwars te zitten, maar voor het gemeenschappelijke doel, en we betalen onze eigen kosten. Namens het Tweede Front, Huub Frantzen
VOORTGANG BEROEPSCHRIFTEN KEUZERECHT BIJ RAAD VAN STATE. From: Geursen, Wessel Heren, De Raad van State heeft besloten de beroepschriften versneld te behandelen. Dit betekent dat de termijnen waarbinnen bepaalde (procedurele) stappen dienen te geschieden, worden verkort. Over de precieze invulling van de verdere behandeling door de Raad van State ontvangen wij nader bericht. Wij houden jullie op de hoogte. Ik vertrouw erop jullie hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Met vriendelijke groet, Wessel Geursen De Brauw Blackstone Westbroek INLEIDING BEROEPSCHRIFT RAAD VAN STATE INZAKE KEUZERECHT. Als basis is genomen de Belgische situatie. In de beroepschriften voor de Spaanse kandidaten in de proefprocedure voor het keuzerecht is nog het volgende meer subsidiaire argument opgenomen: MEER SUBSIDIAIR: 1. Artikel 69 lid 1 Zvw heeft rechtsgevolgen voor personen die: (i) in het buitenland wonen; (ii) recht hebben op ziekteverzekering op grond van een Verordening en (iii) buiten de kring van op grond van de Zvw verplicht verzekerden vallen. 2. Nu Appellant op grond van de wetgeving van zijn woonland reeds recht heeft op dekking van ziektekosten, is artikel 28 van Verordening 1408/71 niet op hem van toepassing (maar artikel 28bis). Nu Appellant geen recht heeft op zorg of vergoeding van de kosten op grond van een Verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen, maar uitsluitend op basis van de nationale wetgeving van zijn woonland, voldoet hij niet aan de criteria van artikel 69 lid 1 Zvw. 3. Dat artikel 28bis van Verordening 1408/71 wel op hem van toepassing is, doet niets af aan die conclusie. Artikel 28bis zorgt er slechts voor dat de kosten door het woonland kunnen worden verhaald op het pensioenland. Die bepaling creëert echter zélf geen recht op prestaties, maar regelt slechts dat de lidstaat die een recht op prestaties toekent aan gerechtigden tot een pensioen uit een andere lidstaat, de kosten in verband met die prestaties mag verhalen op het pensioenland. 4. Nu Appellant niet voldoet aan de criteria van artikel 69 lid 1 Zvw, is die bepaling niet op hem van toepassing en is ten onrechte door het CVZ geconcludeerd dat hij Verdragsgerechtigd en dus bijdrageplichtig is. Derhalve dient het Besluit van het CVZ te worden vernietigd. BEROEPSCHRIFT - VERSNELDE BEHANDELING (artikelen 116 Zorgverzekeringswet jo. 26 en 36 Wet RvS jo. 8:52 Awb)
BEZORGEN Aan de Raad van State Afdeling bestuursrechtspraak 1. Dhr. X, wonende te Y, België ("Appellant"), die mede woonplaats kiest te Zuid-Hollandlaan 7, 2596 AL Den Haag, ten kantore van de advocaten Mr E.H. Pijnacker Hordijk en Mr W.W. Geursen, die voor Appellant als gemachtigden optreden, met het recht van substitutie, stelt beroep in als hierna bedoeld.
2. Het beroep richt zich tegen het besluit van het College voor Zorgverzekeringen ("CVZ"), genomen op bezwaar op 8 augustus, kenmerk nr. [**], waarin is besloten dat Appellant wordt aangemerkt als Verdragsgerechtigde en bijdrageplichtige (het "Besluit"). Een kopie van het Besluit is bij dit beroepschrift gevoegd (Bijlage 1).
3. Het belang van Appellant is bij het Besluit rechtstreeks betrokken. Appellant wenst daarom tegen het Besluit beroep in te stellen op grond van artikel 116 Zorgverzekeringswet, hetgeen hierbij tijdig geschiedt.
GRIFFIERECHT
4. Het verschuldigde griffierecht ten bedrage van EUR 141,- kan worden verrekend in de rekening-courant van De Brauw Blackstone Westbroek N.V., bij voorkeur onder vermelding van nr. [**].
I. VERZOEK OM VERSNELDE BEHANDELING
5. Appellant verzoekt om versnelde behandeling van het beroep overeenkomstig artikel 36 Wet op de Raad van State jo. artikel 8:52 Algemene wet bestuursrecht, aangezien het belang van Appellant een onverwijlde beslissing vordert. Hieraan liggen de volgende overwegingen ten grondslag:
a) Appellant is één van vele belanghebbenden die bezwaar heeft aangetekend tegen de aanmerking als Verdragsgerechtigde en bijdrageplichtige. Tegen het aan hem gerichte Besluit is de beroepschriftprocedure opgestart. Andere belanghebbenden hebben ook bezwaar aangetekend tegen het Besluit van CVZ. Die bezwaarschriftprocedures zijn aangehouden totdat de afdeling heeft beslist op dit beroepschrift en enige beroepschriften in parallelle bij u aanhangige zaken. Daarnaast heeft de Stichting Belangenbehartiging Nederlandse Gepensioneerden in het Buitenland reeds een kort geding procedure gevoerd, waarbij de voorzieningenrechter bij vonnis van 31 maart jl. een deel van de Zorgverzekeringswet- en regelgeving onverbindend heeft verklaard (LJN: AU8874). Er heerst nog steeds onzekerheid over de juistheid van de Zorgverzekeringswet- en regelgeving en bij de uitvoering ervan vinden nog steeds grove onregelmatigheden/achterstanden plaats. Nu de uitkomst van deze en parallelle beroepschriftprocedures voor velen zullen gelden en een einde kunnen maken aan de onzekerheden rond hun zorgverzekering, verzoekt belanghebbende u om versnelde behandeling, opdat spoediger de gewenste duidelijkheid kan worden bereikt. b) De kring van personen die door de aangevochten interpretatie van de Zorgverzekeringswet worden getroffen, omvat de oudsten en zwaksten in de samenleving, waarvan velen door ouderdom en lichamelijke gebreken niet meer in staat zijn voor hun rechten op te komen. Vertraging bij de afhandeling van deze principezaak brengt mee dat velen bij een voor hen positieve uitspraak geen baat meer zullen kunnen hebben. c) Daarnaast is het zeer waarschijnlijk dat nog voordat deze kabinetsperiode zal eindigen de regering een wijziging van de Zorgverzekeringswet zal voorstellen, waardoor niet meer uw afdeling, maar de sector bestuursrecht van de rechtbank te Amsterdam bevoegd zal worden beroepen tegen besluiten van CVZ te behandelen. Versnelde behandeling zal kunnen voorkomen dat deze zaak zal dienen te worden overgedragen aan de rechtbank te Amsterdam, met alle eventuele ongewenste vertraging van dien. Op dit moment ligt het wetsvoorstel daartoe ter advisering bij uw Raad en is derhalve nog niet openbaar gemaakt.
II. FEITEN
6. Appellant is [65+] jaar oud en woont in België.
7. Appellant ontvangt vanuit Nederland een AOW-uitkering. Met de overige Nederlandse sociale zekerheidswetgeving, waaronder de zorgverzekering, had Appellant tot de invoering van de nieuwe zorgverzekeringswet ("Zvw") per 1 januari 2006 niets te maken.
8. Het CVZ heeft Appellant naar aanleiding van de invoering van de Zvw aangemerkt als zogenaamde verdragsgerechtigde en als bijdrageplichtige. Het gevolg daarvan is dat hij volgens het CVZ verplicht is zich aan te melden en aan te sluiten bij het ziekenfonds van zijn woonplaats en er op zijn AOW- en pensioenuitkeringen bijdragen worden ingehouden die aan het door het CVZ beheerde Zorgverzekeringsfonds worden afgedragen. De door Appellant verschuldigde bijdrage beloopt EUR [**],- per jaar.
9. Bij brief van [DDMM] 2005 heeft zijn oude particuliere verzekering – kennelijk in het licht van artikel 2.5.2 van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet - opgezegd. Appellant was derhalve onverzekerd. Appellant heeft geen enkele belangstelling voor aansluiting bij een ziekenfonds in zijn woonland, omdat hij – gezien zijn leeftijd – niet in aanmerking komt voor een gelijkwaardige dekking als onder zijn oude particuliere verzekering. Zo kennen de Belgische ziekenfondsen het zogenaamde "remgeld", wat betekent dat zij hoogstens 70% vergoeden van de door het ziekenfonds vergoedbaar geachte kosten, welke doorgaans lager zijn dan de daadwerkelijk door artsen en ziekenhuizen gedeclareerde kosten. Bovendien heeft Appellant via het Belgische ziekenfonds slechts in uitzonderingsgevallen recht op verstrekkingen in Nederland. Appellant zal dus zeker zijn bestaande particuliere verzekering willen continueren. In de opvatting van CVZ is hij echter verplicht zich te laten inschrijven bij een Belgisch ziekenfonds.
10. Uiteindelijk heeft Appellant zich per [DD] mei jl. onder protest ingeschreven met zijn E-121 formulier bij het Belgische ziekenfonds, omdat het onverantwoord is zonder een verzekering ter dekking van ziektekosten door te blijven leven. Daarbij heeft hij zich moeten bijverzekeren via een zogenaamde hospitalisatieverzekering ter dekking van de kosten van een eventuele ziekenhuisopname. Overigens wordt met "bijverzekeren" niet zoals in Nederland bedoeld "uitbreiding van het pakket", maar uitbreiding tot 100% vergoeding van gemaakte kosten.
11. Appellant tekent beroep aan tegen de aanmerking door het CVZ als verdragsgerechtigde en als bijdrageplichtige aangezien hij daar niet voor gekozen heeft. Nu Appellant zich uitdrukkelijk niet wil aansluiten bij het ziekenfonds van zijn woonplaats, miskent het CVZ dat Nederland geen bijdragen mag heffen van personen die niet ten laste van Nederland komen. Het CVZ kan Appellant niet verplichten zich in te schrijven bij een Belgisch ziekenfonds door hem aan te merken als Verdragsgerechtigd.
III. VAN TOEPASSING ZIJNDE REGELGEVING
III.a Verdragsgerechtigde
12. Verordening 1408/71 coördineert de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen van de lidstaten op personen die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, met name teneinde te voorkomen dat die personen onverzekerd raken of twee maal voor dezelfde verzekering moeten betalen. De Verordening is onder andere van toepassing wanneer de justitiabele in een andere lidstaat woont (woonland), dan de lidstaat waaruit zijn loon of (staats)pensioen wordt betaald (werk-, c.q. pensioenland). De regeling voor gepensioneerden is vervat in de artikelen 28, 28bis, 33 van Verordening 1408/71 en artikel 29 van Verordening 574/72. Verordening 574/72 is een toepassingsverordening van Verordening 1408/71, waarin de meer praktische zaken van Verordening 1408/71 worden geregeld (bijvoorbeeld ten aanzien van het gebruik van (standaard)formulieren).
13. De artikelen 28 en 28 bis van Verordening 1408/71 voorzien in de mogelijkheid tot aansluiting van een gepensioneerde bij het ziekenfonds in zijn woonland, op voorwaarde dat hij in zijn pensioenland aanspraak zou hebben kunnen maken op prestaties in verband met ziekte als hij daar had gewoond.
Artikel 28 Verordening 1408/71 1. De rechthebbende op een pensioen of rente verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat (…) die geen recht op prestaties heeft op grond van de wettelijke regeling van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij woont, heeft niettemin zelf, evenals zijn gezinsleden, recht op deze prestaties, voorzover hij op grond van de wettelijke regeling van de voor de pensioenverzekering bevoegde Lid-Staat (…) met inachtneming (…) van bijlage VI recht op prestaties zou hebben, indien hij op het grondgebied van de betrokken Staat woonde. 2. In de in lid 1 bedoelde gevallen komen de verstrekkingen voor rekening van het overeenkomstig de volgende regels vastgestelde orgaan: a) indien de rechthebbende krachtens de wettelijke regeling van één Lid-Staat recht opbedoelde verstrekkingen heeft, komen deze voor rekening van het bevoegde orgaan van deze Staat; b) indien de rechthebbende krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer Lid-Staten recht opbedoelde verstrekkingen heeft, komen deze voor rekening van het bevoegde orgaan van de Lid-Staat aan de wettelijke regeling waarvan de rechthebbende het langst onderworpen is geweest; ingeval de toepassing van deze regel ertoe leidt dat de verstrekkingen voor rekening van meer dan een orgaan komen, komen zij voor rekening van het orgaan, dat de wettelijke regeling toepast waaraan de rechthebbende het laatst onderworpen is geweest.
Artikel 28bis Verordening 1408/71 Indien de rechthebbende op een pensioen of rente, verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat (…) woont op het grondgebied van een Lid-Staat waarvan de wettelijke regeling voor het recht op verstrekkingen geen voorwaarden stelt inzake de verzekering of de arbeid en krachtens de wettelijke regeling waarvan geen pensioen of rente verschuldigd is, komen de aan hem en aan zijn gezinsleden verleende verstrekkingen voor rekening van het overeenkomstig artikel 28, lid 2, bepaalde orgaan van een van de ter zake van pensioenen bevoegde Lid-Staten, voorzover de betrokken rechthebbende en zijn gezinsleden recht zouden hebben op deze verstrekkingen krachtens de wettelijke regeling die wordt toegepast door het bedoelde orgaan indien zij woonden op het grondgebied van de Lid-Staat waar dit orgaan is gevestigd.
14. Een AOW-gerechtigde die in een andere lidstaat dan Nederland woont, zou recht hebben gehad op ziektekostenverstrekkingen als hij in Nederland had gewoond. Hij had dan immers op grond van de Zvw bij een zorgverzekeraar een basisverzekering moeten afsluiten. Om te bewijzen dat een in een andere lidstaat dan Nederland woonachtige AOW-gerechtigde recht zou hebben gehad op ziektekostenverstrekkingen als hij in Nederland had gewoond, verstrekt het CVZ een zogenaamd E-121 formulier.
15. Wanneer de AOW-gerechtigde zich wil laten registreren bij het ziekenfonds van zijn woonplaats met behulp van een E 121-formulier treedt ingevolge artikel 29 van Verordening 574/72 het mechanisme van artikel 28 / 28bis van Verordening 1408/71 in werking. Op dat moment kan hij op grond van de Verordening aanspraken maken op het zorgverzekeringsstelsel van zijn woonland. Deze categorie verzekerden worden Verdragsgerechtigden genoemd.
Artikel 29 Verordening 574/72 1. Om op het grondgebied van de Lid-Staat waar hij woont in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 28, lid 1, en artikel 28 bis van de verordening [1408/71], is de pensioen- of rentetrekker verplicht zich en zijn in dezelfde lidstaat wonende gezinsleden te doen inschrijven bij het orgaan van de woonplaats, onder overlegging van een verklaring [het E 121-formulier][1] waarin wordt bevestigd dat hij krachtens de wettelijke regeling of krachtens één der wettelijke regelingen opgrond waarvan een pensioen of rente verschuldigd is, voor zich zelf en voor zijn gezinsleden recht opgenoemde verstrekkingen heeft. 2. Deze verklaring wordt opverzoek van de pensioen- of rentetrekker door het orgaan of één der organen die pensioen of rente verschuldigd zijn of, in voorkomend geval, door het orgaan dat over het recht op verstrekkingen moet beslissen, afgegeven, zodra de pensioen- of rentetrekker voldoet aan de voorwaarden voor het ingaan van het recht op deze verstrekkingen. Indien de pensioen- of rentetrekker de verklaring niet overlegt, verzoekt het orgaan van de woonplaats het orgaan of de organen die het pensioen of de rente verschuldigd zijn of, in voorkomend geval, het hiertoe gerechtigde orgaan daarom. In afwachting van de ontvangst van deze verklaring kan het orgaan van de woonplaats de pensioen- of rentetrekker en zijn in dezelfde lidstaat wonende gezinsleden voorlopig inschrijven op vertoon van de door dit orgaan toegelaten bewijsstukken. Deze inschrijving is voor het orgaan dat de kosten van de verstrekkingen moet dragen slechts bindend, wanneer laatstgenoemd orgaan de in lid 1 bedoelde verklaring heeft afgegeven. 3. Het orgaan van de woonplaats stelt het orgaan dat de in lid 1 bedoelde verklaring heeft afgegeven in kennis van iedere inschrijving die het overeenkomstig bedoeld lid heeft verricht. 4. Bij elke aanvraag om verstrekkingen moet aan de hand van het ontvangstbewijs of het strookje van de postwissel van de laatste betaling, aan het orgaan van de woonplaats worden bewezen dat het recht op pensioen of rente nog steeds bestaat. 5. De pensioen- of rentetrekker of zijn in dezelfde lidstaat wonende gezinsleden zijn verplicht het orgaan van de woonplaats in kennis te stellen van elke wijziging in hun omstandigheden, waardoor het recht op verstrekkingen kan worden gewijzigd, in het bijzonder van elke schorsing of intrekking van het pensioen of de rente en elke overbrenging van hun woonplaats. De organen die pensioen of rente verschuldigd zijn, stellen het orgaan van de woonplaats van de pensioen- of rentetrekker in kennis van deze wijziging.
16. De regeling van artikel 28 / 28bis van Verordening 1408/71 betreft uitsluitend het minimale verstrekkingenniveau door het woonland. Op eventuele aanvullende verzekeringen is uitsluitend het nationale recht van toepassing. Indien de gepensioneerde zich niet laat registreren bij het ziekenfonds van zijn woonland, blijven artikel 28 / 28bis van Verordening 1408/71 zonder gevolg.
III.b Verdragsgerechtigdheid leidt tot opzegging van particuliere verzekeringen
17. Wanneer een particulier verzekerde AOW-gerechtigde Verdragsgerechtigd is, geeft artikel 2.5.2 lid 2 van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet de mogelijkheid voor verzekeringsmaatschappij om de particuliere ziektekostenverzekering op te zeggen.
Artikel 2.5.2 lid 2 van de Invoerings- en aanpassingswet Zvw Een overeenkomst met betrekking tot de verzekering van geneeskundige zorg of de kosten daarvan, gesloten voor of met een [Verdragsgerechtigde], vervalt met ingang van 1 januari 2006, voor zover aan de overeenkomst rechten kunnen worden ontleend, gelijkwaardig aan die, welke vanaf dat tijdstip met toepassing van zodanige verordening of verdrag aan de betrokkene toekomen, mits de verzekerde voor 1 mei 2006 heeft voldaan aan de verplichting tot aanmelding bij het College zorgverzekeringen ingevolge artikel 69 van de Zorgverzekeringswet.
18. Veel Nederlandse verzekeringsmaatschappijen hebben hier aanleiding in gezien om de gehele verzekeringsovereenkomst op te zeggen; zo ook met Appellant.
III.c Bijdrageplicht
19. Het woonland draagt zorg voor verstrekkingen in verband met ziekte aan Verdragsgerechtigden. Het pensioenland dient deze kosten te vergoeden aan het woonland. De vergoeding beloopt 80% van de gemiddelde kosten van de verstrekkingen voor 65+-ers in het woonland (artikel 95 van Verordening 574/72).
20. Wanneer het pensioenland de kosten draagt voor verstrekkingen aan een Verdragsgerechtigde, is het pensioenland op zijn beurt gerechtigd een bijdrage of premie te heffen van de Verdragsgerechtigde en in te houden op zijn staatspensioen/AOW-uitkering. Dit systeem is geregeld in artikel 33 lid 1 van Verordening 1408/71.
Artikel 33 lid 1 van Verordening 1408/71 Het orgaan van een Lid-Staat dat een pensioen of rente verschuldigd is en dat een wettelijke regeling toepast waarin is bepaald, dat voor rekening van een pensioen of rentetrekker bijdragen of premies worden ingehouden om de kosten van de prestaties bij ziekte en moederschap te dekken, is gemachtigd deze bedragen, berekend overeenkomstig de betrokken wettelijke regeling, in te houden op het pensioen of de rente welke dit orgaan verschuldigd is, voorzover de prestaties krachtens de artikelen 27, 28, 28 bis, 29, 31 en 32 voor rekening van een orgaan van bedoelde Lid-Staat komen.
21. Het pensioenland Nederland heeft slechts een heffingsrecht voorzover de kosten voor de buiten Nederland woonachtige AOW-gerechtigde ook daadwerkelijk aan Nederland in rekening worden gebracht.
22. De hoogte van de in te houden bedragen wordt berekend overeenkomstig de nationale wetgeving van het pensioenland. In Nederland is dit geregeld in artikel 69 Zvw en de Regeling zorgverzekering.
Artikel 69 Zvw 1. In het buitenland wonende personen die met toepassing van een Verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen dan wel toepassing van zodanige verordening krachtens de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of een verdrag inzake sociale zekerheid in geval van behoefte aan zorg recht hebben op zorg of vergoeding van de kosten daarvan, zoals voorzien in de wetgeving over de verzekering voor zorg van hun woonland, melden zich, tenzij zij op grond van deze wet verzekeringsplichtig zijn, bij het College zorgverzekeringen aan. 2. De in het eerste lid bedoelde personen zijn een bij ministeriële regeling te bepalen bijdrage verschuldigd, die voor de toepassing van artikel 22 alsmede, voor een bij die regeling te bepalen gedeelte van de bijdrage, voor de toepassing van de Wet op de zorgtoeslag als premie voor een zorgverzekering wordt beschouwd. 3. Indien de melding niet is geschied binnen vier maanden nadat het recht, bedoeld in het eerste lid, is ontstaan, legt het College zorgverzekeringen degene die de melding had moeten doen een boete op, die gelijk is aan 130% van een bij ministeriële regeling te bepalen gedeelte van de bijdrage, bedoeld in het tweede lid, over een periode gelijk aan de periode gelegen tussen de dag waarop het recht ontstond en de dag waarop de melding is geschied, maar met een maximum van vijf jaren. 4. Het College zorgverzekeringen is belast met de administratie, voortvloeiend uit het eerste lid en de daar genoemde internationale regels, alsmede met de heffing en de inning van de bijdrage, bedoeld in het tweede lid. 5. Bij ministeriële regeling: a. kan, in afwijking van het vierde lid, worden bepaald dat de bijdrage, bedoeld in het tweede lid, door een orgaan dat pensioen of rente uitkeert, op dat pensioen of die rente wordt ingehouden en aan het Zorgverzekeringsfonds wordt afgedragen; b. kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop het College zorgverzekeringen zijn taak, bedoeld in het vierde lid, uitoefent of de organen, bedoeld in onderdeel a, de in dat onderdeel bedoelde werkzaamheden uitvoeren.
23. Op basis van artikel 69 Zvw is Appellant aangemerkt als bijdrageplichtige.
IV. GRONDEN VAN HET BEROEPSCHRIFT
24. De gronden voor het beroep zijn de volgende:
IV.a Primair a) De artikelen 28 en 28bis van Verordening 1408/71 bevatten geen dwingende aanwijsregel uit hoofde waarvan geëmigreerde AOW-gerechtigden van rechtswege onderworpen zijn aan het verstrekkingenregime van het woonland. Die bepalingen belichamen slechts een recht waarvan de gepensioneerde werknemer kan kiezen al dan niet gebruik te maken. Dat keuzerecht vloeit voort uit het systeem van Verordening 1408/71 en Verordening 574/72, mede bezien in het licht van artikelen 39 en / of 18 EG-Verdrag. b) Nu Appellant zich niet heeft ingeschreven bij het ziekenfonds van zijn woonplaats, zijn de artikelen 28 en 28bis van Verordening 1408/71 niet op Appellant van toepassing. Dit betekent dat het woonland Spanje geen kosten in rekening mag brengen aan Nederland terzake van (inexistente) prestaties ten behoeve van Appellant. c) Aangezien Nederland uitsluitend bijdragen mag heffen van pensioentrekkers waarvan de prestaties te haren laste komen, kan Artikel 69 Zvw niet worden toegepast op Appellant. d) Een en ander leidt er toe dat het Besluit dient te worden vernietigd.
IV.b Subsidiair a) Wanneer uw afdeling concludeert dat Verordening 1408/71 en de toepassingsverordening 574/72 niet de ruimte bieden voor de primair aangevoerde uitleg dat de artikelen 28 en 28bis van Verordening 1408/71 en artikel 29 van Verordening 574/72 een keuzerecht inhouden, dan dienen die bepalingen onverbindend te worden verklaard, voorzover zij niet voorzien in de mogelijkheid te kiezen al dan niet gebruik te maken van het geboden recht. Die onmogelijkheid levert namelijk een belemmering van het vrij verkeer van personen, zoals gewaarborgd door de artikelen 39 en 18 EG-Verdrag en Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van de burgers van de Unie en hun familieleden om zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven.[2] b) Door niet te voorzien in een keuzemogelijkheid, wordt door een éénzijdige wijziging van de zorgverzekeringswetgeving in Nederland de situatie gecreëerd waardoor de levensstandaard van AOW-gerechtigden die in een andere lidstaat dan Nederland wonen zodanig aangetast dat er sprake is van een belemmering van het vrij verkeer van personen. Die aantasting wordt veroorzaakt door een (i) verlaging van de dekking van zorg- en ziektekosten door gedwongen aansluiting bij het woonlandpakket, terwijl er (ii) tegelijkertijd sprake is van een verhoging van de bijdragen en premies die Appellant moet betalen en (iii) Appellant geen aanspraak meer kan maken op (lopende) behandelingen in het pensioenland Nederland. De enige oplossing om de levensstandaard die Appellant had voor 1 januari 2006 te garanderen is, bij het ontbreken van een keuzerecht, terugkeren naar Nederland. Zulks is in strijd met het vrij verkeer van personen. c) Dit leidt tot de conclusie dat het Besluit dient te worden vernietigd.
V. NADERE TOELICHTING OP DE GRONDEN
V.a PRIMAIR
V.a.1 De artikelen 28 en 28bis van Verordening 1408/71 bevatten een keuzerecht
25. Appellant heeft zich als buiten Nederland woonachtige AOW-gerechtigde dienen te melden bij CVZ. De meldingsplicht bij CVZ ingevolge artikel 69 Zvw vindt zijn grondslag uitsluitend in de aan CVZ in diezelfde wetsbepaling opgelegde taak om de op Nederland rustende verplichtingen ten aanzien van verdragsgerechtigden te kunnen administreren en de verplichte bijdrage te kunnen innen. De verplichte bijdrage vindt haar grondslag (en mogelijke rechtvaardiging in het licht van het EG-recht) uitsluitend in het feit dat Nederland gehouden is op forfaitaire basis de kosten van verstrekkingen te vergoeden waarop verdragsgerechtigden uit hoofde van artikel 28 resp. 28bis van Verordening 1408/71 in hun woonland na inschrijving bij het ziekenfonds aldaar aanspraak kunnen maken.
26. Artikel 69 Zvw heeft echter niet de dwingende werking die CVZ daaraan toedicht. CVZ miskent dat in het buitenland woonachtige gepensioneerden met een Nederlands pensioen onder Verordening 1408/71 niet verplicht zijn zich te doen registreren bij een ziekenfonds in hun woonplaats. Voorts geldt dat wanneer een AOW-gerechtigde van zijn recht daartoe geen gebruik wenst te maken, Nederland ook niet gerechtigd is enige bijdrage van de betreffende AOW-gerechtigde te heffen. Wanneer artikel 69 Zvw conform de regeling van de artikelen 28 en 28bis van Verordening 1408/71 en artikel 29 van Verordening 574/72 wordt uitgelegd, dient artikel 69 Zvw buiten toepassing te blijven jegens iedere AOW-gerechtigde die zich niet doet registeren bij het ziekenfonds van zijn woonplaats, resp. die registratie intrekt.
27. De regeling van de artikelen 28 en 28bis van Verordening 1408/71 – die zijn opgenomen in Titel III van de Verordening - en artikel 29 van Verordening 574/72 is van geheel andere aard dan de dwingende aanwijsregels van Titel II van Verordening 1408/71. Ingevolge de bepalingen van Titel II is een migrerende werknemer in beginsel van rechtswege aangesloten bij het socialezekerheidsstelsel dat door de in het concrete geval toepasselijke bepaling wordt aangewezen, zonder dat de werknemer daartoe enige bijkomende handeling dient te verrichten. De artikelen 28 en 28bis brengen daarentegen geen aansluiting bij een nationaal stelsel tot stand.
28. Ingevolge artikel 29 van Verordening 574/72 dient de AOW-gerechtigde zichzelf (en zijn gezinsleden) te doen inschrijven bij het ziekenfonds van zijn woonplaats "om op het grondgebied van de lidstaat waar hij woont in aanmerking te komen voor verstrekkingen". Inschrijving is een noodzakelijke voorwaarde om voor verstrekkingen in aanmerking te kunnen komen. Er is geen sprake van een wettelijke verplichting tot inschrijving tout court. Er is ook geen sprake van een wettelijk recht op verstrekkingen dat ontstaat ongeacht de wil van de betrokke. Er staat geen sanctie op het niet inschrijven, anders dan dat geen recht op verstrekkingen tot stand komt.
29. De tekst en het systeem van de Verordeningen laten derhalve geen ruimte voor het construeren van een dwingende aanwijsregel.
V.a.2 Weerlegging van overwegingen van het CVZ in het besluit op bezwaar
Keuzerecht
30. CVZ verwijst terecht naar het arrest van het Hof van Justitie van 4 juli 1990 in zaak C-117/89, Kracht (Jurispr. 1990, blz. I-2781), maar verbindt daar de onjuiste gevolgtrekking aan. Het Hof van Justitie heeft in dat arrest (r.o. 16) aangegeven dat waar het recht op gezinsbijlagen bestaat op grond van artikel 73 van Verordening 1408/71 de rechthebbende niet kan worden gedwongen om dat recht uit te oefenen. Dat zou namelijk leiden tot een beperking van de mogelijkheden waarover de migrerende werknemer beschikt.
31. Op die manier moeten ook de artikelen 28 en 28bis van Verordening 1408/71 worden geïnterpreteerd. De AOW-gerechtigde heeft in zijn woonland recht op ziektekostenverstrekkingen, maar kan niet worden gedwongen daarvan gebruik te maken. Zouden die bepalingen daarentegen (zoals de Minister van VWS meerdere malen heeft aangegeven tijdens de parlementaire behandeling van de Zvw) als een dwingende regel moeten worden gezien, dan zou dat net als in zaak C-117/89, Kracht leiden tot een beperking van de mogelijkheden waarover de emigrerende AOW-gerechtigde dankzij de artikelen 28 en 28bis van Verordening 1408/71 beschikt.
32. De Minister van VWS erkent overigens wel de mogelijkheid van het niet doen inschrijven van een AOW-gerechtigde bij het ziekenfonds van zijn woonplaats en erkent daarmee dat voor inschrijving geen verplichting bestaat. Daarnaast
"De verzekeringsinstelling van het woonland kan het forfait in rekening brengen als betrokkene zich met het E-121formulier heeft aangemeld. Meldt betrokkene zich niet aan, dan vindt geen inschrijving plaats in het woonland ten laste van Nederland en vindt geen kostenafrekening plaats met het buitenland. Betrokkene is wel de verdragsbijdrage verschuldigd."(TK 2005-2006, 29689, nr. 84, p. 3)
33. Ook het CVZ bevestigt in het Besluit dat Appellant niet verplicht is zich in te schrijven met het E-121 formulier.
"Het CVZ is met u van mening dat het antwoord op de vraag of recht op zorg bestaat in de zin van artikel 69, lid 1, Zvw, niet voortvloeit uit de Zorgverzekeringswet, maar uit de toepasselijke internationale regeling, in uw geval de Verordening. In tegenstelling tot u is het CVZ echter van mening dat dit recht op zorg bestaat los van de vraag of de betrokken persoon medewerking verleent aan de administratieve handelingen die nodig zijn om dit recht te concretiseren."
34. Die conclusie van het CVZ is onjuist. Zolang een AOW-gerechtigde zich niet heeft ingeschreven met het E-121 formulier, heeft hij geen recht op de dekking van ziektekosten en is hij dus niet Verdragsgerechtigd. Het inschrijven heeft namelijk een constitutief effect. Wanneer een AOW-gerechtigde zich alsnog inschrijft, verkrijgt hij niet met terugwerkende kracht recht op vergoeding van verstrekkigen over de periode waarin hij tot inschrijving gerechtigd was, maar niet was ingeschreven. Dit wordt door CVZ miskend.
Dat het E-121 formulier een constitutief element heeft blijkt uit de gevallen die de Nationale Ombudsman noemt in zijn rapport "Zorg(en) in het buitenland - Over de uitvoering van de Zorgverzekeringswet voor gepensioneerden en uitkeringsgerechtigden in het buitenland" van 5 september 2006 (nr. 2006/300). Het rapport is bij dit beroepschrift gevoegd als Bijlage 2.
Bijdrageplicht
35. De opmerking van de Minister dat er wel een verdragsbijdrage is verschuldigd, ondanks dat een AOW-gerechtigde zich niet inschrijft met het E-121 formulier, is onjuist. Overigens is ook het CVZ deze onjuiste mening toegedaan, zoals blijkt uit de conclusie van het Besluit. Wanneer het woonland geen kosten in rekening brengt / kan brengen bij gebrek aan inschrijving met het E-121 formulier in het woonland, heeft het pensioenland Nederland namelijk geen heffingsrecht op grond van artikel 33 van Verordening 1408/71.
36. In tegenstelling tot wat CVZ concludeert, is de grondslag van de bijdrageplicht niet te vinden in "solidariteit". De grondslag is neergelegd in artikel 69 Zvw. Nederland is slechts gerechtigd de in artikel 69 Zvw genoemde bijdrage te heffen voor zover het EG-recht - meer in het bijzonder het vrij verkeer van personen en Verordening 1408/71 - daartoe ruimte laat. Artikel 33 van Verordening 1408/71 kent Nederland slechts onder voorwaarden de bevoegdheid toe om te heffen.
37. Artikel 33 lid 1 van Verordening 1408/71 luidt als gezegd als volgt:
"Het orgaan van een Lid-Staat dat een pensioen of rente verschuldigd is en dat een wettelijke regeling toepast waarin is bepaald, dat voor rekening van een pensioen of rentetrekker bijdragen of premies worden ingehouden om de kosten van de prestaties bij ziekte en moederschap te dekken, is gemachtigd deze bedragen, berekend overeenkomstig de betrokken wettelijke regeling, in te houden op het pensioen of de rente welke dit orgaan verschuldigd is, voorzover de prestaties krachtens de artikelen 27, 28, 28 bis, 29, 31 en 32 voor rekening van een orgaan van bedoelde Lid-Staat komen."(onderstreping toegevoegd)
38. Uit de toevoeging van de laatste bijzin die begint met "voorzover", blijkt dat Nederland niet van iedere AOW-gerechtigde die in een andere lidstaat dan Nederland woont een bijdrage mag heffen of mag stellen dat die persoon bijdrageplichtig is. Die AOW-gerechtigde wordt volgens artikel 33 van Verordening 1408/71 pas bijdrageplichtig wanneer Nederland de kosten voor die AOW-gerechtigde in rekening krijgt gebracht door de woonstaat van de AOW-gerechtigde. Zolang de woonstaat van de AOW-gerechtigde geen kosten in rekening brengt c.q. mag brengen bij Nederland, is Nederland niet gerechtigd enige bijdrage te heffen terzake van ziektekosten.
39. De woonstaat is pas gerechtigd de kosten bij Nederland in rekening te brengen wanneer de AOW-gerechtigde zich met zijn E-121 formulier inschrijft bij het ziekenfonds van zijn woonplaats. Wanneer hij dat niet doet, heeft de AOW-gerechtigde geen recht op ziektenkostendekking door zijn woonstaat en kan die woonstaat geen kosten in rekening te brengen bij Nederland. De eventuele ziektekosten die worden gemaakt ten behoeve van de AOW-gerechtigde komen dan ook niet voor rekening van de woonstaat, maar zoals in het geval van Appellant, voor rekening van zijn particuliere ziektekostenverzekeraar.
40. Zolang de AOW-gerechtigde geen gebruik maakt van het recht dat de artikelen 28 en 28bis van Verordening 1408/71 hem toekent, mag de woonstaat geen kosten in rekening brengen bij de pensioenstaat Nederland. Zolang Nederland geen kosten in rekening worden gebracht, verkrijgt Nederland niet het heffingsrecht waarin artikel 33 van Verordening 1408/71 voorziet en mag Nederland een AOW-gerechtigde niet aanmerken als bijdrageplichtige en bijdragen inhouden op zijn AOW-uitkering.
41. CVZ geeft ten onrechte aan dat of een AOW-gerechtigde al dan niet gebruik maakt van zijn recht op ziektekostenverzekering irrelevant is voor de vraag of hij bijdrageplichtig is, aangezien de bijdrage volgens CVZ is gebaseerd op solidariteit. Dat laatste is dus niet het geval. Zoals reeds aangegeven laat artikel 33 van Verordening 1408/71 Nederland slechts onder de daar genoemde voorwaarden, het recht om te heffen. En dat is wel een dwingende regel, waarvan niet kan worden afgeweken.
Overigens is het woord "solidariteit" hier misplaatst, aangezien elke (verticale) solidariteit met buiten Nederland wonende AOW-gerechtigden ontbreekt in de Zvw. Doordat de bijdrage wordt gerelateerd aan de gemiddelde kosten van verstrekkingen aan de gehele bevolking[3], is de bijdrage in veel gevallen hoger dan het bedrag dat Nederland onder de Verordening moet afdragen aan het woonland. Terwijl kosten van verstrekkingen aan 65+-ers uit solidariteitsoverwegingen juist in belangrijke mate door jongeren (moeten) worden opgebracht, maakt Nederland zelfs "winst" op in het buitenland wonende gepensioneerden. Met "solidariteit heeft dat niets te maken.
42. Nu er geen verplichting bestaat tot inschrijving met een E-121 formulier –, hetgeen ook is erkend door de Minister van VWS –, is CVZ ten onrechte tot de conclusie gekomen dat Appelant Verdragsgerechtigde is en bijdrageplichtig.
43. CVZ heeft het keuzerecht miskend door voordat Appellant zich überhaupt had ingeschreven / had kunnen inschrijven, reeds bij toezending van het E-121 formulier Appellant als Verdragsgerechtigde en bijdrageplichtige aan te merken. Derhalve dient het Besluit te worden vernietigd.
V.a.3 Situatie voor 1 januari 2006 bevestigt het bestaan van het keuzerecht
Verzekering van ziektekosten: ziekenfonds en particuliere verzekering
44. Illustratief voor het bestaan van een keuzerecht is de manier waarop de regelgeving voor particulier verzekerde buiten Nederland wonende AOW-gerechtigden voor 1 januari 2006 van verdragsgerechtigdheid uitsloot. Een belangrijk deel van de gemigreerde AOW-gerechtigden was niet onderworpen aan de Nederlandse sociale ziektewetgeving vastgelegd in de Ziekenfondswet ("Zfw"). Slechts voor gemigreerde ziekenfondsverzekerde AOW-gerechtigden gold het systeem van artikel 28 / 28bis van Verordening 1408/71 al voor 1 januari 2006.
45. De socialezekerheidspositie van gemigreerde particulier verzekerde AOW-gerechtigden in het woonland kon van geval tot geval sterk uiteenlopen. In de meeste gevallen waren migrerende gepensioneerden evenmin verzekerd ingevolge het socialezekerheidsstelsel van hun woonland (namelijk in de landen die werknemersverzekeringsstelsels kennen). Voorbeelden zijn België en Frankrijk. Sommige landen kennen een recht op verstrekkingen voor alle ingezetenen die worden gefinancierd uit de algemene middelen (dat wil zeggen een volksverzekering zonder premieplicht). De belangrijkste voorbeelden zijn het Verenigd Koninkrijk, Zweden en een groot aantal comunidades in Spanje. Weer andere landen voorzien in een verplichte verzekering met premieplicht voor ingezetenen (dit geldt voor sommige Spaanse comunidades).
46. In de grote meerderheid van de gevallen waren in het buitenland wonende pensioengerechtigden tot 1 januari 2006 particulier verzekerd, al dan niet in aanvulling op aansluiting bij het socialezekerheidsstelsel van het woonland. Dit hangt mede samen met het feit dat de kwaliteit van en de vergoedingen voor verstrekkingen ingevolge de socialezekerheidsregelingen van de woonlanden pleegt achter te blijven bij datgene wat onder Nederlandse verzekeringen placht/pleegt te worden geboden.
In tegenstelling tot de in Nederland geboden dekking van ziektekosten hebben gepensioneerden onder het Spaanse ziektekostenstelsel geen volledig vrije artsenkeuze, in het geheel geen vrije ziekenhuiskeuze; onder het Belgische stelsel dienen verzekerden substantiële inkomensafhankelijke eigen bijdragen te betalen, die kunnen oplopen tot duizenden euro's per jaar en kosten van ziekenhuisopnamen worden voor niet meer dan 60 tot 70% vergoed; in Frankrijk is dit niet anders.]
47. Door Appellant aan te merken als Verdragsgerechtigde en bijdrageplichtig miskent CVZ volledig dat Appellant tot 1 januari 2006 als particulier verzekerde AOW-gerechtigde placht te beschikken over een verzekeringsdekking die een zeer veel uitgebreidere dekking verschafte dan de basisvoorzieningen in het woonland. CVZ kiest er bewust voor deze gepensioneerden terug te werpen op het basisniveau van de sociale zekerheid in het woonland in "ruil" voor een zeer hoge verplichte bijdrage aan de (Nederlandse) Staat, en met verlies van de zekerheid van de bestaande particuliere dekking door hen als Verdragsgerechtigde aan te merken. Het aanmerken door het CVZ als Verdragsgerechtigde doet afbreuk aan de verzekeringspositie van de buiten Nederland wonende pensioengerechtigde.
48. Voor pensioengerechtigden is voorts van belang dat zij in geval van grote ingrepen desgewenst kunnen terugvallen op artsen en ziekenhuizen uit hun land van herkomst, mede vanwege lopende behandelingen die zijn gecontinueerd na emigratie, aanwezigheid van familie na of tijdens de behandeling, de mogelijke taalproblemen, etc. De particuliere verzekeringen voorzien in dekking van dergelijke verstrekkingen.
49. De betreffende AOW-gerechtigden waren in de meeste gevallen aangesloten bij een Nederlandse particuliere ziektekostenverzekering. Veelal hadden zij hun binnenlandse verzekering op enigszins aangepaste condities gecontinueerd nadat zij Nederland metterwoon hadden verlaten. De poliskosten waren in de regel ook niet noemenswaardig hoger dan die voor aangeslotenen met een "binnenlanddekking". Voor tal van gepensioneerden gold voorts dat zij na hun pensionering aangesloten waren gebleven bij de collectieve particuliere ziektekostenregeling van hun voormalige werkgever. Hun pensionering leidde niet tot wijziging van de verzekeringsdekking of van de verschuldigde premie.
50. Tot slot: particuliere ziektekostenverzekeraars plachten ten behoeve van buiten Nederland wonende verzekerden onder meer contracten af te sluiten met artsen ter plaatse die de Nederlandse taal machtig waren, teneinde aldus deze verzekerden in staat te stellen in hun woonland te worden geholpen door Nederlandstalige artsen conform de in Nederland vigerende standaarden. Ook dat komt te vervallen door het feit dat Appellant door het CVZ is aangemerkt als Verdragsgerechtigde en de daaropvolgende opzegging van zijn particuliere verzekering.
Verzekering van zorgkosten onder de AWBZ: bewuste uitsluiting door Nederland
51. Waar in Nederland in het sociale ziektekostenstelsel onderscheid werd gemaakt tussen ziekenfonds en particuliere verzekeringen, werd in het sociale zorgkostenstelsel in de vorm van AWBZ een dergelijk onderscheid niet gemaakt. In beginsel waren Nederlandse ingezetenen AWBZ-verzekerd, ongeacht of zij ziekenfonds of particulier waren verzekerd. De hoofdregel / het systeem van artikel 28 / 28bis van Verordening 1408/71 zou er dan voor hebben gezorgd dat een buiten Nederland wonende particulier verzekerde AOW-gerechtigde Verdragsgerechtigde was geweest. Immers, had hij in Nederland gewoond, dan was hij AWBZ-verzekerd geweest en dus voldoet hij aan de criteria gesteld in artikel 28 / 28bis van Verordening 1408/71 en heeft hij het recht aanspraak te maken op het woonlandpakket (althans in ieder geval voor de verstrekking van zorg - daargelaten dat die verstrekkingen naar het nationale recht van het woonland in de meeste landen inexistent zijn of niets voorstellen).
52. Nederland had echter een uitzondering doen laten opnemen die inbreuk maakt op de hoofdregel van artikel 28 / 28bis van Verordening 1408/71, door in Bijlage VI van Verordening 1408/71 (nationale toepassingsmodaliteiten) de navolgende passage te laten opnemen: "1 ziektekosten 53. Door in Bijlage VI voorgaande bepaling op te nemen, werden artikel 28 / 28bis van Verordening 1408/71 voor particulier verzekerde AOW-gerechtigden buitenwerking gesteld. Daardoor konden zij geen enkel recht konden ontlenen, hoewel zij daar op grond van het volksverzekeringskarakter van de AWBZ - althans voor wat betreft AWBZ-achtige verstrekkingen - in beginsel wel aanspraak op zouden kunnen maken.
54. Het feit dat Nederland tot 1 januari 2006 via de band van Bijlage VI bij Verordening 1408/71 particulier verzekerden van het recht op AWBZ-achtige verstrekkingen in het woonland heeft uitgesloten doet eens te meer de vraag rijzen waarom het CVZ diezelfde gepensioneerden vanaf 1 januari 2006 opeens dwingt om op diezelfde verstrekkingen in het woonland aanspraak te maken en hen niet het keuzerecht te laten.
55. De door Nederland tot 1 januari 2006 gehanteerde regeling onderstreept de ongeloofwaardigheid van het thans door het CVZ ingenomen standpunt dat migrerende gepensioneerden binnen het systeem van Verordening 1408/71 te allen tijde gedwongen zouden zijn zich te onderwerpen aan het verstrekkingenregime van het woonland en miskent het keuzerecht. Immers het valt niet in te zien waarom dit recht tot 1 januari 2006 via een speciale uitzonderingsbepaling voor wat betreft de AWBZ aan Nederlandse particulier verzekerde gepensioneerden heeft onthouden.
56. Het feit dat tot 1 januari 2006 aan een particulier verzekerde AOW-gerechtigde het recht op verstrekking van artikel 28 / 28bis van Verordening 1408/71 heeft onthouden, onderstreept eens te meer dat in die bepalingen een keuzerecht besloten moet liggen. Het keuzerecht is noodzakelijk om migrerende gepensioneerden in staat te stellen zich aan de evidente nadelen van het in casu door de Nederlandse wetgever speciaal voor hen ontworpen dwangbuismodel te onttrekken.
V.a.4 Aanwijsregels van Titel II voorzien in opt-out mogelijkheid specifiek voor gepensioneerde werknemers in woonland
57. Titel II van Verordening 1408/71 bevat in artikel 17bis een uitzonderingsbepaling op het stelsel van dwingende aanwijsregels, die specifiek is bedoeld voor gepensioneerde werknemers. De betreffende bepaling luidt als volgt:
"Degene die recht heeft op een pensioen of rente overeenkomstig de wettelijke regeling van een Lid-Staat of op pensioenen of renten krachtens de wettelijke regelingen van verscheidene Lid-Staten en die op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont, kan op zijn verzoek worden vrijgesteld van de toepassing van de wettelijke regeling van deze laatste Lid-Staat mits hij niet uit hoofde van de uitoefening van een beroepswerkzaamheid aan deze wettelijke regeling is onderworpen."
58. Ingevolge deze bepaling kan de gerechtigde tot een Nederlands pensioen op diens verzoek worden vrijgesteld van aansluiting bij het socialezekerheidsstelsel van zijn woonland (met inbegrip van de sociale zekerheidsregeling inzake ziektekosten). Deze bepaling is met name relevant voor gepensioneerden die in het woonland naar het recht van dat land verplicht aangesloten zijn bij takken van sociale zekerheid. De betreffende gepensioneerden hebben een ongeclausuleerd recht[4] om desgevraagd van aansluiting bij de sociale zekerheid te worden vrijgesteld. De betreffende bepaling in de Verordening maakt geen onderscheid al naar gelang tevens sprake is van aansluiting bij de sociale zekerheid van het woonland noch naar gelang al dan niet sprake is van premieplichtigheid in het woonland. De Verordening laat onmiskenbaar de mogelijkheid open dat de pensioengerechtigde ervoor kan kiezen nergens (noch in het woonland noch in het pensioenland) verzekerd te zijn.
59. Ingevolge artikel 17bis staat het gepensioneerden in bijvoorbeeld Spanje vrij om op verzoek te worden vrijgesteld van aansluiting bij de socialezekerheidsregelingen inzake ziektekosten, zowel in de comunidades die een premieplicht kennen als in de comunidades die geen premieplicht kennen. Gepensioneerden die een dergelijk verzoek indienen, vallen niet langer binnen het bereik van artikel 28bis van de Verordening, maar zouden automatisch binnen het bereik van artikel 28 komen. Er kan – uiteraard – geen sprake van zijn dat het wilsrecht dat in artikel 17bis besloten ligt doorkruist zou kunnen worden door een automatische indirecte aansluiting bij de wetgeving van het woonland uit hoofde van artikel 28 van Verordening 1408/71.
Overigens meent Appellant dat indiening van een verzoek ex artikel 17bis strikt genomen niet nodig is om de toepassing van het regime van artikel 28bis te vermijden: het afzien van registratie ex artikel 29 van Verordening 574/72 zou voldoende moeten zijn. Hoe dit zij: geen verdragsgerechtigde kan via de toepassing van de artikelen 28 en 28bis gedwongen worden een recht geldend te maken waarvan hij op grond van artikel 17bis nu juist afstand moet kunnen doen.
60. Het is evident dat ook in die gevallen waarin artikel 17bis buiten beeld blijft omdat een migrerende pensioengerechtigde in zijn woonland naar nationaal recht niet is aangesloten bij de socialezekerheidswetgeving, niet via de achterdeur van artikel 28 een indirecte aansluitplicht kan worden geconstrueerd. |