BRIEF RECHTBANK AMSTERDAM KAN U MOGELIJK OP HET VERKEERDE BEEN ZETTEN
Velen hebben de afgelopen maanden een beroepschrift voorgelegd aan de Rechtbank Amsterdam, bijvoorbeeld omdat men het niet eens met de jaarafrekening en/of men het niet eens is met een ander besluit in het kader van de Zvw-bijdrage.
Vanaf begin maart 2011 is de griffier van de voornoemde Rechtbank gestart om het merendeel van diegenen die in beroep zijn gegaan aan te schrijven en hij heeft bij dit schrijven een kopie gevoegd van het Arrest van 14 oktober 2010 van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
De griffier vraagt u om binnen 4 weken antwoord te geven op de vraag of u de beroepsprocedure wilt voortzetten en zo ja welke geschilpunten er na het Arrest van het Hof nog tussen u en het CVZ bestaan. De griffier stelt hierbij: “In het licht van dit arrest, waarin het Hof onder meer het beroep op het keuzerecht heeft verworpen, wil ik u vragen of u uw beroep bij de Rechtbank wenst voort te zetten.”
Aangezien alleen maar datgene dat verworpen is wordt benadrukt, ademt de brief van de griffier de boodschap uit dat er toch niet veel meer te bereiken zou zijn en het wellicht te overwegen zou zijn om maar van uw beroepsprocedure(s) af te zien.
Mocht u desalniettemin de beroepsprocedure(s) toch willen voortzetten, dan vraagt de griffier u om het Arrest maar eens goed te bestuderen en vervolgens kijkend naar uw eigen beroepschrift te bepalen wat er nog aan geschilpunten overblijft voordat u besluit om verder te gaan.
Om meerdere redenen is het voorgaande niet acceptabel en wordt u in de beroepsprocedure zelfs in een achtergestelde positie gemanoeuvreerd. Waarom een achtergestelde positie zult u zich afvragen. Het voornoemde Arrest is niet een op zich zelf staande uitspraak, maar deze uitspraak is gedaan naar aanleiding van de door de Centrale Raad van Beroep gestelde prejudiciële vragen aan het Hof inzake een vijftal hoger beroepsprocedures waarbij CVZ van alle details op de hoogte is. Nadat het Arrest tot stand was gekomen heeft de Centrale Raad van Beroep vragen voorgelegd aan het CVZ.
Omdat het CVZ en de Centrale nog in conclaaf zijn over de interpretatie en toepasselijkheid van het Arrest van het Hof, terwijl u hierover tot op heden nog niet bent geïnformeerd, zet u in de beroepsprocedure op achterstand. En dit is in de rechtspraak ontoelaatbaar.
Daarom het volgende advies. Laat de griffier weten dat u de beroepsprocedure wenst voort te zetten en geef tevens aan dat het Arrest op zich zichzelf onvoldoende basis biedt om aan het verzoek van de griffier te voldoen en u zich bovendien in een achtergestelde positie bevindt omdat CVZ en de Centrale Raad van Beroep nog in conclaaf zijn over de interpretatie en toepasselijkheid van het Arrest, terwijl u van dit vervolg op het Arrest geen kennis draagt.
Diegenen die al te kennen hebben gegeven de beroepsprocedure niet te willen voortzetten zouden zich in tweede aanleg nog kunnen beroepen op het feit, dat men eerst recentelijk over de achtergestelde positie is geïnformeerd en daarom alsnog tot voortzetting van de procedure besluit.
De VNGS leden kunnen bij hun bestuur verzoeken om ondersteuning bij het beantwoorden van de brief van de griffier.
Theo Sanders
Minister reageert op de bezwaren van Nederlandse gepensioneerden in het buitenland
Bron: website Wonen en leven in Frankrijk
www.infofrankrijk.com.

Minister Edit Schippers
De laatste fase van de processen die Nederlandse gepensioneerden in het buitenland voeren tegen de gevolgen van de invoering van de Zorgverzekeringswet in 2006, speelt zich de komende weken af. De minister van Volksgezondheid is niet op het verzoek van de Stichting Belangenbehartiging Nederlandse Gepensioneerden ingegaan om in deze laatste fase een schikking te treffen. Desgevraagd legt de woordvoerder van minister Edit Schippers uit dat men bij het ministerie van VWS aan het verkeerde adres is.
De zienswijze van de minister over de zich voortslepende kwestie luidt als volgt: 'Op grond van de Europese sociale zekerheidsverordening hebben personen die een Nederlands wettelijk pensioen of uitkering ontvangen in hun woonland ten laste van Nederland een verdragsrecht op de medische zorg zoals die is geregeld in de sociale ziektekostenregeling van dat land (woonlandpakket). Betrokkenen zijn hiervoor een bijdrage aan Nederland verschuldigd, die door middel van de woonlandfactor wordt gerelateerd aan het verschil in zorgkosten per verzekerde tussen Nederland en het woonland. Nederland heeft het verdragsrecht per 1 mei 2010 verruimd door betrokkenen ook de mogelijkheid te bieden gebruik te maken van zorg in Nederland (AWBZ en Zvw-pakket).
'Het Europees Hof heeft in zijn uitspraak van 14 oktober 2010 in zaak C 345/09 (Van Delft e.a.) de opvatting van Nederland bevestigd, dat het hier gaat om een verplichte dekking en dat Nederland hiervoor een bijdrage mag heffen. Het Hof wijst betrokkenen erop dat de Verordening – in tegenstelling tot hetgeen beweerd wordt – juist is gemaakt met als doel het vrij verkeer in Europa te bevorderen en dat Nederland hieraan nog een verdere bijdrage heeft geleverd door de introductie van de woonlandfactor.
'De Stichting Belangenbehartiging Nederlandse Gepensioneerden in het Buitenland heeft aangegeven dat veel particuliere verzekeraars in 2006 van de gelegenheid van de invoering van de Zorgverzekeringswet gebruik hebben gemaakt om polissen met in het buitenland wonende verzekerden op te zeggen of de premie aanmerkelijk te verhogen. Deze signalen hebben VWS ook bereikt. Hoewel dergelijke premieverhogingen volgens de Nederlandse rechter niet onredelijk waren, aangezien het draagvlak van de verzekeringen verkleind was, kan ik mij voorstellen dat betrokkenen onaangenaam verrast zijn geweest door de algehele opzegging van particuliere verzekeringen.
'Op grond van de Invoerings- en Aanpassingswet Zorgverzekeringswet zijn particuliere verzekeringen van personen die een verdragsrecht op grond van de Verordening kregen, van rechtswege beëindigd voor zover de dekking ervan door de Verordening (het woonlandpakket) werd overgenomen, teneinde te voorkomen dat betrokkenen een dubbele dekking zouden hebben. Voor het overige zijn deze verzekeringen door de Zorgverzekeringswet niet aangetast. Door de particuliere verzekeringen in hun geheel op te zeggen zijn enkele verzekeraars aanmerkelijk verder gegaan. Eventueel hieruit voortvloeiende schade moeten betrokkenen verhalen op de betreffende verzekeraars. Zij kiezen er echter voor de Nederlandse Staat hiervoor aansprakelijk te stellen, terwijl de Staat bij deze particuliere verzekeringsovereenkomsten geen partij is. Betrokkenen zijn met hun verzoek om een minnelijke (schadevergoedings)regeling dan ook aan het verkeerde adres.
'In de periode sinds de invoering van de Zorgverzekeringswet hebben medewerkers van VWS meerdere malen met vertegenwoordigers van de SBNGB van gedachten gewisseld. De klachten van betrokkenen zijn daarbij uitgebreid aan bod gekomen. Geconcludeerd kan worden dat op enkele punten een fundamenteel verschil van mening is blijven bestaan. Met betrekking tot het verplichte karakter van de dekking van de Europese sociale zekerheidsverordening en de bevoegdheid van Nederland om daarvoor een bijdrage te heffen, heeft het Europees Hof van Justitie op 14 oktober 2010 uitspraak gedaan waarbij de Nederlandse overheid in het gelijk is gesteld. Inmiddels zijn wij in de fase dat de laatste geschilpunten onder de nationale rechter zijn', aldus de uitleg van minister Edith Schippers (VVD) van VWS.
Bron: website Wonen en leven in Frankrijk www.infofrankrijk.com.
Telegraaf Repelsteel 14.03.2011
Als de minister onwaarheid spreekt….
Ja vroeger, als een minster toen tegen de Tweede Kamer onwaarheid sprak, dan was dat een doodzonde. De minister werd geacht af te treden en soms viel zelfs het Kabinet.
Maar wij leven nu in andere tijden en het tegenwoordige pluche heeft de eigenschappen van kleefband gekregen.
In politieke kringen heet doodgewoon liegen "onwaarheid spreken”. Hans Hillen zal moeten aantonen dat hij inderdaad nooit is ingelicht door zijn rechterhand bij het Ministerie van Defensie over de frauduleuze praktijken bij de Marine in Den Helder, zoals hij onlangs beweerde. Zo ja, dan heeft hij in de Tweede Kamer een zware onwaarheid gesproken. Koren op de molen van de oppositie. Die zit namelijk op het vinkentouw om dit Kabinet zo snel mogelijk naar huis te sturen. Dat is soms wel eens anders.
De laatste minister die tegen de Tweede Kamer een grove onwaarheid sprak was Hans Hoogervorst bij de Tweede Kamerdebatten over de toen nog in te voeren Zorgverzekeringswet.
Hans Hoogervorst had namelijk een grote groep Nederlandse bejaarden in het buitenland uitgesloten van de bescherming van hun opgebouwde rechten in hun ziektekostenverzekering die wel aan de bejaarden in Nederland werd gegeven. Hij vertelde de Kamer dat dit een Europese regel was en dat hij er verder niets aan kon doen. “Het moet van Europa”, zei hij zonder blikken of blozen, “ want anders krijgt Nederland een infractieprocedure aan haar broek”
Niks was minder waar. Maar de Kamer nam destijds genoegen met zijn uitleg, zocht het niet verder uit en de wet werd aangenomen. Duizenden Nederlandse bejaarden door heel Europa ondervonden de ellendige gevolgen van deze flagrante onwaarheid.
Maanden later ontdekten de SP en Groenlinks deze leugen. Agnes Kant en Kees Vendrik legden Hoogervorst het vuur na aan de schenen. Na lang aandringen kwam de aap uit de mouw en moest Hans Hoogervorst toegeven dat het helemaal niet moest van Europa. Hij kwam met het lamme excuus dat hij zich “vergist had”.
Moest Hoogervorst toen aftreden? Nee hoor, hij mocht blijven zitten, want op dat moment kwam een kabinetscrisis voor alle politieke partijen zeer slecht uit. Bovendien hadden allen in dit geval immers boter op het hoofd.
De getroffen bejaarden in achttien EU landen sloegen de handen ineen en een Stichting ter verdediging van de hun ontnomen rechten werd opgericht. Zij allen stortten naar vermogen bijdragen om een rechtszaak tegen de Nederlandse Staat te beginnen.
Nu, meer dan vijf jaar en vele rechtszaken later, heeft het Europese Hof aan Nederland de opdracht gegeven om eindelijk eens nauwkeurig uit te zoeken in hoeverre de Nederlandse Staat destijds in gebreke is gebleven en deze grote groep van tenminste 40.000 Nederlandse ouderen heeft gediscrimineerd.
Het is een doodzonde als een minister onwaarheid spreekt want dan kan de Tweede Kamer zijn controlerende functie niet meer naar behoren uitoefenen. De gevolgen kunnen desastreus zijn voor grote groepen mensen. Maar het is even erg als de Tweede Kamer, om eigen partijpolitieke redenen, vervolgens nalaat deze minister zijn congé te geven.
Telegraaf 16.03.2011
Toch extraatje 15.000 AOW'ers in buitenland
DEN HAAG - Ongeveer 15.000 gepensioneerden in het buitenland blijven volgend jaar toch recht hebben op de tegemoetkoming voor AOW'ers in hun koopkracht. Dat heeft minister Henk Kamp (Sociale Zaken) dinsdag geschreven aan de Eerste Kamer.

Minister Henk Kamp.
Het plan was eigenlijk om al dit jaar het extraatje voor AOW'ers te vervangen door een nieuwe regeling, die alleen voor Nederlandse belastingplichtigen geldt. Hierdoor zouden in 2011 ongeveer 270.000 AOW'ers in het buitenland de uitkering verliezen. Dat had een besparing van 105 miljoen euro moeten opleveren.
Maar het lukte vorig jaar niet om het plan voor 2011 door de Senaat te loodsen. Als het plan alsnog wordt doorgevoerd, raken volgend jaar 280.000 AOW'ers in het buitenland het extraatje kwijt. Dat geldt niet voor 15.000 personen, die vooral in Duitsland wonen, omdat zij voldoende Nederlandse belasting betalen.
BENIDORM BASTARDS BULLSHIT!
07-03-11 | 16:42
Telegraaf WUZzerr: Repelsteel senior | Leiden
Wat wordt er toch een nonsens geschreven over de Nederlanders aan de Costa Blanca. Ook het vriendelijke programma van omroep MAX , “Dokters aan de Costa”, bezondigt zich daaraan Er zouden ongeveer 60.000 Nederlanders permanent of semipermanent in de Costa Blanca regio wonen, volgens het programma van MAX.
Ik heb al eerder geschreven dat dit programma vaak zaken beweert die niet helemaal kloppen. Waarom doen zij niet wat nauwkeuriger onderzoek en gaan te rade bij meerdere personen die daar permanent wonen dan alleen af te gaan wat een daar wonende enkeling met een natte vinger beweert.
Neem nu het aantal Nederlanders die in die streek permanent of semipermanent daar wonen. Volgens de informatie van MAX zouden dat ongeveer 60.000 Nederlanders zijn. Hier zijn wat actuele gegevens:
De Costa Blanca telt ruim 4 miljoen inwoners. In deze streek is het een bijzonderheid dat er meer dan 50.000 buitenlanders min of meer permanent wonen. Op deze lijst komen 38.223 Nederlanders voor die geregistreerd staan als inwoner in Spanje, een toename van 7,41% ten opzichte van december 2009*. Dat is dus heel wat anders dan 60.000
Verder valt er nog te lezen:
“2010 sluit af met bijna 5 miljoen buitenlanders in Spanje”.
Gedurende 2010 zijn er 172.432 buitenlandse inwoners bijgekomen aldus het jaarlijkse rapport “Extranjeros residentes en España” welke op 1 maart werd gepresenteerd. 53% van deze buitenlanders zijn mannen terwijl 47% vrouwen zijn en de grootse groep buitenlandse residenten blijven de Roemenen gevolgd door Marokkanen*
Kijk dat maakt wel een heel ander plaatje dan omroep MAX over de Costa Blanca laat zien. Onder die 50.000 buitenlanders zijn ook veel andere nationaliteiten
Dokters aan de Costa is een aardig programma meer het geeft een absoluut eenzijdig en vertekend beeld over wat er zich daar zoal afspeelt.
Zeker op medisch gebied. Want die artsen zijn er voor hen die een Nederlandse ziektekostenverzekering hebben en niet voor de Nederlandse bejaarden die permanent aan de Costa Blanca wonen. Tenzij zij het artsenbezoek contant uit eigen zak betalen of als zij het geluk hebben gehad na de invoering van de Zorgverzekeringswet op de valreep nog een Spaanse ziektekostenverzekering te kunnen afsluiten. Maar ook dat kan helaas niet boven een bepaalde leeftijd, of als je financien niet toereikend zijn omdat je hoge bijdragen aan Nederland moet betalen sinds de invoering van de ZVW voor bijvoorbeeld AWBZ dat in Spanje niet bestaat.
INGEZONDEN BRIEF.
Von: Martien Schuddeboom <mschuddeboom@t-online.de>
Datum: 1. Februar 2011 12:45:07 MEZ
An: bartgommans@gmail.com, redactie@ingb.info, jan.vreeswijk@wanadoo.fr
Kopie: Theo SANDERS <sanderstheo@hotmail.com>
Betreff: Ledenwerving
Aan de besturen van ICNG, VNGB, VNGS en SBNGB.
Geachte dames, heren,
In december 2010 kwam ik voor het dilemma te staan, al of niet tegen een beslissing van het CVZ in beroep te gaan. Aangezien ik in juridische zaken nauwelijks ervaring heb, neigde ik er toe geen beroep in te stellen. Via het ICNG kwam ik echter in contact met de heer Theo Sanders, die aanbood mij behulpzaam te zijn. Een aanbod, dat ik met beide handen aangreep. Inmiddels is het beroepschrift ingediend, volledig door de heer Sanders geschreven en wel met totaal andere argumenten, dan ik zelf had kunnen bedenken. Ik ben hier uiteraard zeer dankbaar voor.
Nu kan ik mij voorstellen, dat er vele anderen zijn, die met betrekking tot de zo gewraakte ziektekostenverzekering eenzelfde soort problemen hebben, maar daar op grond van onvoldoende juridische kennis geen raad mee weten. In zo'n geval is een dergelijke hulp, zoals ik die nu ervaren heb, een zegen. Individuele ondersteuning tegenover de grote moloch, het CVZ.
Wellicht zou het te overwegen zijn dit soort service vanuit de diverse verenigingen van gepensioneerden in het buitenland aan hun leden aan te bieden en als zodanig ook algemeen bekend te maken. Met zekerheid zou dit het lidmaatschap aantrekkelijker maken, waardoor mogelijk toch nog velen zouden toestromen.
Met vriendelijke groet, Martien Schuddeboom.
NRC 24-02-2011
‘Zorgpremie volgend jaar 60 euro hoger’
door Marije Willems
De zorgpremie zal volgend jaar met ruim zestig euro toenemen. Dat blijkt uit nog vertrouwelijke en voorlopige cijfers van het Centraal Planbureau, die in het bezit zijn van het Financieele Dagblad.
Minister Edith Schippers van Volksgezondheid kondigde eerder dit jaar al aan dat de zorgpremie jaarlijks zal blijven stijgen. Om de kosten voor de zorg zo laag mogelijk te houden onderhandelt ze met de ziekenhuizen en de verzekeraars over een akkoord. Afgelopen jaren zijn de kosten met 7 procent per jaar gestegen. Nu moet die toename beperkt blijven tot 2,5 procent.
Cijfers CPB
Nederlanders moeten gemiddeld zo’n 1274 euro per jaar betalen voor hun ziektekostenverzekering in 2012. Het is voor het eerst dat het CPB verwachtingen over 2012 heeft gemaakt. De collectieve uitgaven stijgen volgens de berekeningen van het CPB naar 10,2% van het bruto binnenlands product in 2012. In 2000 bedroeg het aandeel van de collectieve zorguitgaven nog 6,3% van het totaal van wat in Nederland wordt verdiend.
Zorg wordt alsmaar duurder
De collectieve uitgaven voor de gezondheidszorg in Nederland stijgen dit én volgend jaar veel harder dan waar het kabinet rekening mee hield, schrijft het FD. Minister Jan Kees de Jager van Financiën voorziet een tegenvaller in de zorgkosten van 1 miljard euro dit jaar en volgend jaar zelfs van 1,5 miljard euro.
NRC-politiek redacteuren Antoinette Reerink en Jeroen Wester over de stijging van de zorguitgaven:
“Uitgaven voor de zorg stijgen al jaren en verdringen andere overheidsuitgaven voor bijvoorbeeld onderwijs of politie. In 1960 bedroegen de uitgaven 3 procent van het nationaal inkomen, dat is gestegen naar 19 procent in 2010.” Uit de stijgende uitgaven in de gezondheidszorg van 3,6 miljard euro vloeien de hogere premies voort.
“De premie van de basisverzekering zal deze kabinetsperiode met ruim een kwart stijgen. Dat komt doordat het kabinet niet bezuinigt op de zorg. De premie per volwassene per jaar stijgt naar circa 1.400 per jaar in 2015. De premie stijgt in fases tot 300 euro extra per jaar in 2015. Pas vanaf dan betaalt elke burger jaarlijks 300 euro meer dan nu.”
Ministerie van VWS wijst minnelijke schikking van de hand.
Onze advocaat bracht in zijn brief van 2 december 2010 aan de Minister van VWS over discriminatie bij invoering van de Zorgverzekeringswet o.a. het volgende naar voren.
“In zijn arrest van 14 oktober 2010 heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen uitdrukkelijk geoordeeld dat het beginsel van het vrije verkeer van burgers van de Unie als bedoeld in artikel 21 lid 1 VWEU in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling die een ongerechtvaardigd verschil in behandeling inhoudt voor wat betreft het behoud van de globale dekking tegen ziektekosten die ingezetenen en niet-ingezetenen hadden in het kader van vóór de inwerkingtreding van die wettelijke regeling (waarmee gedoeld wordt op de Zvw) gesloten ziektekostenverzekeringen. Het Hof laat het in het kader van de taakverdeling tussen de gemeenschapsrechter en de nationale rechter aan de laatste over om definitief de feiten vast te stellen op basis waarvan kan worden beoordeeld of van een dergelijke ongelijke behandeling sprake is.
Namens de Stichting Belangenbehartiging Nederlandse Gepensioneerden in het Buitenland en de bij haar aangesloten gepensioneerden bericht ik u dat dezen van oordeel zijn dat inderdaad sprake is van verboden discriminatie en dat zij voornemens zijn de bevoegde Nederlandse rechter te verzoeken zulks te bevestigen. De verwachting is dat de Nederlandse rechter zulks daadwerkelijk zal doen.
Als gevolg van de door het Hof geïdentificeerde discriminatie hebben tienduizenden in het buitenland wonende gepensioneerden ernstige schade geleden.
De Stichting realiseert zich dat een gerechtelijke procedure <gericht op verhaal van deze schade> jaren in beslag kan nemen en dat de proceskosten voor alle betrokken partijen hoog zullen zijn. Hoewel zij vastbesloten is ten behoeve van al degenen wier belangen zij behartigt datgene te doen wat nodig is opdat zij hun recht kunnen halen, bericht ik u onder verwijzing naar artikel 3:305a lid 2 BW dat de Stichting gaarne bereid is om de mogelijkheid van een minnelijke regeling te beproeven.”
Het ministerie heeft bij brief van 10 februari 2011 laten weten geen belangstelling te hebben voor een minnelijke schikking.
13-02-11
Telegraaf WUZzerr: Repelsteel senior | Leiden
EU bejaarden pikken het niet langer.
“Wij pikken het niet langer om op deze manier besodemieterd te worden”, brieste mijn oude vriend Herman uit Denemarken terwijl hij naast mij aan het cafétafeltje neerplofte. “Zeg, jij schrijft toch ook wel eens een stukje in de krant, kun jij daar nou niet eens een keertje over schrijven?”
“Rustig, rustig”, suste ik, “hier, neem eerst eens een kopje koffie en vertel dan eerst eens wat je allemaal dwars zit”.
Diepe zucht. “Nadat ik vijf jaar geleden naar Denemarken ben verhuisd, heb ik alleen maar ellende ondervonden. Vanwege die ellendige zorgverzekeringswet, weet je wel. Alisa, mijn vrouw moet zelfs weer een baan gaan zoeken omdat wij hier plotseling dubbel gingen betalen voor onze ziekenzorg. Aan Denemarken en dat is niet meer dan natuurlijk, maar Nederland begon opeens ook bijdragen te innen en die zijn niet mis”.
“Als ik vragen mag, hoe oud zijn jullie eigenlijk?” vroeg ik voorzichtig.
“Nou, ik ben in de zeventig en Alisa is nu bijna vijfenzestig jaar. Ze kan alleen maar tijdelijke baantjes aannemen en die liggen niet voor het oprapen, zeker niet op haar leeftijd, want ook in Denemarken heerst schaarste op de arbeidsmarkt. Zeker als je de taal niet helemaal tot in de puntjes beheerst”.
“Er bestaat een internationale vereniging voor Nederlandse bejaarden in het buitenland. Deze vereniging voert al sinds vijf jaar rechtszaken om dit soort onrecht aan te vechten”, zei ik.
“Weet ik”, antwoordde hij, “ik volg die op de voet, maar het is zo oneerlijk wat er intussen gebeurt”.
“Ja, daar heb je volkomen gelijk in”, bevestigde ik, want ik wist al wat hij ging zeggen.
Zodra een rechtszaak de verkeerde kant voor de Nederlandse Staat dreigt op te gaan, gaat er ‘pingping’ en belletje naar de Nederlandse kudde lobbyisten in Brussel, om hier en daar wat te gaan fluisteren. Als door een wonder wordt dan de Europese richtlijn een beetje op een zijspoor geschoven en staat er daarvoor in de plaats voor Nederland een uitzondering of een bijzondere bepaling op dit gebied. Tijdens de rechtszaak worden dus de spelregels veranderd, óf in Brussel óf in Nederland. Ga daar maar eens tegen vechten.
“Maar Herman, weet je dat het Europese Hof ook met de discriminatie van de in het buitenland wonende Nederlandse bejaarden bezig is? Een belangrijk Nederlands gerechtshof MOET van het Europese Hof dat gaan uitzoeken en verslag uitbrengen
aan het Europese Hof. De Nederlandse Overheid kraaidevorig jaar october wel victorie omdat een punt van de bejaarde klagers werd afgewezen, maar ze ‘vergat’ erbij te vermelden, dat het Europese Hof het sterke vermoeden heeft dat de Nederlandse bejaarden in het buitenland bijzonder onheus en onzorgvuldig behandeld zijn in vergelijking met de mensen in Nederland. Als dat bewezen kan worden, dan heeft dat vèrstrekkende gevolgen voor de Nederlandse Staat. Op 22 april is de nieuwe rechtszaak in Nederland en vervolgens worden alle gegevens naar het Europese Hof opgestuurd”.
“Jaja”, bromde Herman, nauwelijks gekalmeerd, “natuurlijk volg ik die rechtszaken maar, denk je nou heus dat er niet ‘weer eerst een nieuwe Nederlandse trukendoos wordt opengetrokken? Weet je wat, wij moeten een voorbeeld nemen aan die Egyptenaren en met z’n allen voor dat rechtsgebouw gaan kamperen. Alle Nederlandse bejaarden die in EU landen wonen, rolstoel of geen rolstoel, rollator of geen rollator, moeten hun proteststem niet alleen laten horen, maar ook laten zien!”
“Hier, kijk eens, moet je de aanpassingen zien die Nederland in Brussel heeft gemaakt op de Europese Verordeningen die betrekking hebben op de Nederlandse zorgverzekeringswet en de emigratie van Nederlandse gepensioneerden, om een stapje voor te blijven, Geen wonder dat het ons dan onmogelijk gemaakt wordt om een rechtszaak te winnen.
Herman haalde een verkreukeld stukje papier tevoorschijn en las voor:
“Gewijzigd in Brussel bij Verordeningen :
Gewijzigd nr. 1992/2006 ingaande op 18 dec. 2006
Gewijzigd bij verordening EG nr. 311/2007”.
“Mmm, laten wij dan maar hopen dat het Europese Hof zich door Nederland geen knollen voor citroenen laat verkopen. Gelukkig heeft zij daar tot nu toe geen blijk van gegeven”, bepeinsde ik en bestelde voor Herman een extra sterk kopje koffie.
CVZ LEGT ONTERECHTE JAARAFREKENINGEN ZVW-BIJDRAGE OP (VERVOLG)
In het eerste artikel heb ik u gewezen op de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen de termijnoverschrijding bij het opleggen van de Definitieve Jaarafrekening, omdat naar de huidige inzichten CVZ hierbij onrechtmatig handelt.
Volgens de wet dient CVZ binnen 6 maanden na het onherroepelijk worden van of uw ‘Aanslag Inkomstenbelasting’ of de ‘Beschikking Niet in Nederland belast inkomen’ de Definitieve Jaarafrekening over het betreffende jaar vast te stellen. Het onherroepelijk worden van de Aanslag of de Beschikking ligt 6 weken na de datum waarop de Aanslag of de Beschikking is uitgebracht, mits u geen bezwaar heeft gemaakt.
In de beslissingen op bezwaar stelde CVZ steevast dat de Regeling Zorgverzekering geen bepaling had opgenomen dat er na het verstrijken van de termijn geen Zvw-bijdrage meer zou mogen worden opgelegd en vervolgens werd het bezwaar ongegrond verklaard en bleef de Jaarafrekening van kracht.
Inmiddels is in een aantal zaken beroep ingesteld bij de Rechtbank Amsterdam en heeft CVZ haar verweer kenbaar gemaakt.
Sinds kort CVZ neemt in haar verweerschrift de volgende passage op:
“Voor zover aan de overschrijding van de in artikel 6.3.3., derde lid, van de Regeling genoemde termijn gevolgen verbonden moeten worden merkt het CVZ op dat het heeft afgezien van het heffen van rente over het door eiser te betalen bedrag.”
De voorgaande passage maakt duidelijk dat het CVZ er niet meer zo zeker van is dat de rechter haar zal volgen in de redenering dat zij zonder problemen de in de wet gestelde termijn voor het vaststellen van de Definitieve (en natuurlijk ook de Voorlopige) Jaarafrekening mag overschrijden.
Dus vooral doorgaan met het maken van bezwaar tegen de termijnoverschrijdingen bij het vaststellen van de Definitieve Jaarafrekening en wordt uw bezwaar door CVZ afgewezen, ga dan in beroep bij de Rechtbank Amsterdam.
Bovendien wordt geadviseerd om ook bezwaar te maken (en eventueel in beroep te komen) tegen een te laat opgelegde Voorlopige Jaarafrekening. CVZ verplicht is om voor 30 september van enig jaar de Voorlopige Jaarafrekening over het afgelopen jaar te hebben uitgebracht. Dus de Voorlopige Jaarafrekening over 2009 moet voor 30 september 2010 zijn uitgebracht en die over 2010 voor 30 september 2011. Het bezwaar moet wel binnen 6 weken na datum van de Voorlopige Jaarafrekening worden ingediend. Ook in de gevallen waarin de Definitieve Jaarafrekening niet is vooraf gegaan door een Voorlopige wordt de mogelijkheid tot het maken van bezwaar geboden.
Het VNGS lidmaatschap biedt in de hiervoor beschreven situaties de mogelijkheid tot ondersteuning. Verzoeken daartoe dienen te worden voorgelegd aan het bestuur.
Theo Sanders

Telegraaf WUZzerr: Repelsteel senior | Leiden 26.01.2011
DOKTERS AAN DE COSTA.
De kogel is door de kerk. Voor mei en juni heb ik een vakantie appartementje bij Benidorm gehuurd en als ik daar ben dan ga ik op zoek naar een tijdelijk onderkomen voor de maanden september en oktober, mocht het mij daar heel erg bevallen.
Waarom ik uitgerekend naar die streek ga ? Wel ik heb nu voor de tweede keer het programma “Dokters aan de Costa”, bekeken van Omroep Max en het voelde aan alsof ik in Nederland was, maar dan met een heerlijk zonnig klimaat als extra bonus.
‘Zit toch niet als een ouwe brombeer naar dat programma te kijken en te klagen over allerlei kwaaltjes en pijntjes’, zei mij m’n dochter die in Zwitserland woont, ‘doe er wat aan. Jullie daar in Nederland hebben toch een perfecte particuliere ziektekostenverzekering met werelddekking, dat basispakket ? Nou dan ! Zoiets kennen wij hier niet. Het is wel is waar een prijzig pakket en er zijn nog veel mensen die er wel van profiteren maar nog steeds niet hun premie betalen, dus als ik jou was zou ik er maar van gaan genieten. Nergens ter wereld vind je zoveel Nederlandse medische zorg op een plek’.
Inderdaad is de streek om Benidorm een van de zeer weinige Costa’s misschien wel de enige , die volledig op Nederlandse toeristen en overwinteraars is ingesteld. Er zijn Nederlandse artsen, tandartsen, fysiotherapeuten, een kliniek met Nederlandse artsen en er is zelfs een Nederlandse supermarkt die drop allerlei Hollandse producten verkoopt die niet in Spanje te verkrijgen zijn. Wat wil een mens nog meer.
Bij “Dokters aan de Costa”zie je in het voor en naseizoen drommen gebruinde Nederlanders op leeftijd voorbij wandelen. Gelukkig uitziende mensen die in Nederland wonen , maar vaak een half jaar of langer aan de Costa verblijven. Zij bridgen, golfen wandelen en zonnen. Kortom zij genieten van alle voordelen die beide landen te bieden hebben. Waarom zou ik daar ook niet eens gebruik van gaan maken, nietwaar ?
Ik belde met een van mij goede vrienden die permanent in Spanje woont, die daar resident is.
‘Ik kom dit jaar een paar maanden bij jullie in de buurt wonen op advies van mijn dochter voor mijn reumatiekklachten. Jullie hebben daar geweldige medische faciliteiten met Nederlandse artsen, geluksvogesl’.
‘Ha, geluksvogels?’ brieste hij, ‘ja, leuk dat je komt daar niet van, maar een geluksvogel ? Ik niet hoor. Die Nederlandse toeristen en overwinteraars met hun Nederlandse basispakketten dat zijn de geluksvogels, maar ik kan daar geen gebruik van maken tenzij ik het uit eigen zak en contant betaal.
‘Hoe zo?’, vroeg ik.
Die artsen en fysiotherapeuten zitten niet in ons Spaanse ziekenfondspakket. Wij zijn aangewezen op de Spaanse staatsziekenzorg en dat is wel een stukje minder dan wat jullie krijgen via het basispakket. AWBZ zorg ? Daarvoor moeten wij naar Nederland, maar wel eerst aanvragen bij het Spaanse ziekenfonds.
Als je straks hier bent zal ik je haarfijn uit de doeken doen wat een geluksvogels jullie in Nederland zijn. Sinds de invoering van de Zorgverzekeringswet zijn veel oudere mensen die hier woonden noodgedwongen naar Nederland teruggekeerd. Zij wilden niet weg, maar konden niet anders. Zij waren particulier verzekerd, maar die verzekering werd door Nederland opgezegd. Nederland betaalt aan Spanje een vast bedrag voor iedereen die in het Spaanse ziekenfonds zit. Nederland is na de afschaffing van onze particuliere ziektekosten verzekering bij ons hoge bijdragen gaan heffen voor het Spaanse ziekenfonds. Maar dat is niet terecht, want wij betalen al voor het ziekenfonds via onze belastingen. De Spanjaarden en andere buitenlandse residenten betalen ook op die manier.
In feite betalen de Nederlanders die hier permanent wonen dubbel voor dezelfde zieken zorg. En dat hebben de Nederlanders die vroeger in het Nederlandse ziekenfonds en in Spanje woonden ook al gedaan, maar zij waren zich daarvan niet bewust.
Soms denk ik erover om mijn huis hier te gaan verkopen en gewoon weer naar Nederland terug te keren. Lekker gewoon overwinteren in Spanje , dan heb je van twee landen het beste en ben je van al je zorgen af. Het punt is echter , dat er nu zoveel huizen leeg staan en dat de huizenprijs zo gezakt is vanwege het wegtrekken van de vele oudere Nederlanders. Dus als je wilt kun je hier tegen een hele schappelijke prijs een aardige woning kopen’.
‘Bedankt voor de tip’, zei ik, ‘maar het geld groeit me niet op de rug. Bovendien heb je me net uitgelegd dat het beter is om in Nederland te wonen en met het Nederlandse basispakket op zak luxueus te komen overwinteren aan jullie Costa.
En ook Omroep Max bedankt voor het programma “Dokters aan de Costa”.
OMROEP MAX SCOORT MAXIMAAL MIN PUNTEN!
Telegraaf WUZzerr: Repelsteel senior | Leiden 20.01.2011
Met stijgende verbazing keek ik naar de aflevering van Omroep Max op afgelopen 14 januari over "Dokters aan de Costa". Hoe is het in vredesnaam mogelijk dat een gerespecteerde omroep als deze een dergelijk scheef en vertekend beeld kan neerzetten? Het lijkt daar wel halleluja wat de gezondheidszorg voor de aldaar verblijvende Nederlandse ouderen, het paradijs van bejaardenzorg, maar niets is minder waar. Dat is de realiteit.
Als contrast heeft Max een programma over Ouderen over de Grens met onder andere het schrijnende verhaal van een blinde Poolse oma die in behoeftige omstandigheden verkeert en haar kleinzoon, een verslaggever, op bezoek krijgt. Hij gaat haar lievelingsmaaltijd koken. Verder de problemen in Finland van ene Finse mevrouw Aijo von Schönemann, die haar eigen begrafenis wilde regelen. Geen luchtige onderwerpen.
Wat ik mij meteen afvroeg, waarom wij de kommer en kwel van die buitenlandse ouderen laten zien? Waarom niet een portret maken van het leven en de problemen die de geëmigreerde Nederlandse bejaarden in het buitenland ondervinden? Door heel Europa wonen Nederlandse bejaarden en het merendeel woont niet in een mooi toeristengebied. Laat Omroep Max eens van het wel en wee van Nederlandse bejaarden een beeld maken die in Denemarken, Polen, Zweden, Tsjechië, Finland en in het binnenland van Spanje, Portugal en Griekenland wonen.
Wat mij vooral stoorde is het eenzijdige beeld dat over de medische zorg aan de Costa’s wordt geschilderd. Die medische zorg geldt voor bejaarden die overwinteren. Deze zorg valt onder het Nederlandse basispakket. Dat wordt door hun Nederlandse particuliere verzekeraar betaald.
Hoe anders is het voor de Nederlandse residenten in Spanje. Zij wonen er permanent, hebben een eigen huis en betalen daar belasting. Maar van al die Nederlands georienteerde medische zorg aan de Costa kunnen zij geen gebruik maken, tenzij zij het uit eigen zak betalen. Zij zijn aangewezen op de Spaanse staatszorg, het Spaanse ziekenfonds, dat niet te vergelijken is met het vroegere Nederlandse ziekenfonds. De meeste Spanjaarden hebben dan ook een aanvullende- of een volledige particuliere verzekering.
Hoe komt dat zo? Wel van de een op de andere dag werd met de invoering van de Zorgverzekeringswet in 2006 door Nederland hun particuliere verzekering en AWBZ opgezegd. Maar omdat de meesten op leeftijd waren of een chronische kwaal hadden, konden zij geen particuliere ziektekostenverzekering meer afsluiten. Die Nederlands sprekende artsen aan de Costa's zitten niet in het Spaanse ziekenfondspakket.
Het zal je maar gebeuren dat je door een Nederlandse arts gezegd wordt dat je vanwege een longkwaal of reuma eigenlijk een naar een ander klimaat moet. Ga je wonen in de
enkele streek aan de Costa waar een aantal Nederlandssprekende medische faciliteiten zijn, dan kunt je er geen gebruik van maken, omdat je alles zelf moet betalen. Je bent er niet voor verzekerd. Voor sommigen zal dat geen bezwaar zijn, maar voor het merendeel van de bejaarde Nederlanders is het heus geen vetpot en kunnen zij zich die op Nederlandse toeristen en overwinteraars gerichte medische zorg aan de Costa niet veroorloven. Omroep Max maakt het er zich maar makkelijk vanaf met een slechte en tendentieuze voorbereiding. Waarom wel de miserabele omstandigheden van bejaarden uit andere EU landen en niet het wee van bejaarde Nederlanders in die streken?
Omroep Max scoort maximaal minpunten met dit soort subjectieve programma’s.
VERENIGING NEDERLANDSE GEPENSIONEERDEN IN SPANJE (VNGS)
ZIJN WIJ ZELF WEL ZO SOLIDAIR?
Het waren de zalvende woorden van de politici bij de introductie van Zorgverzekeringswet: “eindelijk hebben we dan de leeftijdssolidariteit vastgelegd in de wet anders zouden we Amerikaanse toestanden krijgen”. Een beter voorbeeld van politiek onbenul en onkunde kon niet gegeven worden. Geen politicus realiseerde zich (of wenste dat niet te doen) dat wij juist door diezelfde wet met een pennenstreek uit die geprezen solidariteit gegooid werden; volstrekt ongevoelig voor het feit dat we daar ons gehele werkzame leven aan hadden bijgedragen. De verdragsgerechtigde”pensionado”wereld stond op zijn kop.
Enkele landenorganisaties werden opgericht en een Stichting gevormd om dit onrecht te bestrijden. Inmiddels hebben 5 jaar van ononderbroken procesvoering ons gebracht bij de verdachtmaking van het EU Hof van Justitie aan de Nederlandse overheid dat deze ons gediscrimineerd zou hebben.
Dit heeft handenvol geld gekost want de Stichting moet haar advocaten zelf betalen, terwijl de staat ongelimiteerd over juristen beschikt die wij uiteindelijk ook zelf betalen. Dit benodigde geld wordt opgebracht door een kleine groep leden van onze verenigingen, terwijl aan de zijlijn velen staan toe te kijken of succes behaald wordt en dan daarvan gratis meeprofiteren. Deze meelifters zijn net zo erg als de politici: ze tonen geen enkele solidariteit en laten andere het werk doen en de kosten betalen.
Ook dwongen wij voor alle EU verdragsgerechtigden voor de Rechtbank de woonlandfactoren af. In Spanje betekent dit dat voor een echtpaar met uitsluitend AOW inkomen een besparing van € 2.142 per jaar. Voor een echtpaar waarvan één partner AOW ontvangt en de andere het maximale aanslagbedrag loopt dit op tot € 3.640 per jaar. Totaal over de afgelopen 5 jaar: € 10.710 c.q. € 18.200.
En die besparing zou geen contributie van € 100,0 per jaar per persoon rechtvaardigen? Had u dit op voorhand geweten en betaald dan zou dit de investering van uw leven zijn geweest.
Onderken uw plicht tot solidariteit en draag bij aan de kosten van de procesvoering. Profiteren doet u 5 jaar lang al maandelijks met genoemde besparingen. Dat geldt ook voor diegenen die in de beginfase eenmalig hebben bijgedragen.
Bent u reeds lid en hebt u de 2010 bijdrage al betaald, dan hartelijk dank voor uw steun. Toch roepen wij opnieuw uw hulp in om uw verdragsgerechtigde vrienden en kennissen te bewegen hun solidariteit te tonen door eveneens lid te worden.
Maak € 100,00 contributie per persoon over op bankrekening 0128.0645.57.01000.36945 bij Bankinter te Benidorm tnv de Vereniging Nederlandse Gepensioneerden in Spanje. IBANnummer: ES40 0128 0645 5701 003 6945 BIC code: BKBKESMMALI
In Nederland: Postbank nr. 1462184 tnv A. Kiffen La Nucia onder vermelding: VNGS
Namens het bestuur VNGS & SBNGB
Cees van der Wiel,
Voorzitter.
Telegraaf Repelsteel: Brandbrief aan bejaarden in buitenland.
Er is een brandbrief aan alle bereikbare bejaarden die in het buitenland wonen gestuurd. Wat is er aan de hand? Wel, het Europese Hof van Justitie heeft vastgesteld dat de bejaarden die een Nederlands pensioentje genieten en die in Duitsland, België, Frankrijk, Portugal, Denemarken, Finland, Zweden, Spanje etc., kortom door heel Europa wonen, vrijwel zeker bij de invoering van de Zorgverzekeringswet bijzonder zwaar zijn gediscrimineerd. De hoogste Nederlandse rechtbank heeft nu van het Europese Hof de opdracht gekregen de omvang van deze discriminatie nauwkeurig te onderzoeken.
Na vijf jaar rechtszaken te hebben gevoerd om dit onrecht te herstellen, heeft de Stichting Belangenbehartiging Nederlandse Gepensioneerden in het Buitenland (SBNGB) nu in een persbericht laten weten dat er aan de minister van Volksgezondheid een 'Aansprakelijkheidstelling' is gestuurd.
Terwijl iedereen in Nederland probleemloos kon overstappen op een gelijkwaardige verzekering onder het nieuwe stelsel, raakten de in het buitenland wonende bejaarden hun particuliere verzekering kwijt, en moesten zij meestal duizenden euro's gaan bijbetalen om weer een adequate dekking te krijgen, als dat, vanwege hun leeftijd of gezondheid, al mogelijk was. Want zij werden vaak door de buitenlandse ziektekostenverzekeraars niet geaccepteerd.
Er is voor deze bevolkingsgroep door de destijds zittende minister Hoogervorst nooit voor een goede overgangsregeling gezorgd. De voorzitter van de Stichting dhr. Van der Wiel zegt: ‘We gaan de door onze tienduizenden leden geleden schade verhalen op de Staat. Maar uiteindelijk gaat het ons erom een goede regeling voor de toekomst te verkrijgen’. De Stichting hoopt de komende maanden in goed overleg met de Minister tot een regeling te kunnen komen.
Omdat de vordering tot schadevergoeding door de Staat op 1 januari 2011 zal verjaren, roept de Stichting de in het buitenland wonende gepensioneerden, die menen als gevolg van de invoering van de Zorgverzekeringswet te zijn benadeeld, een zogenaamde ‘stuitingbrief’ te schrijven naar de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Voor meer inlichtingen daarover en hoe dit te doen, kunnen zij terecht op de websites van de deelnemende organisaties in hun woonland of bij:
http://www.vngsint.com
RADIO NEDERLAND WERELDOMROEP
De slepende zaak tussen gedupeerde gepensioneerden in het buitenland en de Nederlandse Staat over de gevolgen van de invoering van de zorgverzekeringswet dreigt te verjaren. De Stichting Belangenbehartiging Nederlandse Gepensioneerden in het Buitenland doet een dringend beroep op gedupeerden om zich te roeren en een brief te sturen naar de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport om hun rechten veilig te stellen. Tijd voor actie.
De invoering van de zorgverzekeringswet op 1 januari 2006 heeft nogal wat financiële gevolgen gehad voor gepensioneerden. Vooral de groep die in het buitenland woont, voelt de pijn. Sinds de komst van het nieuwe stelsel zijn zij een verplichte bijdrage verschuldigd die van hun uitkering (AOW, WAO, bedrijfspensioenen of lijfrentes) wordt ingehouden. Voor tal van pensionado’s pakken de kosten op jaarbasis honderden of zelfs duizenden euro’s hoger uit.
Cees van der Wiel van de Stichting Gepensioneerden in het Buitenland zet zich al jaren in voor gedupeerden van deze wet. 'Ik hoop dat gedupeerden in groten getale gaan reageren. De verjaring kan worden gestuit door het schrijven van een brief.'
Standaardbrief
De organisatie heeft een standaardbrief opgesteld voor iedereen die wil reageren om te voorkomen dat ze na 1 januari 2011 geen aanspraak kunnen maken op een eventuele tegemoetkoming. Deze brief is te downloaden en hoeft dan alleen nog maar ondertekend te worden alvorens de brief naar het ministerie van VWS te sturen.
Van der Wiel vraagt gedupeerden ook om zich aan te sluiten bij de belangenvereniging, zodat ze hun strijd kunnen voortzetten. De contributie bedraagt op jaarbasis 100 euro. Hij wil niet van opgeven weten: 'In het zicht van de haven wil je niet stranden.'
Niet voorbij
In oktober van dit jaar besliste het Europees Hof van Justitie in Luxemburg dat Nederlandse gepensioneerden in het buitenland verplicht mogen worden tot betaling van een zorgpremie. Hiermee is de discussie nog niet helemaal voorbij. Volgens hetzelfde hof moet de Nederlandse rechter wel bekijken of 'pensionado’s ' op dezelfde manier zijn behandeld als Nederlandse ingezetenen.
Volgens van der Wiel – die zelf in Spanje woont - is de zaak dan ook nog niet verkeken. In oktober vertelde hij al dat in sommige landen, zoals Ierland en Spanje, dubbel betaald wordt voor de zorg. 'Dit zijn landen waar de zorg gefinancierd wordt uit de algemene middelen. Wij betalen daar al via onze belasting voor de zorg, terwijl er ook nog eens geld van ons via de betaalde premie uit Nederland komt.'
Verder speelt er nog een klacht bij de Nationale Ombudsman over de trage terugbetaling van teveel betaalde premie. Tenminste een derde van de Nederlanders die in het buitenland wonen, is de dupe van achterstanden bij het College Zorgverzekeringen (CVZ).
Computerproblemen
De Ombudsman constateerde eerder dat tal van Nederlanders de dupe zijn van computerproblemen bij het CVZ, waardoor ze al jaren wachten op de teruggave van teveel betaalde premie over 2006, 2007 en 2008. De ombudsman deed eerder al een oproep aan politici om meer aandacht te geven aan de dienstverlening van het CVZ aan Nederlanders in het buitenland. Ook deze zaak sleept zich voort.
STICHTING BELANGENBEHARTIGING NL GEPENSIONEERDEN IN HET BUITENLAND (SBNGB)
VERENIGING NEDERLANDSE GEPENSIONEERDEN IN HET BUITENLAND (VNGS)
Zoals bekend heeft het EU Hof van Justitie op 14 oktober jl vonnis gesproken in de zaak aangespannen door onze Stichting. De inhoud daarvan hebt u eerder kunnen lezen op deze site
Inmiddels heeft de Centrale Raad van Beroep in Utrecht, waarnaar de zaak is terugverwezen, bericht gestuurd aan CVZ met daarin vervat de oproep te reageren op de vraag of indien er bij de invoering van de `ZVW sprake is geweest van een ongelijke behandeling tussen ingezetenen en niet ingezetenen, welke consequenties hieraan in het licht van het arrest zouden moeten worden verbonden.
Er is daarbij een termijn bepaald van maximaal 6 weken.
Het moge duidelijk zijn dat de Stichting aan zal tonen dat op velerlei terreinen sprake is geweest van ongelijke behandeling, maar in dit stadium ligt de bal bij CVZ. Voor de komende periode is een vergadering belegd tussen het bestuur van de Stichting en de advocaten om de te voeren strategie in detail uit te werken. Gedurende de afgelopen weken is de Stichting intensief bezig geweest zich voor te bereiden op het aanleveren van het bewijs daarvan, waarbij gesteld kan worden dat gedurende de inmiddels 5 jaar dat we met deze zaak bezig zijn een grote expertise is opgebouwd en een database samengesteld. Het uitgegeven geld is niet voor niets geweest: we zijn optimaal voorbereid voor de laatste fase van het proces
Mocht er aanleiding zijn tot het doen van nadere mededelingen, dan zullen wij ons zeker melden. Het wachten is nu op de reactie van CVZ en parallel daaraan bereiden wij onze bewijsvoering voor. Laat er geen misverstand over bestaan dat we absoluut vastbesloten zijn deze laatste ronde tot een succesvol einde te brengen. De laatste klap is inmiddels meer dan een daalder waard.
Over geld gesproken: er wordt op dit moment een evaluatie gemaakt van de financiële positie bij de verschillende landenorganisaties. Het spreekt voor zich dat het ondenkbaar is dat een gebrek aan geld er de oorzak van zou kunnen zijn dat we moeten afhaken. Wij roepen in herinnering het advies van Hoogervorst die ons aanraadde niets te ondernemen omdat we zouden worden uitgerookt. Dat hebben we intussen gelogenstraft.
Mocht daartoe aanleiding zijn dan zal het bestuur van de vereniging op korte termijn een vergadering uitschrijven om te besluiten voor het jaar 2010 alsnog tot een contributiebetaling over te gaan.
Het bestuur
OPROEP OPROEP OPROEP OPROEP OPROEP
STICHTING BELANGENBEHARTIGING NL GEPENSIONEERDEN IN HET BUITENLAND (SBNGB)
VERENIGING NEDERLANDSE GEPENSIONEERDEN IN HET BUITENLAND (VNGS)
Een van de meest ingrijpende gevolgen van de introductie van de Zorgverzekeringen op 1.1.2006 was de eenzijdige opzegging van de particuliere zorgverzekeringen.
Consequentie daarvan was dat vanaf dat tijdstip behandelingen door particuliere artsen, specialisten en zorginstellingen niet langer in aanmerking kwamen voor vergoeding door de zorgverzekeraars.
Op de datum van inwerkingtreding waren er mensen die onder behandeling waren , opgenomen waren in het ziekenhuis of een geplande operatie moesten ondergaan etc. Om er zeker van te zijn dat deze personen onder behandeling zich bewust zouden zijn van hun positie als gevolg van de nieuwe wetgeving, schroomden verzekeraars niet deze mensen te bellen, schrijven, faxen of e-mailen om hen te sommeren alles af te breken en zich te gaan melden bij een INSS (Seguridad Social) met een E 121 formulier.
In het licht van de voorbereiding van onze nieuwe zaak voor de Centrale Raad van Beroep, in reactie op de instructies daartoe in het vonnis van het EU Hof, is het van belang schriftelijk bewijsmateriaal te hebben van genoemde sommeringen aan personen die op 1.1.2006 onder behandeling waren.
Iedereen die ons daarin zou kunnen helpen, verzoeken wij per e-mail contact met ons op te nemen via cvdwiel@gmail.com
Het bestuur.
Gepensioneerden gekort
27 oktober 2010, | FD.nl
Door: Bendert Zevenbergen
Gepensioneerden in pensioenfondsen wacht een nieuwe domper. Het net aangetreden kabinet zal volgens ingewijden toestemming geven voor uitstelmaatregelen, waardoor het langer duurt voordat de uitkeringen aan de huidige gepensioneerden met de inflatie kunnen worden verhoogd. 
Werkgevers mogen volgend jaar van minister Henk Kamp van Sociale Zaken minder pensioenpremie afdragen dan volgens de regels nodig is. Daardoor nemen de tekorten van de fondsen toe, waardoor de kans op indexatie kleiner wordt.
Brandbrief
De minister geeft daarmee gehoor aan een brandbrief van de Stichting van de Arbeid (Star). Daarin staat dat hogere premies voor het bedrijfsleven niet te dragen zijn. Als oplossing stelt de Star voor om de toezichtregels tijdelijk op te rekken. De pensioenlobby wil dat pensioenfondsen lagere premies mogen innen dan ze aan toezeggingen doen aan betalende werknemers voor hun toekomstig pensioen. De Star is het gezamenlijk overleg van werkgeversorganisaties en vakbonden.
De sterk gedaalde rente vereist officieel dat er juist meer euro's moeten worden ingelegd om sparende werknemers ook in 2011 hetzelfde te beloven als in de afgelopen jaren. Als de beleidsregels van toezichthouder de Nederlandsche Bank (DNB) gehandhaafd blijven, zouden de premies met 20% tot 30% moeten stijgen om deze 'kostendekkend' te houden.
Werkgevers profiteren
Nu naar verwachting de eis vervalt om de premies de werkelijke kosten te laten dekken, zijn het vooral de werkgevers die profiteren. Zij betalen de helft tot twee derde van de premie. In het pensioenakkoord van juni stemden de vakbonden er ook al mee in om de pensioenpremies te bevriezen.
Het enige voor de hand liggende alternatief, het verlagen van de beloften die worden afgegeven aan de huidige pensioenspaarders, wordt door de Star afgewezen om op die manier mensen die nu werken en premie betalen te sparen. 'Het verlagen van de pensioenopbouw heeft in feite hetzelfde effect als het korten van de pensioenen, maar treft uitsluitend werkenden en laat gepensioneerden ongemoeid', aldus de brief.
Rekening gepresenteerd
De consequentie van deze keuze is volgens experts dan ook dat vooral de mensen die nu pensioen ontvangen op korte termijn de rekening gepresenteerd krijgen. 'Als er minder aan pensioenpremie wordt ingelegd dan er aan nieuwe pensioentoezeggingen wordt afgegeven, nemen de tekorten bij de fondsen toe', zegt actuaris Dennis van Ek van Mercer. 'Gepensioneerden moeten dan langer wachten tot de fondsen weer voldoende zijn hersteld om de pensioenen op te kunnen hogen met de jaarlijkse inflatie.' Op de lange termijn kan zelfs blijken dat de fondsen zich zo rijk hebben gerekend dat er voor iedereen, dus ook de huidige werknemers, te weinig in de pot zit.
De woordvoerder van minister Kamp zegt dat er naar het verzoek van de Star wordt gekeken. 'We voeren hierover overleg met de toezichthouder.' DNB laat weten 'het probleem te onderkennen'.
De afgelopen jaren hebben gepensioneerden al een grote rekening op hun bord gekregen. De meeste fondsen, waaronder reuzen als ABP en PME, kampen met flinke tekorten en verhogen de pensioenen en de rechten van werknemers al jaren niet meer met de inflatie. Dit treft vooral gepensioneerden, doordat zij de meeste rechten hebben opgebouwd en de minste tijd van leven hebben om te worden gecompenseerd.
Lobbyen in de zorg kost jaarlijks miljard
20 oktober 2010, 7:30 uur | FD.nl
Zorginstellingen geven jaarlijks ruim € 1 mrd uit aan lobbyclubs voor het behartigen van hun belangen bij het ministerie van Volksgezondheid. Dat schrijft De Volkskrant vandaag op basis van een onderzoek van de Universiteit van Tilburg.
Het loon van de ruim zesduizend lobbyisten die werkzaam zijn in de zorglobbyclubs wordt betaald uit belastinggeld en zorgpremies, zo meldt de krant.
Hoger bedrag
Het onderzoek werd uitgevoerd door Tony Lamping, directeur bij Zorgverzekeraars Nederland, eveneens een lobbyclub. Hij heeft niet alle lobbyclubs in de zorg betrokken bij het onderzoek, waardoor het bedrag uiteindelijk wellicht hoger had kunnen uitkomen.
Zorgpremie in vijf jaar met 300 euro omhoog
NRC 19 oktober 2010 14:23 |
Door onze redacteuren Antoinette Reerink en Jeroen Wester
Den Haag, 19 okt. De premie van de basisverzekering zal deze kabinetsperiode met ruim een kwart stijgen. Dat komt doordat het kabinet niet bezuinigt op de zorg.
De bestaande premie van 1.107 euro per volwassene per jaar stijgt naar circa 1.400 per jaar in 2015. Een stel ziet daardoor de komende vier jaar de kosten jaarlijks met circa 600 euro omhooggaan, verwachten zorgverzekeraars en het Centraal Planbureau (CPB).
De hogere premies vloeien voort uit de stijgende uitgaven in de gezondheidszorg van 3,6 miljard euro, die de komende kabinetsperiode via de zorgpremie door de burgers moet worden betaald. „Het nieuwe kabinet neemt geen nieuwe maatregelen om de zorgkosten te beteugelen. Dan moeten de 13 miljoen verzekerden dat bedrag opbrengen”, zegt Theo Hoppenbrouwers van de branchevereniging Zorgverzekeraars Nederland. „De kostenstijging komt hoe dan ook bij de burger terecht”.
Kosten
De kosten van de zorg stijgen met circa 4 procent per jaar. Dat is veel harder dan de economie, die deze kabinetsperiode naar verwachting met jaarlijks 1,25 procent groeit.
Uitgaven voor de zorg stijgen al jaren en verdringen andere overheidsuitgaven, voor bijvoorbeeld onderwijs of politie. In 1960 bedroegen de uitgaven 3 procent van het nationaal inkomen. Dat is gestegen naar 19 procent dit jaar.
Doordat het nieuwe kabinet het eigen risico in de basisverzekering en de eigen bijdragen voor langdurige zorg zeer beperkt verhoogt, zal het beroep op de zorg en daarmee de uitgaven aan zorg nog eens met 0,7 miljard euro stijgen. „Wij verwachten dat de premie 5 à 6 procent per jaar stijgt vanaf 2012 omdat dit kabinet de zorgvoorzieningen niet fundamenteel verandert”, zegt financieel directeur Jacques Koenen van CZ, een van de grootste zorgverzekeraars in Nederland.
Andere verhogingen
De premiestijging voor de basisverzekering staat nog los van andere verhogingen van zorgkosten, waarmee burgers geconfronteerd zullen worden. Zo zal het kabinet-Rutte de zorgtoeslag, een compensatie van de overheid voor lage en middeninkomens, versoberen. Daarnaast zal de inkomensafhankelijke premie van de basisverzekering die mensen via hun bruto-inkomen betalen ook stijgen, evenals de kosten van langdurige zorg die uit de AWBZ-premies worden betaald.
Telegraaf 18 oktober 2010
Overheidsgeld naar Turkije
AMSTERDAM - Honderden Nederlanders van Turkse komaf kunnen vanaf volgend jaar thuiszorg krijgen in hun vaderland, wat wordt betaald met Nederlands overheidsgeld.
Verzekeraar Agis heeft afspraken gemaakt met het bedrijf SPV over de levering van zorg in Turkije aan Nederlandse Turken die daar een paar maanden per jaar verblijven voor bijvoorbeeld familiebezoek. Volgens dat bedrijf heeft iedereen met een zorgindicatie recht op thuiszorg, of dat nu in Nederland of in het buitenland is, meldt het AD. De zorg wordt betaald uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).
Opheldering
Het CDA wil opheldering over de kwestie van de nieuwe staatssecretaris van Volksgezondheid, Marlies Velthuijzen van Zanten. Kamerlid Sabine Uitslag vindt dat terughoudend moet worden omgegaan met Nederlands AWBZ-geld in het buitenland.
De VVD noemt het 'een vreemd verhaal' en de PVV wil sowieso niet dat er geld naar Turkije gaat. "Komende jaren is het alle hens aan dek om de zorg in eigen land op goed niveau te houden", aldus PVV'er Fleur Agema. Ook de PvdA twijfelt aan de wenselijkheid.
CVZ handelt in strijd met klachtenregeling en wet
Het klachtrecht is verankerd in de Algemene Wet Bestuursrecht.
De Algemene Wet Bestuursrecht stelt in artikel 9:2:
“Het bestuursorgaan draagt zorg voor een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over zijn gedragingen en over gedragingen van bestuursorganen die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam zijn.”
Invulling gevend aan voornoemd artikel heeft de Raad van Bestuur van het CVZ per 23 april 2007 een Klachtenregeling in werking gesteld. Voor de Klachtenregeling van CVZ verwijs ik u naar de volgende webpagina:
http://www.cvz.nl/binaries/live/CVZ_Internet/hst_content/nl/documenten/rubriek+het+cvz/klachtenregeling+cvz+2007.pdf
Dus als u vindt dat CVZ niet behoorlijk heeft gehandeld kunt u daarover een klacht indienen. De Algemene Wet Bestuursrecht zegt dat CVZ uw klacht binnen 6 weken dient af te handelen en deze afhandeling slechts één maal met 4 weken kan uitstellen. Zij moet u dat uitstel dan wel schriftelijk mededelen en natuurlijk voordat de eerste 6 weken verlopen zijn. Bent u het met de klachtafhandeling van CVZ niet eens dan kunt u zich wenden tot de Nationale Ombudsman.
Recentelijk heb ik namens een aantal belanghebbenden klachten voorgelegd aan het CVZ over de gedragingen van het Hoofd Afdeling Verzekering Burgers inzake de ontvangst-bevestiging van bezwaarschriften.
Vervolgens wordt de klacht afgehandeld door het Hoofd Afdeling Verzekering Burgers.
Hierdoor wordt er door CVZ in strijd met de klachtenregeling en in strijd met de Algemene Wet Bestuursrecht gehandeld, omdat:
1) de klacht wordt behandeld door degene over wie wordt geklaagd;
2) het Hoofd Afdeling Verzekering Burgers zich ten onrechte voordoet als een lid van de Raad van Bestuur van CVZ;
3) er bij de klachtafhandeling niet wordt gewezen op de mogelijkheid om bij onvrede over de klachtafhandeling dit aan de Nationale Ombudsman voor te leggen;
4) er geen gelegenheid wordt geboden om te worden gehoord.
Toen CVZ middels een nieuwe klacht met het voorgaande werd geconfronteerd gaf zij de volgende reactie:
“Het CVZ heeft bij de behandeling van uw brief van …….. voor een informele en
daardoor snelle klachtbehandeling gekozen. Uit uw reactie maak ik op dat u een
formele klachtprocedure nastreeft.”
CVZ heeft het hierbij ten onrechte en wederom strijdig met wet- en regelgeving willen doen voorkomen, dat een informele klachtafhandeling mogelijk is en dat daarbij wet- en regelgeving met betrekking tot een klachtprocedure niet behoeven te worden geëerbiedigd.
Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat CVZ inzake klachtprocedures bij herhaling strijdig met de wet en strijdig met de klachtenregeling heeft gehandeld.
Mocht u het voorgaande zijn overkomen, dan adviseer ik u om deze onbehoorlijke gedraging aan de Nationale Ombudsman voor te leggen. Voor verdere informatie zie www.nationaleombudsman.nl.
Theo Sanders
EU HOF AAN NL RECHTER: ONDERZOEK DE ZORGDISCRIMINATIE
14-10-10 | 22:23
Telegraaf WUZzerr: Repelsteel senior | Leiden
‘Dat is stevige kost’ , zuchtte Piet terwijl hij de uitslag van het Europese Hof van Justitie las, ‘maar het komt erop neer dat de hoogste rechter voor dit soort zaken en dat is de Centrale Raad van Beroep te Utrecht, nu moet gaan uitzoeken of een zeer grote groep van vele duizenden Nederlandse bejaarden die in alle windstreken van Europa wonen, bij de invoering van het zorgstelsel gediscrimineerd is. Of deze mensen, ofschoon zij hoge bijdragen aan ons land moeten betalen, afgescheept zijn met een dooie mus, om deze beeldspraak maar even te gebruiken. Zo op het eerste oog lijkt deze zorg wel wat, maar vergeleken met wat de mensen in Nederland aan zorg wordt aangeboden, stelt het over het algemeen veel en veel minder voor.’
‘ Het Europese Hof heeft dus nadrukkelijk de vinger op de zere plek gelegd ‘, concludeerde ik, ‘en Nederland moet erg oppassen want zou het inderdaad blijken zo te zijn, dan verstoot ons land tegen de Europese wetten.’
‘Zo is het maar net ’, bevestigde Piet, terwijl hij een slokje van zijn koffie nam. Piet, Kees en ik zaten aan ons vaste tafeltje in het cafeetje van Jan.”Het Binnenkomertje”.
‘Wat denken jullie dat er nu gaat gebeuren?’ vroeg Kees zich af, die zich steeds meer voor dit onderwerp begon te interesseren.
‘Wel’, zei Piet, ‘deze benadeelde mensen hebben zich verenigd in een organisatie en ik neem aan dat zij intussen genoeg gegevens hebben verzameld om dit aan de Utrechtse rechter voor te leggen. Vergeet niet dat zij al sinds de invoering van het zorgstelsel in 2006 hiermee steeds bezig zijn geweest.’
‘Nederland dekt zich intussen alvast wat in. Deze bejaarden moesten bijvoorbeeld eerder wel voor de AWBZ bijdragen betalen, maar daarvoor kregen zij desondanks dat geen recht op verzorging in hun woonland. Dus nu heeft Nederland, in de persoon van de toenmalige minister Klink, sinds 1 mei van dit jaar water in de wijn gedaan en mogen zij in ons land naar de dokter en kunnen zij vanaf die datum zich ook beroepen op AWBZ zorg. Niet in hun woonland, maar in ons land’, legde Piet uit.
‘Schieten zij daar veel mee op ?’ vroeg ik mij af.
'Tja, mooie theoriën allemaal, maar als je oud en ziek bent kun je vaak geen lange reizen meer ondernemen. Bovendien is er absoluut nog steeds geen duidelijkheid hoe Nederland dat denkt te organiseren. Waar deze mensen zich in ons land moeten melden voor AWBZ zorg bijvoorbeeld. Niemand weet dat, dus voorlopig is dat ook nog steeds een dooie mus, windowdressing voor de buitenwereld en misschien zelfs voor de rechter te Utrecht, wie zal dat zeggen?’ vervolgde Piet. ‘Dit is de weerslag van het kortzichtige handelen van de ministers Hoogervorst, Klink en vergeet niet, ook van Balkenende die aan de wieg van het huidige zorgstelsel stond toen hij en Klink wetenschappelijke medewerkers waren bij het Wetenschappelijke Instituut van het CDA. Maar het Europese Hof heeft nu aan de Nederlandse rechter een duidelijke opdracht gegeven : Ga nauwkeurig na of en hoe uw land ten opzichte van deze bevolkingsgroep in gebreke is gebleven, anders kunnen er Europese sancties volgen.'
‘Bejaarden zijn meestal de sluitpost op de begroting’, verzuchtte ik, ‘ben zeer benieuwd of er nu een frisse wind op het ministerie van VWS gaat waaien met een vrouw aan het roer.’
Uitspraak EHvJ op 14/10/10
131 Artikel 21 VWEU moet daarentegen aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een dergelijke nationale wettelijke regeling voor zover deze – hetgeen de verwijzende rechterlijke instantie moet uitmaken – een ongerechtvaardigd verschil in behandeling tussen ingezetenen en niet-ingezetenen teweegbrengt of inhoudt voor wat betreft het behoud van de globale dekking tegen ziektekosten die ingezetenen en niet-ingezetenen hadden in het kader van vóór de inwerkingtreding van die wettelijke regeling gesloten verzekeringsovereenkomsten.
BELANGRIJKE JURIDISCHE KENNISGEVING Op de informatie op deze site is verklaring van afwijzing van aansprakelijkheid en een verklaring inzake het auteursrecht van toepassing.
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
14 oktober 2010 (*)
„Sociale zekerheid – Verordening (EEG) nr. 1408/71 – Titel III, hoofdstuk 1 – Artikelen 28, 28 bis en 33 – Verordening (EEG) nr. 574/72 – Artikel 29 – Vrij verkeer van personen – Artikelen 21 VWEU en 45 VWEU – Prestaties krachtens ziektekostenverzekering – Rechthebbenden op ouderdomspensioen of rente wegens arbeidsongeschiktheid – Woonplaats in andere lidstaat dan staat die pensioen of rente verschuldigd is – Verstrekkingen in woonstaat ten laste van uitkerende staat – Ontbreken van inschrijving in woonstaat – Verplichting tot betaling van bijdragen in uitkerende staat – Wijziging van nationale wetgeving van uitkerende staat – Voortzetting van ziektekostenverzekering – Verschil in behandeling tussen ingezetenen en niet-ingezetenen”
In zaak C‑345/09,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Centrale Raad van Beroep (Nederland) bij beslissing van 26 augustus 2009, ingekomen bij het Hof op 27 augustus 2009, in de procedure
J. A. van Delft,
J. C. Ramaer,
J. M. van Willigen,
J. F. van der Nat,
C. M. Janssen,
O. Fokkens
tegen
College voor zorgverzekeringen,
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: J. N. Cunha Rodrigues, kamerpresident, A. Arabadjiev, A. Rosas, U. Lõhmus en A. Ó Caoimh (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: N. Jääskinen,
griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 20 mei 2010,
gelet op de opmerkingen van:
– Van Delft en Van Willigen, vertegenwoordigd door E. Pijnacker Hordijk, advocaat,
– Janssen, vertegenwoordigd door H. Frantzen en H. Ebbink, advocaten,
– Fokkens, optredend voor zichzelf,
– het College voor zorgverzekeringen, vertegenwoordigd door M. van Dijen en R. G. van der Wissel als gemachtigden,
– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door C. Wissels en J. Langer als gemachtigden,
– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek en D. Hadroušek als gemachtigden,
– de Franse regering, vertegenwoordigd door G. de Bergues en A. Czubinski als gemachtigden,
– de Finse regering, vertegenwoordigd door A. Guimaraes-Purokoski als gemachtigde,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door V. Kreuschitz en M. van Beek als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 juli 2010,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 28, 28 bis en 33 en bijlage VI, onder R, punt 1, sub a en b, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1992/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 (PB L 392, blz. 1; hierna: „verordening nr. 1408/71”), van artikel 29 van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 74, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 311/2007 van de Commissie van 19 maart 2007 (PB L 82, blz. 6; hierna: „verordening nr. 574/72”), alsmede van de artikelen 21 VWEU en 45 VWEU.
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de heren Van Delft, Ramaer, Van Willigen, Van der Nat, Janssen en Fokkens (hierna gezamenlijk: „verzoekers in de hoofdgedingen”) en het College voor zorgverzekeringen (hierna: „CVZ”), over de betaling van bijdragen die zijn verschuldigd op grond van het in Nederland geldende stelsel van wettelijk verplichte zorgverzekering.
Toepasselijke bepalingen
De wettelijke regeling van de Unie
3 Artikel 13 van verordening nr. 1408/71, dat deel uitmaakt van titel II, „Vaststelling van de toe te passen wetgeving”, luidt als volgt:
„Algemene regels
1. Onder voorbehoud van de artikelen 14 quater en 14 septies zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele lidstaat onderworpen. De toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig de bepalingen van deze titel vastgesteld.
2. Onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17:
[...]
f) is op degene die ophoudt onderworpen te zijn aan de wettelijke regeling van een lidstaat zonder dat hij op grond van één van de in de artikelen 14 tot en met 17 bedoelde uitzonderingen of bijzondere regels aan de wettelijke regeling van een andere lidstaat wordt onderworpen, de wettelijke regeling van toepassing van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont overeenkomstig de bepalingen van deze wettelijke regeling alleen.”
4 In dezelfde titel II bepaalt artikel 17 bis van verordening nr. 1408/71, „Bijzondere regels inzake personen die recht hebben op pensioen(en)of rente(n) krachtens de wetgeving van een of meer lidstaten”, het volgende:
„Degene die recht heeft op een pensioen of rente overeenkomstig de wettelijke regeling van een lidstaat of op pensioenen of renten krachtens de wettelijke regelingen van verscheidene lidstaten en die op het grondgebied van een andere lidstaat woont, kan op zijn verzoek worden vrijgesteld van de toepassing van de wettelijke regeling van deze laatste lidstaat mits hij niet uit hoofde van de uitoefening van een beroepswerkzaamheid aan deze wettelijke regeling is onderworpen.”
5 Titel III van verordening nr. 1408/71 bevat bijzondere bepalingen met betrekking tot de verschillende soorten prestaties waarop deze verordening ingevolge artikel 4, lid 1, ervan van toepassing is. Hoofdstuk 1 van titel III van voornoemde verordening betreft de prestaties bij ziekte en moederschap.
6 In afdeling 5 van voormeld hoofdstuk 1, met het opschrift „Pensioen‑ of rentetrekkers en hun gezinsleden”, bepaalt artikel 28 van verordening nr. 1408/71 onder het kopje „Pensioenen of renten, verschuldigd op grond van de wettelijke regelingen van een of meer lidstaten, terwijl in het land van de woonplaats geen recht op prestaties bestaat”:
„1. De rechthebbende op een pensioen of rente verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een lidstaat, of op pensioenen of renten verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer lidstaten, die geen recht op prestaties heeft op grond van de wettelijke regeling van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont, heeft niettemin zelf, evenals zijn gezinsleden, recht op deze prestaties, voor zover hij op grond van de wettelijke regeling van de voor de pensioenverzekering bevoegde lidstaat, of van ten minste één van de voor deze verzekering bevoegde lidstaten, eventueel met inachtneming van artikel 18 en van bijlage VI recht op prestaties zou hebben, indien hij op het grondgebied van de betrokken staat woonde. De prestaties worden verleend op de volgende voorwaarden:
a) de verstrekkingen worden voor rekening van het in lid 2 bedoelde orgaan verleend door het orgaan van de woonplaats, alsof de betrokkene recht had op een pensioen of een rente krachtens de wettelijke regeling van de staat op het grondgebied waarvan hij woont, en hij recht op verstrekkingen had;
[...]
2. In de in lid 1 bedoelde gevallen komen de verstrekkingen voor rekening van het overeenkomstig de volgende regels vastgestelde orgaan:
a) indien de rechthebbende krachtens de wettelijke regeling van één lidstaat recht op bedoelde verstrekkingen heeft, komen deze voor rekening van het bevoegde orgaan van deze staat;
[...]”
7 In dezelfde afdeling bepaalt artikel 28 bis van verordening nr. 1408/71, onder het opschrift „Pensioenen of renten, verschuldigd op grond van de wettelijke regelingen van een of meer andere lidstaten dan het land van de woonplaats, terwijl in het laatstbedoelde land recht op verstrekkingen bestaat”, van verordening nr. 1408/71:
„Indien de rechthebbende op een pensioen of rente, verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een lidstaat, of op pensioenen of renten, verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer lidstaten, woont op het grondgebied van een lidstaat waarvan de wettelijke regeling voor het recht op verstrekkingen geen voorwaarden stelt inzake de verzekering of de arbeid en krachtens de wettelijke regeling waarvan geen pensioen of rente verschuldigd is, komen de aan hem en aan zijn gezinsleden verleende verstrekkingen voor rekening van het overeenkomstig artikel 28, lid 2, bepaalde orgaan van een van de ter zake van pensioenen bevoegde lidstaten, voor zover de betrokken rechthebbende en zijn gezinsleden recht zouden hebben op deze verstrekkingen krachtens de wettelijke regeling die wordt toegepast door het bedoelde orgaan indien zij woonden op het grondgebied van de lidstaat waar dit orgaan is gevestigd.”
8 Artikel 33, lid 1, van verordening nr. 1408/71, dat eveneens behoort tot afdeling 5 van hoofdstuk 1 van titel III van die verordening, en als opschrift heeft „Bijdragen of premies voor rekening van pensioen‑ of rentetrekkers”, bepaalt:
„1. Het orgaan van een lidstaat dat een pensioen of rente verschuldigd is en dat een wettelijke regeling toepast waarin is bepaald, dat voor rekening van een pensioen -of rentetrekker bijdragen of premies worden ingehouden om de kosten van de prestaties bij ziekte en moederschap te dekken, is gemachtigd deze bedragen, berekend overeenkomstig de betrokken wettelijke regeling, in te houden op het pensioen of de rente welke dit orgaan verschuldigd is, voor zover de prestaties krachtens de artikelen 27, 28, 28 bis, 29, 31 en 32 voor rekening van een orgaan van bedoelde lidstaat komen.”
2. Wanneer de pensioen‑ of rentetrekker in de in artikel 28 bis bedoelde gevallen krachtens de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont, uit hoofde van zijn woonplaats aldaar, premies of soortgelijke inhoudingen verschuldigd is voor de dekking van de kosten van prestaties wegens ziekte of moederschap, zijn deze niet invorderbaar.”
9 Overeenkomstig artikel 36, lid 1, van verordening nr. 1408/71 worden de – met name krachtens de artikelen 28, 28 bis en 33 van deze verordening – door het orgaan van een lidstaat voor rekening van het orgaan van een andere lidstaat verleende verstrekkingen onderling volledig vergoed.
10 Bijlage VI bij verordening nr. 1408/71, onder R, punt 1, sub a tot en met c, luidt als volgt:
„1. Zorgverzekering
a) Wat betreft het recht op verstrekkingen krachtens de Nederlandse wetgeving wordt voor de toepassing van de hoofdstukken 1 en 4 van titel III van de verordening onder ‚rechthebbenden op verstrekkingen’ verstaan:
i) personen die overeenkomstig artikel 2 van de Zorgverzekeringswet verplicht zijn zich te verzekeren bij een zorgverzekeraar;
en
ii) voor zover niet reeds begrepen onder i, personen die in een andere lidstaat woonachtig zijn en krachtens de verordening ten laste van Nederland recht hebben op geneeskundige zorg in hun woonland.
b) Personen als bedoeld in punt a, onder i, moeten zich overeenkomstig de Zorgverzekeringswet verzekeren bij een zorgverzekeraar; personen als bedoeld in punt a, onder ii, moeten zich registreren bij het College voor zorgverzekeringen.
c) De bepalingen van de Zorgverzekeringswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten betreffende de verschuldigdheid van bijdragen zijn van toepassing op personen als bedoeld in punt a en hun gezinsleden. Wat gezinsleden betreft, worden de bijdragen geheven bij degene van wie het recht op zorg is afgeleid.”
11 Artikel 29 van verordening nr. 574/72, die de wijze van toepassing van verordening nr. 1408/71 vaststelt, bepaalt, onder het opschrift „Verstrekkingen aan pensioen‑ of rentetrekkers en aan hun gezinsleden die hun woonplaats niet hebben in een lidstaat krachtens de wettelijke regeling waarvan zij een pensioen of rente genieten en recht op prestaties hebben”:
„1. Om op het grondgebied van de lidstaat waar hij woont in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 28, lid 1, en artikel 28 bis van de verordening, is de pensioen‑ of rentetrekker verplicht zich en zijn in dezelfde lidstaat wonende gezinsleden te doen inschrijven bij het orgaan van de woonplaats, onder overlegging van een verklaring waarin wordt bevestigd dat hij krachtens de wettelijke regeling of krachtens een der wettelijke regelingen op grond waarvan een pensioen of rente verschuldigd is, voor zichzelf en voor zijn gezinsleden recht op genoemde verstrekkingen heeft.
2. Deze verklaring wordt op verzoek van de pensioen‑ of rentetrekker door het orgaan of één der organen die pensioen of rente verschuldigd zijn of, in voorkomend geval, door het orgaan dat over het recht op verstrekkingen moet beslissen, afgegeven, zodra de pensioen‑ of rentetrekker voldoet aan de voorwaarden voor het ingaan van het recht op deze verstrekkingen. Indien de pensioen‑ of rentetrekker de verklaring niet overlegt, verzoekt het orgaan van de woonplaats het orgaan of de organen die het pensioen of de rente verschuldigd zijn of, in voorkomend geval, het hiertoe gerechtigde orgaan daarom. In afwachting van de ontvangst van deze verklaring kan het orgaan van de woonplaats de pensioen‑ of rentetrekker en zijn in dezelfde lidstaat wonende gezinsleden voorlopig inschrijven op vertoon van de door dit orgaan toegelaten bewijsstukken. Deze inschrijving is voor het orgaan dat de kosten van de verstrekkingen moet dragen slechts bindend, wanneer laatstgenoemd orgaan de in lid 1 bedoelde verklaring heeft afgegeven.”
12 Artikel 95 van voormelde verordening bepaalt dat het bedrag van de krachtens de artikelen 28 en 28 bis van verordening nr. 1408/71 verleende verstrekkingen door de bevoegde organen wordt vergoed aan de organen die genoemde verstrekkingen hebben verleend, op basis van een vast bedrag dat het bedrag van de werkelijke uitgaven zo dicht mogelijk benadert. Bedoeld bedrag wordt berekend volgens het in dit artikel bepaalde.
13 Blijkens besluit nr. 153 van de Administratieve Commissie van de Europese Gemeenschappen voor de sociale zekerheid van migrerende werknemers van 7 oktober 1993 betreffende de modelformulieren ten behoeve van de toepassing van de verordeningen (EEG) nr. 1408/71 en (EEG) nr. 574/72 van de Raad (E 001, E 103‑E 127) (PB 1994, L 244, blz. 22), zoals gewijzigd bij besluit nr. 202 van de Administratieve Commissie van de Europese Gemeenschappen voor de sociale zekerheid van migrerende werknemers van 17 maart 2005 (PB 2006, L 77, blz. 1), vormt het E 121‑formulier de verklaring die een rechthebbende op pensioen of rente en zijn gezinsleden moeten overleggen om zich overeenkomstig artikel 28 van verordening nr. 1408/71 en artikel 29 van verordening nr. 574/72 te doen inschrijven bij het orgaan van hun woonplaats.
Nationale regeling
14 Vóór 1 januari 2006 voorzag de Ziekenfondswet (hierna: „ZFW”) in een stelsel van wettelijk verplichte ziektekostenverzekering voor werknemers waarvan het inkomen lager was dan een bepaalde drempel.
15 Dit stelsel van wettelijk verplichte verzekering was, op bepaalde voorwaarden, ook van toepassing op niet-ingezetenen die recht hadden op een pensioen krachtens de Algemene Ouderdomswet (hierna: „AOW”) of op een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: „WAO”).
16 Personen die niet onder bovengenoemde stelsels vielen, dienden, teneinde verzekerd te zijn tegen ziektekosten, een verzekeringsovereenkomst te sluiten bij een particuliere verzekeringsmaatschappij.
17 Per 1 januari 2006 is bij de Zorgverzekeringswet (hierna: „ZVW”) een stelsel van wettelijk verplichte zorgverzekering ingesteld voor iedereen die in Nederland woont of werkt.
18 Artikel 69 van die wet, in de versie die gold op 1 augustus 2008, luidt als volgt:
„1. In het buitenland wonende personen die met toepassing van een verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen dan wel toepassing van zodanige verordening krachtens de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of een verdrag inzake sociale zekerheid in geval van behoefte aan zorg recht hebben op zorg of vergoeding van de kosten daarvan, zoals voorzien in de wetgeving over de verzekering voor zorg van hun woonland, melden zich, tenzij zij op grond van deze wet verzekeringsplichtig zijn, bij het [CZV] aan.
2. De in het eerste lid bedoelde personen zijn een bij ministeriële regeling te bepalen bijdrage verschuldigd die voor een bij die regeling te bepalen gedeelte, voor de toepassing van de Wet op de zorgtoeslag als premie voor een zorgverzekering wordt beschouwd.
3. Indien de melding niet is geschied binnen vier maanden nadat het recht, bedoeld in het eerste lid, is ontstaan, legt het [CVZ] degene die de melding had moeten doen een bestuurlijke boete op die gelijk is aan 130 % van een bij ministeriële regeling te bepalen gedeelte van de bijdrage, bedoeld in het tweede lid, over een periode gelijk aan de periode gelegen tussen de dag waarop het recht ontstond en de dag waarop de melding is geschied, maar met een maximum van vijf jaren.
4. Het [CVZ] is belast met de administratie voortvloeiend uit het eerste lid en de daar genoemde internationale regels, alsmede met het nemen van beschikkingen over de heffing en de inning van de bijdrage, bedoeld in het tweede lid. [...]”
19 De artikelen 6.3.1, eerste lid, en 6.3.2, eerste lid, van de Regeling zorgverzekering bepalen respectievelijk:
„De voor een persoon, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de [ZVW] verschuldigde bijdrage wordt berekend door de grondslag van de bijdrage te vermenigvuldigen met het getal dat wordt berekend uit de verhouding tussen de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale zorgverzekering in het woonland van deze persoon, en de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale zorgverzekeringen in Nederland.
[...]
De in artikel 6.3.1 bedoelde bijdrage voor een in artikel 69, eerste lid, van de [ZVW] genoemde persoon die rechthebbende is op een pensioen of rente en voor zijn gezinsleden wordt door het orgaan dat het pensioen of de rente uitkeert, op dat pensioen of die rente ingehouden en aan het zorgverzekeringsfonds afgedragen.”
20 In artikel 2.5.2, lid 2, van de Invoerings‑ en aanpassingswet Zorgverzekeringswet (hierna: „IZVW”) wordt bepaald:
„Een overeenkomst met betrekking tot de verzekering van geneeskundige zorg of de kosten daarvan, gesloten voor of met een in het buitenland wonende verzekerde die met toepassing van een verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen dan wel toepassing van zodanige verordening krachtens de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of een verdrag inzake sociale zekerheid recht heeft op zorg of vergoeding van de kosten daarvan zoals voorzien in de wetgeving over de verzekering voor zorg van het woonland, vervalt met ingang van 1 januari 2006, voor zover aan de overeenkomst rechten kunnen worden ontleend gelijkwaardig aan die welke vanaf dat tijdstip met toepassing van zodanige verordening of verdrag aan de betrokkene toekomen, mits de verzekerde vóór 1 mei 2006 heeft voldaan aan de verplichting tot aanmelding bij het [CVZ] zorgverzekeringen ingevolge artikel 69 van de [ZVW].”
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
21 Verzoekers in de hoofdgedingen, allen Nederlandse staatsburgers die wonen in een andere lidstaat dan het Koninkrijk der Nederlanden, in casu, naargelang van het geval, in België, in Spanje, in Frankrijk en op Malta, zijn rechthebbenden op hetzij een pensioen krachtens de AOW, hetzij een uitkering krachtens de WAO.
22 Vóór 1 januari 2006 hadden voornoemde verzoekers, die niet verzekerd waren ingevolge het bij de ZFW ingevoerde stelsel van wettelijk verplichte zorgverzekering, teneinde verzekerd te zijn tegen ziektekosten, verzekeringsovereenkomsten gesloten met particuliere verzekeringsmaatschappijen, gevestigd in Nederland of in andere lidstaten.
23 Naar aanleiding van de inwerkingtreding, op 1 januari 2006, van de ZVW, was het CVZ van mening dat verzoekers in de hoofdgedingen, daar zij indien zij in Nederland zouden hebben gewoond zouden vallen onder het stelsel van wettelijk verplichte zorgverzekering van de ZVW, overeenkomstig de artikelen 28 en 28 bis van verordening nr. 1408/71 voortaan recht hadden op verstrekkingen in hun woonland ten laste van de organen van de staat die het pensioen of de rente uitkeert, te weten Nederland. Het CVZ heeft derhalve aan elk van deze verzoekers een formulier E 121 doen toekomen, zodat zij zich konden inschrijven bij een ziekenfonds in hun woonland. Ramaer, Van der Nat en Fokkens hebben zich ingeschreven, laatstgenoemde echter „onder protest”. Van Delft, Van Willigen en Janssen hebben daarentegen geweigerd zich in te schrijven.
24 Op diezelfde 1 januari 2006 is voor de verzoekers in de hoofdgedingen die een particuliere verzekeringsovereenkomst hadden gesloten met een in Nederland gevestigde maatschappij, die overeenkomst op grond van de IZVW van rechtswege geëindigd. Van diegenen onder hen die een dergelijke overeenkomst hadden gesloten met een in een andere lidstaat gevestigde maatschappij, bleef de overeenkomst echter in stand.
25 Bij besluiten, genomen in de loop van 2006, respectievelijk in 2007, heeft het CVZ op de aan verzoekers in de hoofdgedingen uitgekeerde pensioenen en renten het bedrag ingehouden van de in artikel 69 ZVW voorziene bijdrage om in aanmerking te komen voor het bij die wet ingevoerde stelsel van wettelijk verplichte ziektekostenverzekering.
26 Bij uitspraken van 31 januari en 17 december 2008 heeft de Rechtbank Amsterdam de door verzoekers tegen deze besluiten ingestelde beroepen verworpen.
27 Verzoekers hebben tegen deze uitspraken hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
28 Luidens het verzoek om een prejudiciële beslissing hebben verzoekers in de hoofdgedingen in het kader van dit hoger beroep aangevoerd dat de artikelen 28 en 28bis van verordening nr. 1408/71 geen dwingende bepalingen bevatten ter bepaling van de toepasselijke wetgeving op basis waarvan zij van rechtswege onderworpen zijn aan het verstrekkingenregime van de woonstaat. Zij stellen juist de keuze te hebben, hetzij zich door middel van het E 121‑formulier in te schrijven bij het bevoegde orgaan van de woonstaat overeenkomstig artikel 29 van verordening nr. 574/72 teneinde in aanmerking te komen voor verstrekkingen in dat land op grond van de artikelen 28 en 28 bis van verordening nr. 140871, hetzij, indien zij zich niet inschrijven, een particuliere ziektekostenverzekering te sluiten. In dit laatste geval kan de lidstaat die het pensioen of de rente verschuldigd is geen bijdrage in de zin van artikel 33 van deze laatste verordening inhouden, omdat in dat geval de verstrekkingen niet voor rekening van een orgaan van die staat komen.
29 Voorts beroepen, volgens de verwijzingsbeslissing, alle verzoekers in de hoofdgedingen zich op schending van de rechten die zij aan de artikelen 21 VWEU en 45 VWEU ontlenen, doordat zij verplicht zijn een bijdrage te betalen voor verstrekkingen in het woonland waarvan zij geen gebruik wensen te maken omdat ze volgens hen minder voordeling zijn. Zij zien liever de situatie van vóór 1 januari 2006 gehandhaafd teneinde zelf een particuliere verzekering voor alle ziektekosten te kunnen sluiten.
30 Volgens de verwijzingsbeslissing staat het CVZ op het standpunt dat het recht op verstrekkingen krachtens de artikelen 28 en 28 bis van verordening nr. 1408/71 niet afhankelijk is van inschrijving bij het bevoegde orgaan van de woonstaat, zodat zelfs wanneer betrokkenen zich niet bij dat orgaan hebben ingeschreven, en dus geen aanspraak maken op verstrekkingen uit hoofde van die bepalingen, de lidstaat die het pensioen of de rente uitkeert gerechtigd is hierop een bijdrage in te houden. Volgens het CVZ zou anders de solidariteit binnen het socialeverzekeringsstelsel worden ondermijnd aangezien elke betrokkene dan zou kunnen wachten tot het moment waarop hij zorg nodig heeft, om zich pas op dat moment in te schrijven en de bijdrage verschuldigd te worden.
31 De verwijzende rechterlijke instantie zet uiteen dat er meerdere aanwijzingen zijn dat verordening nr. 1408/71 het door verzoekers in de hoofdgedingen ingeroepen keuzerecht uitsluit. Die verordening lijkt dwingend vast te leggen welke staat de verstrekkingen dient te verlenen en ten laste van welke staat die verstrekkingen verschuldigd zijn. Zij voegt hieraan toe dat verordening nr. 1408/71 uitdrukkelijk voor enkele specifieke situaties in een keuzerecht voorziet. Daarentegen geeft de verwijzende rechterlijke instantie te kennen dat zowel artikel 29 van verordening nr. 574/72 als het arrest van 3 juli 2003, Van der Duin en ANOZ Zorgverzekeringen (C‑156/01, Jurispr. blz. I‑7045, punt 40), erop lijken te wijzen dat de inschrijving bij het orgaan van de woonstaat constitutief is voor de toepasselijkheid van de artikelen 28 en 28 bis van verordening nr. 1408/71. In deze omstandigheden komen verzoekers in de hoofdgedingen, daar een dergelijke inschrijving ontbreekt, niet ten laste van de bevoegde Nederlandse organen in de zin van artikel 33 van verordening nr. 1408/71, aangezien aan hen in een dergelijke situatie geen prestaties kunnen worden verleend. Derhalve is niet voldaan aan alle voorwaarden van deze bepaling voor het verlangen van een bijdrage.
32 Voor het overige zet de verwijzende rechterlijke instantie uiteen dat zo het door verzoekers in de hoofdgedingen ingeroepen keuzerecht door verordening nr. 1408/71 wordt uitgesloten, moet worden bepaald of de op basis van artikel 69 ZVW en artikel 33 van die verordening ingehouden bijdrage in strijd is met artikel 21 VWEU en/of artikel 45 VWEU.
33 Dienaangaande merkt de verwijzende rechterlijke instantie op dat door de toepassing van een woonlandfactor het bedrag van de door niet-ingezetenen verschuldigde bijdrage al is verlaagd ten opzichte van de door ingezetenen verschuldigde bijdragen en dat het recht van de Unie een werknemer of zelfstandige niet de waarborg biedt dat de verlegging van zijn werkzaamheden of woonplaats naar een andere lidstaat voor de sociale zekerheid neutraal is, maar dat dit niet wegneemt dat de ZVW ertoe kan leiden dat het voor verzoekers in de hoofdgedingen, die op het moment van inwerkingtreding van die wet reeds waren gedekt door een particuliere verzekering, minder aantrekkelijk wordt om gebruik te blijven maken van hun recht om buiten Nederland vrij te reizen en te verblijven. Enerzijds zouden zij meer kosten moeten maken voor de zorgverzekering en, anderzijds, zouden zij minder voordelige zorg ontvangen. Ook al zou de wens van de Nederlandse wetgever om een verplichte zorgverzekering in te voeren voor alle ingezetenen van Nederland, ongeacht hun nationaliteit, kunnen worden aangemerkt als een op objectieve overwegingen van algemeen belang gebaseerde reden, dan nog is niet duidelijk of de verplichting om daarvoor, ook indien geen inschrijving in het woonland heeft plaatsgevonden, een bijdrage te betalen, in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel.
34 In die omstandigheden heeft de Centrale Raad van Beroep de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Moeten de artikelen 28, 28 bis en 33 van verordening nr. 1408/71, het bepaalde in bijlage VI bij verordening nr. 1408/71, onder R, 1a en b, en artikel 29 van verordening nr. 574/72 aldus worden uitgelegd dat daarmee onverenigbaar is een nationale bepaling als artikel 69 van de [ZVW], voor zover een rechthebbende op pensioen of rente die in beginsel aanspraken aan de artikelen 28 en 28 bis van verordening nr. 1408/71 kan ontlenen, wordt verplicht zich aan te melden bij [het CVZ] en van die rechthebbende, ook als geen inschrijving als bedoeld in artikel 29 van verordening nr. 574/72 heeft plaatsgevonden, een bijdrage moet worden ingehouden op zijn pensioen of rente?
2) Moet artikel [21 VWEU] dan wel artikel [45 VWEU] aldus worden uitgelegd dat daarmee onverenigbaar is een nationale bepaling als artikel 69 van de [ZVW], voor zover een burger van de [Unie] die in beginsel aanspraken aan de artikelen 28 en 28 bis van verordening nr. 1408/71 kan ontlenen, wordt verplicht zich aan te melden bij [het CVZ] en van die burger, ook als geen inschrijving als bedoeld in artikel 29 van verordening nr. 574/72 heeft plaatsgevonden, een bijdrage moet worden ingehouden op zijn pensioen of rente?”
35 Op verzoek van de verwijzende rechterlijke instantie heeft het Hof overeenkomstig artikel 55, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist dat deze zaak bij voorrang moest worden berecht.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
De eerste vraag
36 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de artikelen 28, 28 bis en 33 van verordening nr. 1408/71 juncto artikel 29 van verordening nr. 574/72 aldus worden uitgelegd dat daarmee onverenigbaar is een wettelijke regeling van een lidstaat zoals aan de orde in de hoofdgedingen, op grond waarvan een rechthebbende op pensioen of rente verschuldigd krachtens de wetgeving van die staat, die, zoals verzoekers in de hoofdgedingen, woont in een andere lidstaat, om daar in aanmerking te komen voor verstrekkingen bij ziekte waarop hij recht heeft ten laste van de eerste lidstaat, zich dient te melden bij het bevoegde orgaan van die staat en in de vorm van een inhouding op dat pensioen of die rente een bijdrage uit hoofde van die verstrekkingen moet betalen, ook al is hij niet ingeschreven bij het bevoegde orgaan van zijn woonstaat.
37 Blijkens de verwijzingsbeslissing wordt deze vraag gesteld in het kader van een geschil over de rechtmatigheid van bijdragen die de Nederlandse autoriteiten van verzoekers in de hoofdgedingen verlangen voor verstrekkingen bij ziekte die deze laatste uit hoofde van de artikelen 28 en 28 bis van verordening nr. 1408/71 in de lidstaat waar zij wonen ontvangen ten laste van het Nederlandse orgaan, sinds in Nederland op 1 januari 2006 een bij de ZVW ingevoerd nieuw stelsel van wettelijk verplichte zorgverzekering in werking is getreden dat in de plaats is gekomen van het stelsel van de ZFW van vóór die datum – dat alleen gold voor werknemers met een inkomen beneden bepaalde drempels – en dat geldt voor alle personen die in Nederland wonen of werken.
38 In dit verband zij meteen in herinnering gebracht dat de artikelen 28 en 28 bis van verordening nr. 1408/71 een „conflictregel” bevatten om in het geval van een rechthebbende op pensioen of rente die in een andere lidstaat woont dan de lidstaat die het pensioen of de rente verschuldigd is, te kunnen uitmaken welk orgaan de in dat artikel bedoelde prestaties moet verlenen en welke wetgeving toepasselijk is (zie arresten van 10 januari 1980, Jordens-Vosters, 69/79, Jurispr. blz. 75, punt 12, en 10 mei 2001, Rundgren, C‑389/99, Jurispr. blz. I‑3731, punten 43 en 44, en arrest Van der Duin en ANOZ Zorgverzekeringen, reeds aangehaald, punt 39).
39 Overeenkomstig artikel 28 van verordening nr. 1408/71 heeft de rechthebbende op een pensioen of rente verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een lidstaat, die woont in een andere lidstaat, waar hij geen recht op verstrekkingen bij ziekte heeft, voor rekening en ten laste van de staat die dat pensioen of die rente verschuldigd is recht op verlening van die verstrekkingen door het bevoegde orgaan van de woonstaat, voor zover hij op grond van de wettelijke regeling van de lidstaat die het pensioen of de rente verschuldigd is recht op die verstrekkingen zou hebben gehad indien hij op het grondgebied van die lidstaat woonde (zie arrest Van der Duin en ANOZ Zorgverzekeringen, reeds aangehaald, punten 40, 47 en 53).
40 Artikel 28 bis van verordening nr. 1408/71 voorziet in een in wezen vergelijkbare regel wanneer een recht op verstrekkingen bij ziekte bestaat in de woonstaat, die dat recht op verstrekkingen niet afhankelijk stelt van voorwaarden inzake verzekering of arbeid, teneinde lidstaten waarvan de wetgeving recht op verstrekkingen enkel op grond van ingezetenschap verleent, niet te benadelen (zie arrest Rundgren, reeds aangehaald, punten 43 en 45).
41 Hieruit volgt dat in casu rechthebbenden op een pensioen of rente verschuldigd krachtens de Nederlandse wetgeving, zoals verzoekers in de hoofdgedingen, woonachtig in een andere lidstaat dan Nederland, die vóór die datum niet vielen onder de bepalingen van de artikelen 28 en 28 bis van verordening nr. 1408/71 – zij waren op grond van het niveau van hun inkomen en ongeacht hun woonplaats uitgesloten van prestaties bij ziekte krachtens het wettelijk stelsel van verplichte verzekering – per 1 januari 2006 onder de bepalingen van voormelde artikelen vallen.
42 Ingevolge bijlage VI bij verordening nr. 1408/71, onder R, punt 1, sub a en b, moeten dergelijke rechthebbenden op een pensioen of rente, die, ten laste van het Nederlandse orgaan, recht hebben op verstrekkingen bij ziekte in hun woonstaat krachtens de artikelen 28 en 28 bis van diezelfde verordening, zich daartoe melden bij het CVZ. Voorts moeten zij zich volgens artikel 29 van verordening nr. 574/72, om voor die verstrekkingen in aanmerking te komen, tevens inschrijven bij het bevoegde orgaan van hun woonstaat onder overlegging van een verklaring waarin wordt bevestigd dat zij krachtens de wettelijke regeling van de lidstaat die het pensioen of de rente verschuldigd is, recht op genoemde verstrekkingen hebben. Deze verklaring wordt gevormd door het E 121‑formulier.
43 Blijkens de elementen in het dossier die aan het Hof zijn voorgelegd, wordt de verplichting voor in een andere lidstaat dan Nederland woonachtige rechthebbenden op een pensioen of rente, verschuldigd uit hoofde van de Nederlandse wetgeving, zich bij het CVZ te melden om in hun woonstaat in aanmerking te komen voor verstrekkingen bij ziekte krachtens de artikelen 28 en 28 bis van verordening nr. 1408/71, ook al wordt zij vermeld in de formulering van de eerste vraag, in het kader van de hoofdgedingen slechts aan de orde gesteld voor zover naar aanleiding daarvan door Nederland een bijdrage op hun pensioen of rente wordt ingehouden waarvan de rechtmatigheid wordt betwist.
44 In die omstandigheden moet worden geconstateerd dat de verwijzende rechterlijke instantie met zijn eerste vraag in wezen wenst te vernemen of rechthebbenden op een pensioen of rente die, zoals verzoekers in de hoofdgedingen, in een andere lidstaat wonen dan de lidstaat die het pensioen of de rente verschuldigd is, ervoor kunnen kiezen – door zich niet in te schrijven bij het bevoegde orgaan van de woonstaat – zich niet aan de toepassing van verordening nr. 1408/71 te onderwerpen en, bijgevolg, geen aanspraak te maken op de prestaties in deze laatste lidstaat krachtens de artikelen 28 en 28 bis van dezelfde verordening, zodat zij niet gehouden zijn uit dien hoofde overeenkomstig artikel 33 van voormelde verordening bijdragen te betalen in de lidstaat die het pensioen of de rente verschuldigd is.
45 Om te beginnen zetten Fokkens en Janssen echter uiteen dat, anders dan de verwijzende rechterlijke instantie veronderstelt, hun situatie niet valt onder de artikelen 28 en 28 bis van verordening nr. 1408/71, maar onder artikel 13, lid 2, sub f, van die verordening, op grond waarvan zij, nu de Nederlandse wetgeving op hen niet meer van toepassing is daar zij in Nederland geen beroepswerkzaamheden meer verrichten, uitsluitend vallen onder de wettelijke regeling van hun woonstaat, zonder dat zij ook maar enige keuze hebben. Nederland mag dus geen bijdrage uit hoofde van dergelijke prestaties inhouden.
46 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71 op degene die ophoudt onderworpen te zijn aan de wettelijke regeling van een lidstaat zonder dat hij op grond van het bepaalde in artikel 13, lid 2, sub a tot en met d, of de artikelen 14 tot en met 17 van dezelfde richtlijn aan de wettelijke regeling van een andere lidstaat wordt onderworpen, de wettelijke regeling van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont van toepassing is. Volgens vaste rechtspraak is voormeld artikel 13, lid 2, sub f, onder meer van toepassing op personen die iedere activiteit definitief hebben gestaakt (arresten van 11 juni 1998, Kuusijärvi, C‑275/96, Jurispr. blz. I‑3419, punten 39 en 40, en 11 november 2004, Adanez-Vega, C‑372/02, Jurispr. blz. I‑10761, punt 24).
47 Deze algemene bepaling, die is opgenomen in titel II van verordening nr. 1408/71, getiteld „Vaststelling van de toe te passen wetgeving”, geldt evenwel alleen voor zover de bijzondere bepalingen voor de verschillende categorieën uitkeringen van titel III van dezelfde verordening niet in uitzonderingen voorzien (zie arrest van 27 mei 1982, Aubin, 227/81, Jurispr. blz. 1991, punt 11).
48 De artikelen 28 en 28 bis van die verordening, die staan in titel III, hoofdstuk 1, daarvan, onder het kopje „Ziekte en moederschap”, wijken van die algemene regels af voor wat betreft de verstrekkingen bij ziekte aan rechthebbenden op een pensioen of rente die wonen in een andere lidstaat dan de staat die het pensioen of de rente verschuldigd is.
49 In een situatie zoals die aan de orde in de hoofdgedingen heeft de verwijzende rechterlijke instantie derhalve terecht de artikelen 28 en 28 bis van verordening nr. 1408/71 en niet artikel 13, lid 2, sub f, van deze verordening toepasselijk geacht.
50 In dit verband vraagt de verwijzende rechter zich in wezen af, in de eerste plaats of de regeling van de artikelen 28 en 28 bis dwingend is voor de onder de werkingssfeer van die bepalingen vallende rechthebbenden op een pensioen of rente, en in de tweede plaats of die rechthebbenden uit hoofde van de prestaties waarin die bepalingen voorzien bijdragen dienen te betalen.
51 Aangaande om te beginnen de mogelijkheid voor houders van een pensioen of rente die in een andere lidstaat wonen dan de staat die het pensioen of de rente verschuldigd is, af te zien van de toepassing van de regeling van de artikelen 28 en 28 bis van verordening nr. 1408/71, moet worden opgemerkt dat volgens vaste rechtspraak de bepalingen van verordening nr. 1408/71 die betrekking hebben op de vaststelling van de toepasselijke wettelijke regeling, een volledig stelsel van conflictregels vormen, zodat de nationale wetgever niet meer bevoegd is om de draagwijdte en de toepassingsvoorwaarden van zijn nationale wettelijke regeling ter zake te bepalen met betrekking tot de personen die eraan onderworpen zijn en met betrekking tot het grondgebied waarbinnen de nationale bepalingen effect sorteren (zie onder meer arrest Adanez-Vega, reeds aangehaald, punt 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
52 Nu de conflictregels van verordening nr. 1408/71 dwingend gelden voor de lidstaten, is het a fortiori uitgesloten dat de sociaal verzekerden op wie die regels van toepassing zijn de gevolgen ervan teniet kunnen doen doordat zij kunnen kiezen zich eraan te onttrekken. De toepassing van de conflictregels van verordening nr. 1408/71 hangt immers alleen af van de objectieve situatie waarin de betrokken werknemer zich bevindt (zie in die zin arresten van 12 december 1967, Couture, 11/67, Jurispr. blz. 474, blz. 485; 13 december 1967, Guissart, 12/67, Jurispr. blz. 536, blz. 546, en 29 juni 1994, Aldewereld, C‑60/93, Jurispr. blz. I‑2991, punten 16‑20).
53 In dat verband heeft het Hof met betrekking tot migrerende werknemers reeds geoordeeld dat noch het WEU-Verdrag, inzonderheid artikel 45, noch verordening nr. 1408/71 de werknemer de keuze biedt, bij voorbaat afstand te doen van de voordelen van het onder meer in artikel 28, lid 1, van die verordening neergelegde mechanisme (arrest van 5 maart 1998, Molenaar, C‑160/96, Jurispr. blz. I‑843, punt 42).
54 Waar verordening nr. 1408/71 de onder haar werkingssfeer vallende sociaal verzekerden een kiezerecht biedt met betrekking tot de toepasselijke wetgeving, doet zij dat overigens met zoveel woorden (arrest Aubin, reeds aangehaald, punt 19).
55 Dat is stellig onder meer het geval met, zoals Van Delft en Van Willigen hebben opgemerkt, artikel 17 bis van verordening nr. 1408/71, op grond waarvan degene die recht heeft op een pensioen of rente overeenkomstig de wettelijke regeling van een of meer lidstaten en die op het grondgebied van een andere lidstaat woont, op zijn verzoek kan worden vrijgesteld van de toepassing van de wettelijke regeling van deze laatste lidstaat mits hij niet uit hoofde van de uitoefening van een beroepswerkzaamheid aan deze wettelijke regeling is onderworpen.
56 Het staat evenwel vast dat deze bepaling, die in titel II van verordening nr. 1408/71 staat, op een situatie als aan de orde in de hoofdgedingen niet van toepassing is aangezien, zoals Van Delft en Van Willigen hebben toegegeven, de artikelen 28 en 28 bis van die verordening, waar het gaat om aan die rechthebbenden op pensioen of rente verschuldigde prestaties bij ziekte, afwijkende bijzondere regels bevatten.
57 Zoals de advocaat-generaal daarentegen in punt 47 van zijn conclusie heeft opgemerkt, laten de artikelen 28 en 28 bis van verordening nr. 1408/71 volgens de bewoordingen ervan de onder deze bepalingen vallende rechthebbenden op pensioen of rente geen keuzerecht. Zo bepaalt artikel 28 van deze verordening dwingend dat wanneer de rechthebbende op een pensioen of rente verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een lidstaat, woont in een andere lidstaat, waar hij geen recht op prestaties heeft, hij niettemin „recht heeft” op verstrekkingen door het bevoegde orgaan van die lidstaat voor zover hij er recht op zou hebben indien hij woonde in de lidstaat die het pensioen of de rente verschuldigd is. Evenzo moet, wanneer de woonstaat een recht op verstrekkingen toekent, ingevolge artikel 28 bis van die verordening de lidstaat die het pensioen of de rente verschuldigd is, zonder over een andere mogelijkheid te beschikken, die verstrekkingen ten laste nemen, eveneens voor zover de rechthebbende op dat pensioen of die rente er recht op zou hebben indien hij woonde op het grondgebied van de lidstaat die dat pensioen of die rente verschuldigd is.
58 Verzoekers in de hoofdgedingen betogen echter dat, volgens de bewoordingen van artikel 29 van verordening n. 574/72, om op het grondgebied van de woonstaat „in aanmerking te komen” voor verstrekkingen krachtens de artikelen 28 en artikel 28 bis van verordening nr. 1408/71, de rechthebbende op een pensioen of rente zich dient in te schrijven bij het bevoegde orgaan van die staat onder overlegging van een verklaring in de vorm van een E 121‑formulier waarin wordt bevestigd dat hij krachtens de wettelijke regeling op grond waarvan dat pensioen of die rente verschuldigd is, recht op genoemde verstrekkingen heeft.
59 Diezelfde verzoekers geven in dat verband te kennen dat het Hof in de punten 40, 47 en 53 van het arrest Van der Duin en ANOZ Zorgverzekeringen, reeds aangehaald, heeft geoordeeld dat pas „wanneer” de rechthebbende op een pensioen of rente onder de regeling van artikel 28 van verordening nr. 1408/71 is gaan vallen doordat hij zich heeft ingeschreven bij het orgaan van de woonstaats, deze rechthebbende recht heeft op verstrekkingen in deze laatste staat. Volgens hen volgt hieruit dat wanneer hij zich niet inschrijft bij het bevoegde orgaan van de woonstaat, de rechthebbende op een pensioen of rente verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een andere lidstaat kan afzien van het recht op verstrekkingen in de woonstaat.
60 Dit betoog kan echter niet slagen.
61 Door de afgifte van het E 121‑formulier verklaart het bevoegde orgaan van een lidstaat enkel dat de betrokken sociaal verzekerde recht zou hebben op verstrekkingen krachtens de wettelijke regeling van die staat indien hij er woonde (zie naar analogie arresten van 10 februari 2000, FTS, C‑202/97, Jurispr. blz. I‑883, punt 50, en 30 maart 2000, Banks e.a., C‑178/97, Jurispr. blz. I‑2005, punt 53).
62 Doordat een dergelijk formulier zuiver declaratoir is, kan de overlegging ervan aan het bevoegde orgaan van een lidstaat ten behoeve van de inschrijving van de betrokken sociaal verzekerde in die staat dus geen voorwaarde vormen voor het ontstaan van rechten op prestaties in die lidstaat.
63 Bijgevolg vormt de in artikel 29 van verordening nr. 574/72 voorziene inschrijving bij het bevoegde orgaan van de woonstaat enkel een administratieve formaliteit, die moet worden vervuld om te verzekeren dat de verstrekkingen in die lidstaat krachtens de artikelen 28 en 28 bis van verordening nr. 1408/71 inderdaad worden toegekend. Dit is de betekenis die moet worden toegekend aan de punten 40, 47 en 53 van het arrest Van der Duin en ANOZ Zorgverzekeringen, reeds aangehaald, waarin het Hof heeft geconstateerd dat pas wanneer de houder van een pensioen of rente bij dat orgaan is ingeschreven, hij overeenkomstig artikel 28 van verordening nr. 1408/71 en artikel 29 van verordening nr. 574/72 recht heeft op verstrekkingen door datzelfde orgaan.
64 Hieruit volgt dat wanneer de rechthebbende op een pensioen of rente verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een lidstaat, onder de objectieve situatie zoals omschreven in de artikelen 28 en 28 bis van verordening nr. 1408/71 valt, de in die bepalingen neergelegde conflictregel op hem toepasselijk is zonder dat hij hiervan kan afzien door na te laten zich overeenkomstig artikel 29 van verordening nr. 574/72 in te schrijven bij het bevoegde orgaan van de woonstaat.
65 Bijgevolg zijn de artikelen 28 en 28 bis van verordening nr. 1408/71 dwingend voor de sociaal verzekerden die onder de werkingssfeer ervan vallen.
66 In de tweede plaats betogen Fokkens en Janssen met betrekking tot de verplichting, bijdragen te betalen in de lidstaat die het pensioen of de rente verschuldigd is, dat de toepassing van de artikelen 28 en 28 bis van verordening nr. 1408/71 hoe dan ook niet kan rechtvaardigen dat zij aan het bij de ZVW ingevoerde stelsel van wettelijk verplichte zorgverzekering moeten bijdragen, daar zij niet wonen of werken in Nederland en dus in het kader van die nieuwe wettelijke regeling geen recht hebben op verstrekkingen bij ziekte in die lidstaat. Anders dan de ZFW sluit de ZVW niet-ingezetenen uitdrukkelijk van haar werkingssfeer uit.
67 Dit betoog gaat er echter aan voorbij dat, zoals blijkt uit de punten 37 tot en met 41 van het onderhavige arrest, de artikelen 28 en 28 bis van verordening nr. 1408/71 een „conflictregel” bevatten op grond waarvan rechthebbenden op een pensioen of rente die in een andere lidstaat wonen dan de staat die dat pensioen of die rente verschuldigd is, ten laste van deze laatste recht hebben op verstrekkingen bij ziekte in hun woonstaat voor zover zij er krachtens de lidstaat die het pensioen of de rente verschuldigd is recht zouden hebben indien zij op het grondgebied van deze laatste woonden.
68 Hieruit volgt dat ofschoon – naar niet wordt bestreden – de ZVW inderdaad niet van toepassing is op de rechthebbenden op een pensioen of rente verschuldigd krachtens de Nederlandse wetgeving die, zoals verzoekers in de hoofdgedingen, wonen in een andere lidstaat dan Nederland, dit niet wegneemt dat die verzoekers recht zouden hebben op verstrekkingen bij ziekte in Nederland krachtens de ZVW indien zij in Nederland woonden, zodat zij uit hoofde van de regeling van de artikelen 28 en 28 bis van verordening nr. 1408/71 ten laste van diezelfde staat voor die verstrekkingen in aanmerking komen in hun woonstaat.
69 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens artikel 33, lid 1, van verordening nr. 1408/71 het orgaan van een lidstaat dat een pensioen of rente verschuldigd is en dat een wettelijke regeling toepast waarin is bepaald, dat voor rekening van de rechthebbende op dat pensioen of die rente bijdragen of premies worden ingehouden om de kosten van de prestaties bij ziekte te dekken, gemachtigd is deze bedragen in te houden op het pensioen of de rente welke dit orgaan verschuldigd is, voor zover de prestaties krachtens de artikelen 28 en 28 bis van die verordening voor rekening van een orgaan van bedoelde lidstaat komen.
70 In casu staat vast dat volgens de Nederlandse wettelijke regeling op grond waarvan het pensioen of de rente van verzoekers in de hoofdgedingen verschuldigd is, dergelijke bijdragen of premies worden ingehouden.
71 In het kader van de regeling van de artikelen 28 en 28 bis van verordening nr. 1408/71 worden de verstrekkingen aan de rechthebbende op een pensioen of rente door het bevoegde orgaan van de woonstaat verleend ten laste van de lidstaat die het pensioen of de rente verschuldigd is.
72 Aangezien, zoals hiervóór is gebleken, de onder de artikelen 28 en 28 bis van verordening nr. 1408/71 vallende rechthebbenden op een pensioen of rente wegens het feit dat die bepalingen in een dwingende regeling voorzien er niet voor kunnen kiezen, af te zien van hun recht op verstrekkingen in hun woonstaat door zich niet in te schrijven bij het bevoegde orgaan van die lidstaat, kan dan ook dat verzuim om zich in te schrijven niet tot gevolg hebben dat zij geen bijdragen hoeven te betalen in de lidstaat die hun pensioen of rente verschuldigd is, daar zij hoe dan ook ten laste blijven van deze laatste staat doordat zij zich niet aan de regeling van genoemde verordening kunnen onttrekken.
73 Het is juist dat een dergelijke sociaal verzekerde, indien hij zich niet inschrijft bij het bevoegde orgaan van de woonstaat, de betrokken verstrekkingen in die staat niet effectief kan ontvangen en dus geen kosten meebrengt die de lidstaat die zijn pensioen of rente verschuldigd is aan zijn woonstaat zou moeten vergoeden krachtens artikel 36 van verordening nr.1408/71 juncto artikel 95 van verordening nr. 574/72.
74 Die omstandigheid doet echter niet af aan het bestaan van het recht op die verstrekkingen en, bijgevolg, aan de daar tegenover staande verplichting, aan de bevoegde organen van de lidstaat op grond van de wetgeving waarvan dat recht bestaat, de bijdragen te betalen die verschuldigd zijn als tegenprestatie voor het risico dat die staat draagt ingevolge de bepalingen van verordening nr. 1408/71. Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, gebiedt geen regel van Unierecht het bevoegde orgaan van een lidstaat immers na te gaan of een sociaal verzekerde aanspraak kan maken op alle prestaties van een zorgverzekeringsregeling, alvorens die verzekerde aan te sluiten en tot heffing van de overeenkomstige bijdragen over te gaan (arrest Molenaar, reeds aangehaald, punt 41).
75 Zoals de Nederlandse regering en de Europese Commissie te kennen hebben gegeven is een dergelijke verplichting tot bijdragebetaling op grond dat recht op prestaties bestaat, ook al worden niet effectief prestaties verleend, inherent aan het door de nationale socialezekerheidsstelsels toegepaste solidariteitsbeginsel. Zonder bijdrageplicht zouden de belanghebbenden immers ertoe kunnen overgaan, tot het intreden van het risico te wachten alvorens aan de financiering van dat stelsel bij te dragen.
76 De door Van Delft en Van Willigen ingeroepen omstandigheid dat zij, gezien hun leeftijd en aangezien zij particulier tegen ziektekosten verzekerd waren en blijven, geen enkel belang hebben bij dergelijke speculatieve gedragingen, is in dit verband irrelevant, nu vaststaat dat het gevaar voor een dergelijk gedrag met betrekking tot op zijn minst een deel van de onder het betrokken socialezekerheidsstelsel vallende sociaal verzekerden niet kan worden uitgesloten. De solidariteit van een dergelijk stelsel moet immers, om niet van de essentie van zijn inhoud te worden beroofd, dwingend worden gewaarborgd door alle eronder vallende sociaal verzekerden, onafhankelijk van het individuele gedrag waartoe elk van hen op basis van persoonlijke parameters kan besluiten.
77 Voor het overige merken Van Delft en Van Willigen ten onrechte op dat de lidstaat die het pensioen of de rente verschuldigd is de solidariteit van het betrokken stelsel niet als argument kan aanvoeren daar hij niet het risico draagt van de verlening van verstrekkingen bij ziekte in de woonstaat.
78 Op grond van artikel 95 van verordening nr. 574/72 immers wordt het bedrag van de krachtens de artikelen 28 en 28 bis van verordening nr. 1408/71 verleende verstrekkingen in beginsel door het bevoegde orgaan van de staat die het pensioen of de rente verschuldigd is, aan het orgaan van de woonstaat weliswaar vergoed door middel van een vast bedrag, maar dit neemt niet weg dat dit vast bedrag bestemd is om alle verstrekkingen aan de betrokkenen te dekken en dat het wordt berekend op basis van de gemiddelde jaarlijkse kosten van geneeskundige zorg van een rechthebbende op pensioen of rente in de woonstaat. Volgens voormelde bepaling moet het vaste bedrag de daadwerkelijke kosten „zo dicht mogelijk” benaderen (zie in die zin arrest Van der Duin en ANOZ Zorgverzekeringen, reeds aangehaald, punt 44).
79 Hieruit volgt dat de lidstaat die het pensioen of de rente van een in een andere lidstaat wonende rechthebbende verschuldigd is, grotendeels het risico draagt in verband met de verlening van verstrekkingen bij ziekte in de woonstaat van die rechthebbende.
80 Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat de artikelen 28, 28 bis en 33 van verordening nr. 1408/71 juncto artikel 29 van verordening nr. 574/72 aldus moeten worden uitgelegd dat daarmee niet onverenigbaar is een wettelijke regeling van een lidstaat zoals aan de orde in de hoofdgedingen, op grond waarvan een rechthebbende op pensioen of rente verschuldigd krachtens de wetgeving van die staat, die woont in een andere lidstaat, waar hij krachtens voormelde artikelen 28 en 28 bis recht heeft op verlening van verstrekkingen bij ziekte door het bevoegde orgaan van die lidstaat, in de vorm van een inhouding op dat pensioen of die rente een bijdrage uit hoofde van die verstrekkingen moet betalen, ook al is hij niet ingeschreven bij het bevoegde orgaan van zijn woonstaat.
De tweede vraag
81 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de artikelen 21 VWEU en 45 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat daarmee niet onverenigbaar is een wettelijke regeling van een lidstaat zoals aan de orde in de hoofdgedingen, op grond waarvan een rechthebbende op pensioen of rente verschuldigd krachtens de wetgeving van die staat, die woont in een andere lidstaat, waar hij krachtens de artikelen 28 en 28 bis van verordening nr. 1408/71 recht heeft op verlening van verstrekkingen bij ziekte door het bevoegde orgaan van die laatste lidstaat, zich moet melden bij het bevoegde orgaan van de lidstaat die dat pensioen of die rente verschuldigd is en tevens in de vorm van een inhouding op dat pensioen of die rente een bijdrage uit hoofde van die verstrekkingen moet betalen, ook al is hij niet ingeschreven bij het bevoegde orgaan van zijn woonstaat.
82 Zoals reeds blijkt uit punt 43 van het onderhavige arrest, wordt de verplichting voor genoemde rechthebbenden op een pensioen of rente, zich bij het CVZ te melden om krachtens de artikelen 28 en 28 bis van verordening nr. 1408/71 in aanmerking te komen voor verstrekkingen bij ziekte, niet als zodanig aan de orde gesteld in de hoofdgedingen.
83 In die omstandigheden moet de tweede vraag aldus worden begrepen dat de verwijzende rechter in hoofdzaak wenst te vernemen of de artikelen 21 VWEU en 45 VWEU in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling zoals aan de orde in de hoofdgedingen, die overeenkomstig de artikelen 28, 28 bis en 33 van verordening nr. 1408/71 bepaalt dat de rechthebbende op een pensioen of rente die in een andere lidstaat woont dan de staat die het pensioen of de rente verschuldigd is, in deze laatste staat bijdragen moet betalen voor de verlening van verstrekkingen bij ziekte in hun woonstaat, ook al is hij niet ingeschreven bij het bevoegde orgaan van die staat.
84 Het zij in herinnering gebracht dat ingevolge de rechtspraak van het Hof en artikel 168, lid 7, VWEU het recht van de Unie de bevoegdheid van de lidstaten om hun socialezekerheidsstelsels in te richten, in het bijzonder om het gezondheidswezen en geneeskundige zorg te organiseren en te verstrekken, onverlet laat. Bij gebreke aan harmonisatie op het niveau van de Europese Unie staat het elke lidstaat vrij, in zijn wetgeving de voorwaarden voor de verlening van prestaties van sociale zekerheid te regelen. De lidstaten dienen deze bevoegdheid evenwel uit te oefenen met inachtneming van het recht van de Unie, met name de bepalingen van het Verdrag inzake het vrije verkeer van werknemers of inzake de vrijheid van elke burger van de Europese Unie om te reizen en te verblijven op het grondgebied van de lidstaten (zie in die zin onder meer arresten van 16 juli 2009, von Chamier-Glisczinski, C‑208/07, Jurispr. blz. I‑6095, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 15 juni 2010, Commissie/Spanje, C‑211/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 53).
85 De uitlegging van verordening nr. 1408/71 door het Hof in antwoord op de eerste vraag is echter gegeven onverminderd de oplossing die zou voortvloeien uit de eventuele toepasselijkheid van bepalingen van primair recht. De vaststelling dat een nationale maatregel in overeenstemming kan zijn met een handeling van afgeleid recht, in casu verordening nr. 1408/71, heeft immers niet noodzakelijkerwijs tot gevolg dat deze maatregel niet aan de verdragsbepalingen mag worden getoetst (zie onder meer arrest van 16 mei 2006, Watts, C‑372/04, Jurispr. blz. I‑4325, punt 47, en reeds aangehaalde arresten von Chamier-Glisczinski, punt 66, en Commissie/Spanje, punt 45).
86 Daaruit volgt dat het feit dat de artikelen 28, 28 bis en 33 van verordening nr. 1408/71 van toepassing zijn op een situatie als die aan de orde in de hoofdgedingen, op zich niet uitsluit dat verzoekers in de hoofdgedingen er zich op grond van het primaire recht tegen kunnen verzetten dat het bevoegde orgaan van de lidstaat die hun pensioen of rente verschuldigd is bijdragen inhoudt voor de verlening van verstrekkingen bij ziekte door het bevoegde orgaan van hun woonstaat (zie naar analogie arrest von Chamier-Glisczinski, reeds aangehaald, punt 66).
87 In casu moet vooraf worden onderzocht of een situatie als de onderhavige valt onder de werkingssfeer van de in de tweede vraag aangehaalde bepalingen, te weten de artikelen 21 VWEU en 45 VWEU.
88 Wat om te beginnen de toepasbaarheid van artikel 45 VWWEU betreft, dient meteen al in herinnering te worden gebracht dat het begrip „werknemer” in het Unierecht geen eenduidig begrip is, maar varieert naargelang van het gebied dat in de beschouwing wordt betrokken. Zo valt het in het kader van artikel 45 VWEU gehanteerde begrip „werknemer” niet noodzakelijkerwijs samen met het begrip dat gangbaar is binnen de sfeer van artikel 48 VWEU en verordening nr. 1408/71 (zie in die zin arrest von Chamier-Glisczinski, reeds aangehaald, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
89 Wat artikel 45 VWEU betreft is het vaste rechtspraak dat het begrip „werknemer” in de zin van deze bepaling een zelfstandige betekenis binnen het recht van de Unie heeft en niet beperkt mag worden uitgelegd. Werknemer is iedereen die reële en daadwerkelijke arbeid verricht, met uitsluiting van werkzaamheden van zo geringe omvang dat zij louter marginaal en bijkomstig zijn. Volgens deze rechtspraak is het kenmerk van de arbeidsverhouding dat iemand gedurende bepaalde tijd voor een ander onder diens gezag prestaties verricht tegen beloning (zie arrest von Chamier-Glisczinski, reeds aangehaald, punt 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
90 Voor het overige volgt weliswaar uit artikel 45, lid 3, sub d, VWEU en artikel 17, lid 1, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB L 158, blz. 77), dat een persoon na beëindiging van zijn beroepswerkzaamheden het recht heeft verblijf te houden op het grondgebied van de lidstaat waarnaar hij zich had begeven om er een betrekking te vervullen, maar volgens de rechtspraak kan een persoon die zijn volledige beroepswerkzaamheid heeft uitgeoefend in de lidstaat waarvan hij onderdaan is en pas na zijn pensionering gebruik heeft gemaakt van zijn recht om in een andere lidstaat te verblijven zonder de bedoeling te hebben daar een werkzaamheid in loondienst uit te oefenen, zich niet beroepen op het vrije verkeer van werknemers (arresten van 9 november 2006, Turpeinen, C‑520/04, Jurispr. blz. I‑10685, punt 16, en 23 april 2009, Rüffler, C‑544/07, Jurispr. blz. I‑3389, punt 52).
91 In casu blijkt uit de gegevens in het aan het Hof voorgelegde dossier dat verzoekers in de hoofdgedingen, die allen de pensioenleeftijd hebben bereikt, Nederlandse onderdanen zijn, dat zij rechthebbenden zijn op een pensioen of rente krachtens respectievelijk de AOW en de WAO, dat zij hun volledige beroepsloopbaan in Nederland hebben opgebouwd en dat zij vervolgens zijn gaan wonen in een andere lidstaat, waar zij geen beroepswerkzaamheden verrichten en nooit op zoek zijn geweest naar werk.
92 Van Delft en Van Willigen voeren weliswaar aan dat hun situatie onder artikel 45 VWEU zou kunnen vallen, maar zij voeren tot staving van die bewering geen concreet element aan dat de voorgaande overwegingen kan ontkrachten. Die verzoekers geven juist met zoveel woorden te kennen dat zij naar een andere lidstaat zijn geëmigreerd na hun pensionering.
93 In die omstandigheden moet, in navolging van de Commissie en de Franse en de Finse regering, worden vastgesteld dat artikel 45 VWEU op een situatie als aan de orde in de hoofdgedingen geen toepassing kan vinden.
94 Daarentegen moet worden beklemtoond dat verzoekers in de hoofdgedingen, als Nederlandse onderdanen, hoe dan ook aan artikel 20, lid 1, VWEU het burgerschap van de Unie ontlenen.
95 Door zich naar een andere lidstaat te begeven en daar hun woonplaats te vestigen hebben zij de hun door artikel 21, lid 1, VWEU verleende rechten uitgeoefend. Een situatie als die van hen valt dus onder het recht van de burger van de Unie, vrij te reizen en te verblijven op het grondgebied van een andere lidstaat dan die waarvan zij onderdaan zijn.
96 Volgens artikel 21, lid 1, VWEU heeft iedere burger van de Unie het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij het Verdrag en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.
97 In dit verband blijkt uit vaste rechtspraak dat de door het Verdrag toegekende rechten op het gebied van vrij verkeer van burgers van de Unie hun volle werking niet zouden kunnen ontplooien indien een onderdaan van een lidstaat zou kunnen worden ontmoedigd deze rechten uit te oefenen doordat zijn verblijf in een andere lidstaat wordt belemmerd door een regeling van zijn lidstaat van herkomst, die hem benadeelt wegens het enkele feit dat hij deze rechten heeft uitgeoefend (zie arrest von Chamier-Glisczinski, reeds aangehaald, punt 82 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
98 In casu geven verzoekers in de hoofdgedingen te kennen dat zij zich, doordat zij hun woonplaats naar een andere lidstaat dan Nederland hebben verlegd, voor de verlening van verstrekkingen bij ziekte in een situatie bevinden die minder gunstig is dan de situatie waarin zij zouden hebben verkeerd indien zij in Nederland woonden. Door de inwerkingtreding van de ZVW op 1 januari 2006 zou namelijk hun niveau van bescherming tegen ziektekosten, anders dan het geval is met ingezetenen van Nederland, aanzienlijk zijn verslechterd, daar de prestaties in het kader van de wetgeving van de woonstaat zowel wat de kosten als wat de kwaliteit betreft minder gunstig zijn dan in het kader van particuliere verzekeringsovereenkomsten. De prestaties waar Nederlandse ingezetenen in het kader van de ZVW voor in aanmerking komen zijn daarentegen vergelijkbaar met die laatste.
99 Dienaangaande zij in herinnering gebracht dat aangezien artikel 48 VWEU in een coördinatie en niet in een harmonisatie van de wettelijke regelingen van de lidstaten voorziet, dit artikel niet raakt aan de materiële en formele verschillen tussen de stelsels van sociale zekerheid van de onderscheiden lidstaten en dus ook niet aan de verschillen in de rechten van de daarbij aangesloten personen. Iedere lidstaat blijft bevoegd om in zijn wetgeving met inachtneming van het recht van de Unie de voorwaarden voor toekenning van prestaties krachtens een stelsel van sociale zekerheid te bepalen (zie in die zin arrest von Chamier-Glisczinski, reeds aangehaald, punt 84).
100 Bijgevolg kan artikel 21, lid 1, VWEU een verzekerde niet waarborgen dat verplaatsing naar een andere lidstaat voor de sociale zekerheid, onder meer voor de prestaties bij ziekte, neutraal zal zijn. Rekening houdend met de verschillen tussen de stelsels en de wettelijke regelingen van de lidstaten op dit gebied kan een dergelijke verplaatsing, naargelang van het geval, op het gebied van de sociale bescherming voor de betrokken persoon meer of minder voordelig of onvoordelig zijn (zie arrest von Chamier-Glisczinski, reeds aangehaald, punt 85).
101 Nationale wetgeving op het gebied van de sociale zekerheid blijft dus met artikel 21 VWEU stroken, ook indien de toepassing ervan minder gunstig is, mits zij er niet zonder meer toe leidt dat sociale bijdragen worden betaald zonder dat daar een recht op prestaties tegenover staat (zie naar analogie arresten van 19 maart 2002, Hervein e.a., C‑393/99 en C‑394/99, Jurispr. blz. I‑2829, punt 51; 9 maart 2006, Piatkowski, C‑493/04, Jurispr. blz. I‑2369, punt 34, en 18 juli 2006, Nikula, C‑50/05, Jurispr. blz. I‑7029, punt 30).
102 Zoals blijkt uit punt 41 van het onderhavige arrest is de onderhavige situatie, waarin in een andere lidstaat dan Nederland wonende rechthebbenden op een pensioen of rente verschuldigd op grond van de Nederlandse wetgeving sinds 1 januari 2006 onder het stelsel van verstrekkingen bij ziekte van de wettelijke regeling van hun woonstaat vallen, terwijl zij voorheen onder geen wettelijk stelsel van verplichte ziektekostenverzekering vielen en dus enkel in het kader van particuliere verzekeringen tegen ziektekosten verzekerd konden zijn, het resultaat van het besluit van de Nederlandse wetgever, in de uitoefening van zijn bevoegdheden tot inrichting van de socialezekerheidsstelsels, het wettelijk stelsel van verplichte ziektekostenverzekering uit te strekken tot onder meer alle ingezetenen van Nederland, met als gevolg, gelet op de conflictregels van de artikelen 28 en 28 bis van verordening nr. 1408/71, dat bedoelde rechthebbenden op een pensioen of rente rechthebbenden zijn geworden op prestaties bij ziekte die in hun woonstaat worden verleend.
103 Vastgesteld moet worden dat, zoals de Nederlandse regering te kennen heeft gegeven, de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde nationale wetgeving overeenkomstig de regels van verordening nr. 1408/71 bepaalt dat rechthebbenden op pensioen of rente die geen ingezetenen zijn, recht hebben op verstrekkingen bij ziekte in het kader van de wetgeving van hun woonstaat, en dus het vrije verkeer van burgers van de Unie veeleer vergemakkelijkt dan beperkt. Door die wetgeving hebben die burgers immers in hun woonstaat toegang tot zorg waaraan zij gezien hun gezondheidstoestand behoefte hebben, op gelijke voet als personen die bij het socialezekerheidsstelsel van die lidstaat zijn aangesloten.
104 Dit geldt temeer in de hoofdgedingen, nu vaststaat dat ten vervolge op de kortgedingprocedures die verzoekers in de hoofdgedingen voor de nationale rechter hadden ingeleid, het bedrag van de bijdragen die verschuldigd zijn door in een andere lidstaat dan Nederland wonende rechthebbenden op pensioen of rente verschuldigd krachtens de Nederlandse wetgeving, door de toepassing van een coëfficiënt die de kosten van levensonderhoud in de woonstaat weergeeft thans lager is dan het bedrag dat wordt betaald door in Nederland wonende personen die recht hebben op hetzelfde pensioen of dezelfde rente.
105 Het kan niet worden uitgesloten dat, zoals verzoekers in de hoofdgedingen betogen, de verstrekkingen bij ziekte die overeenkomstig verordening nr. 1408/71 in de woonstaat worden verleend, gelet op de kosten en de kwaliteit ervan minder gunstig zijn dan de verstrekkingen aan ingezetenen van Nederland in het kader van de ZVW.
106 Een dergelijk verschil in niveau van bescherming tegen ziektekosten tussen de nationale socialezekerheidsstelsels van de lidstaten is echter het gevolg van het gebrek aan harmonisatie van het recht van de Unie op het betrokken gebied en kan overeenkomstig de in de punten 99 en 100 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak niet worden beschouwd als een onder artikel 21, lid 1, VWEU vallende beperking. Dienaangaande is, anders dan Van Delft en Van Willigen hebben betoogd, irrelevant dat deze hun woonplaats vóór en niet na de inwerkingtreding van de ZVW naar een andere lidstaat hebben verlegd.
107 Voorts is het niet zo dat de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde nationale wetgeving in een andere lidstaat dan Nederland wonende rechthebbenden op een pensioen of rente verplicht aan een stelsel van sociale zekerheid bij te dragen zonder dat daar sociale bescherming tegenover staat.
108 Ook al kunnen immers aan rechthebbenden op een pensioen of rente verschuldigd krachtens de Nederlandse wetgeving in hun woonstaat geen verstrekkingen bij ziekte worden verleend indien zij niet in die staat zijn ingeschreven, dit neemt niet weg dat bijdragebetaling in Nederland die sociaal verzekerden recht geeft op de verlening van prestaties in hun woonstaat ten laste van Nederland.
109 In de onderhavige zaak moet daarnaast worden vermeld dat bij de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde wetgeving niet alleen het wettelijk stelsel van verplichte ziektekostenverzekering is uitgestrekt tot onder meer alle ingezetenen van Nederland en overeenkomstig verordening nr. 1408/71 is bepaald dat in een andere lidstaat dan Nederland wonende rechthebbenden op een pensioen of rente verschuldigd krachtens de Nederlandse wetgeving, indien zij in deze laatste lidstaat premie betalen recht hebben op verstrekkingen bij ziekte in hun woonstaat. De aan de orde zijnde wetgeving heeft namelijk tevens vastgelegd dat per 1 januari 2006 verzekeringsovereenkomsten die vóór die datum door dergelijke niet-ingezetenen met een in Nederland gevestigde maatschappij waren gesloten, van rechtswege eindigden voor zover aan de overeenkomsten rechten konden worden ontleend gelijkwaardig aan die welke vanaf dat tijdstip uit de toepassing van verordening nr. 1408/71 voortvloeiden.
110 Van Delft, Van Willigen en Fokkens betogen dat door deze eindiging van rechtswege ingevolge artikel 2.5.2 van de IZVW, de rechten die niet-ingezetenen die rechthebbende op een pensioen of rente krachtens de Nederlandse wetgeving zijn, hadden verkregen in het kader van verzekeringsovereenkomsten die onder de oude wettelijke regeling met in Nederland gevestigde verzekeringsmaatschappijen waren gesloten, ernstig zijn aangetast. Als gevolg van dit verval hebben die niet-ingezetenen immers, om er zeker van te zijn dat zij het aan die overeenkomsten verbonden niveau van globale dekking zouden behouden, na 1 januari 2006 nieuwe verzekeringsovereenkomsten moeten sluiten ter aanvulling van de in hun woonstaat verleende basisverstrekkingen. Door hun leeftijd hebben zij die nieuwe overeenkomsten tegen bijzonder ongunstige tariefvoorwaarden moeten sluiten.
111 Volgens Van Delft en Van Willigen zijn ingezetenen en niet-ingezetenen in dat opzicht ongelijk behandeld. In de praktijk, zo betogen zij, komen de tariefvoorwaarden in de nieuwe verzekeringsovereenkomsten die na de inwerkingtreding van de ZVW door ingezetenen zijn gesloten, in hoofdzaak overeen met de voorwaarden die die ingezetenen waren overeengekomen in het kader van onder de gelding van de ZFW gesloten verzekeringsovereenkomsten, terwijl daarentegen in het geval van niet-ingezetenen de voorwaarden die de verzekeraars na die inwerkingtreding hebben geboden, aanzienlijk minder voordelig zijn dan de voorwaarden die voorheen in hun oude overeenkomsten stonden.
112 De Nederlandse regering, die ter terechtzitting op dit punt is gehoord, heeft uiteengezet dat in de ZVW slechts was voorzien in verval per 1 januari 2006 van vóór de inwerkingtreding van de ZVW met in Nederland gevestigde maatschappijen gesloten verzekeringsovereenkomsten „voor zover” aan de overeenkomst wat verstrekkingen bij ziekte betreft rechten konden worden ontleend gelijkwaardig aan die waarop de belanghebbenden na die inwerkingtreding aanspraak konden maken krachtens verordening nr. 1408/71. Dat verval strekte zich dus niet uit tot de volledige inhoud van de verzekeringsovereenkomsten, maar alleen tot het deel ervan dat met het wettelijk basisstelsel van de woonstaat overeenkwam, ter vermijding van dubbele verzekering en dus dubbele premiebetaling.
113 De Nederlandse regering geeft toe dat in de praktijk de betrokken verzekeringsovereenkomsten in de meeste gevallen volledig zijn vervallen en dat daardoor de betrokkenen die na 1 januari 2006 een aanvullende dekking van hun ziektekosten naast het wettelijke basisstelsel wensten te behouden, gedwongen waren nieuwe overeenkomsten te sluiten, maar voegt hieraan toe dat ingezetenen en niet-ingezetenen op dat punt gelijk zijn behandeld.
114 Het staat niet aan het Hof om zich in het kader van een prejudiciële verwijzing uit te spreken over de uitlegging van de nationale bepalingen of over de beoordeling van de feitelijke context van het hoofdgeding, hetgeen uitsluitend de taak is van de nationale rechter (zie in die zin onder meer arrest van 23 april 2009, Angelidaki e.a., C‑378/07–C‑380/07, Jurispr. blz. I‑3071, punt 48).
115 De verwijzende rechterlijke instantie dient dus te beoordelen of, en in hoeverre, op grond van de aan de orde zijnde nationale wetgeving ingezetenen en niet-ingezetenen verschillend worden behandeld.
116 Zo mocht komen vast te staan dat bedoelde wetgeving maatregelen bevat die moeten waarborgen dat de globale dekking zoals die voortvloeide uit de vóór de inwerkingtreding van de ZVW gesloten verzekeringsovereenkomsten behouden blijft, en dat die maatregelen enkel gelden voor door ingezetenen gesloten overeenkomsten, zou een dergelijk verschil in behandeling ten opzichte van niet-ingezetenen, zoals de advocaat-generaal in punt 79 van zijn conclusie heeft opgemerkt, het vrije verkeer van burgers van de Unie beperken in de zin van artikel 21, lid 1, VWEU, daar het in de zin van in punt 97 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak rechthebbenden op pensioen of rente verschuldigd krachtens de Nederlandse wetgeving, zoals verzoekers in de hoofdgedingen, zou kunnen ontmoedigen, hun woonplaats in een andere lidstaat dan Nederland aan te houden. Noch de Nederlandse regering noch het CVZ heeft in het kader van de onderhavige prejudiciële verwijzing echter het minste element ter rechtvaardiging van dat verschil in behandeling aangevoerd.
117 Bij zijn onderzoek of sprake is van een beperking in de zin van artikel 21 VWEU zal de nationale rechter zeer in het bijzonder rekening moeten houden met de volgende relevante elementen die uit het aan het Hof voorgelegde dossier blijken.
118 In de eerste plaats volgt uit de bewoordingen van artikel 2.5.2, lid 2, van de IZVW dat op grond hiervan alleen door niet-ingezetenen gesloten overeenkomsten van rechtswege zijn geëindigd. Deze bepaling ziet niet op door ingezetenen gesloten verzekeringsovereenkomsten.
119 Om uit te maken of deze bepaling, gelijk de bewoordingen ervan lijken aan te geven, tot een verschil in behandeling van ingezetenen en niet-ingezetenen leidt, zal de verwijzende rechter moeten nagaan of de aan de orde zijnde nationale wetgeving, zoals de Nederlandse regering heeft opgemerkt, een andere bepaling bevat op grond waarvan verzekeringsovereenkomsten die vóór de inwerkingtreding van de ZVW door ingezetenen waren gesloten, eveneens en op dezelfde wijze van rechtswege zijn geëindigd.
120 Indien dat het geval is, zal de verwijzende rechter tevens moeten nagaan of die eindiging van rechtswege voor ingezetenen en niet-ingezetenen dezelfde gevolgen heeft en inzonderheid of, zoals de Nederlandse regering heeft opgemerkt, die eindiging in beide gevallen alleen geldt voor het deel van de overeenkomst waaraan rechten konden worden ontleend gelijkwaardig aan die welke voortvloeiden uit het toepasselijke verplichte wettelijk stelsel.
121 In de tweede plaats blijkt zowel uit de schriftelijke opmerkingen van Van Delft en Van Willigen als uit die van de Nederlandse regering dat, voor ingezetenen die op 1 januari 2006 een overeenkomst hadden gesloten, de verzekeringsmaatschappijen die deelnemen aan het wettelijk stelsel van verplichte ziektekostenverzekering van de ZVW op grond van de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde nationale wetgeving al deze personen als verzekerde hebben moeten aanvaarden voor alle verstrekkingen bij ziekte die in het kader van die overeenkomsten gedekt waren, dat wil zeggen zowel voor de basisverstrekkingen op grond van de ZVW als voor de verstrekkingen die aanvullend zijn ten opzichte van deze wettelijke minimumdekking.
122 Volgens Van Delft en Van Willigen daarentegen heeft die wetgeving diezelfde verzekeringsmaatschappijen, voor zover zij in Nederland gevestigd zijn, die acceptatieplicht niet opgelegd voor niet-ingezetenen die vóór de inwerkingtreding van de ZVW verzekerd waren op basis van een verzekeringsovereenkomst met die maatschappijen en die, sinds die inwerkingtreding, ingevolge de artikelen 28 en 28 bis van verordening nr. 1408/71 recht hebben op verstrekkingen in de woonstaat ten laste van Nederland.
123 Indien – hetgeen de verwijzende rechterlijke instantie dient uit te maken – de juistheid van deze beweringen mocht komen vast te staan, zou ook dit een verschil in behandeling zijn tussen ingezetenen en niet-ingezetenen, waardoor deze laatste bij de inwerkingtreding van de ZVW in een minder gunstige positie zijn geplaatst.
124 Zonder de wettelijke verplichting, niet-ingezetenen te verzekeren, inzonderheid voor wat betreft de verstrekkingen bij ziekte die aanvullend zijn ten opzichte van de basisverstrekkingen waarvoor die niet-ingezetenen in aanmerking komen in hun woonstaat, kon een dergelijke wettelijke regeling de betrokken verzekeringsmaatschappijen ertoe brengen, de gelegenheid van de inwerkingtreding van de ZVW aan te grijpen om verzekeringen die voorheen waren gesloten met die niet-ingezetenen – die op grond van hun leeftijd en hun gezondheidstoestand als behorend tot de „slechte risico’s” worden gezien – volledig te beëindigen en de aan die personen aangeboden tariefvoorwaarden opnieuw te beoordelen en aan te passen rekening houdend met de evolutie van die parameters sedert de sluiting van de aanvankelijke overeenkomst.
125 In de derde plaats tot slot hebben Van Delft en Van Willigen ter terechtzitting beklemtoond dat vóór de inwerkingtreding van de ZVW tussen de Nederlandse regering en de betrokken verzekeringsmaatschappijen nauwe onderhandelingen zijn gevoerd. Het resultaat van die onderhandelingen zou zijn geweest, althans vanuit politiek oogpunt, dat aan ingezetenen redelijke tariefvoorwaarden moesten worden geboden die in wezen overeenkwamen met de voorwaarden die in de vóór januari 2006 gesloten overeenkomsten overheersten.
126 Ter terechtzitting heeft de Nederlandse regering in antwoord op vragen hierover te kennen gegeven dat het volledige verval van de vóór de inwerkingtreding van de ZVW gesloten overeenkomsten niet alleen zowel voor ingezetenen als voor niet-ingezetenen gold, maar haar bovendien niet kan worden verweten, aangezien de betrokken overeenkomsten ingevolge de ZVW slechts gedeeltelijk zijn vervallen. De beweerdelijk ongunstige tariefvoorwaarden die verzoekers in de hoofdgedingen bij de sluiting van die nieuwe overeenkomsten zijn geboden voor een aanvullende dekking zouden dus uitsluitend het gevolg zijn van commerciële beslissingen die de betrokken verzekeringsmaatschappijen zelfstandig hebben genomen.
127 De verwijzende rechterlijke instantie moet uitmaken of, zoals Van Delft en Van Willigen hebben betoogd, de betrokken verzekeringsmaatschappijen op verzoek van de Nederlandse regering zich inderdaad ertoe hadden verbonden ervoor te zorgen dat de globale dekking die uit de vóór de inwerkingtreding van de ZVW gesloten overeenkomsten voortvloeide, behouden bleef, en zo ja, of die verbintenis alleen voor ingezetenen gold of ook voor niet-ingezetenen.
128 In dit verband moet echter worden beklemtoond dat ieder verschil in behandeling tussen ingezetenen en niet-ingezetenen dat door de Nederlandse regering is teweeggebracht en met haar medewerking door in Nederland gevestigde verzekeringsmaatschappijen ten uitvoer is gelegd, indien het mocht komen vast te staan, anders dan de Nederlandse regering heeft betoogd, niet aan het verbod van artikel 21 VWEU ontsnapt op de enkele grond dat het niet berust op besluiten die rechtens bindend waren voor die maatschappijen.
129 Ook handelingen van organen van de lidstaten die geen bindende kracht hebben kunnen immers het gedrag van ondernemingen beïnvloeden en daardoor tot gevolg hebben dat het doel van artikel 21 VWEU niet wordt bereikt. Dat zou het geval zijn indien met een door verzekeringsmaatschappijen aanvaarde tariefpraktijk uitvoering werd gegeven aan een door de Nederlandse regering vastgelegd „politiek” akkoord dat ertoe strekt, te waarborgen dat de globale dekking alleen voor ingezetenen, met uitsluiting van niet-ingezetenen, behouden blijft (zie naar analogie arrest van 24 november 1982, Commissie/Ierland, 249/81, Jurispr. blz. 4005, punten 27‑29).
130 Gelet op het voorgaande moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 21 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een wettelijke regeling van een lidstaat als aan de orde in de hoofdgedingen, op grond waarvan een rechthebbende op pensioen of rente verschuldigd krachtens de wetgeving van die staat, die woont in een andere lidstaat, waar hij krachtens de artikelen 28 en 28 bis van verordening nr. 1408/71 recht heeft op verlening van verstrekkingen bij ziekte door het bevoegde orgaan van die laatste lidstaat, in de vorm van een inhouding op dat pensioen of die rente een bijdrage uit hoofde van die verstrekkingen moet betalen, ook al is hij niet ingeschreven bij het bevoegde orgaan van zijn woonstaat.
131 Artikel 21 VWEU moet daarentegen aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een dergelijke nationale wettelijke regeling voor zover deze – hetgeen de verwijzende rechterlijke instantie moet uitmaken – een ongerechtvaardigd verschil in behandeling tussen ingezetenen en niet-ingezetenen teweegbrengt of inhoudt voor wat betreft het behoud van de globale dekking tegen ziektekosten die ingezetenen en niet-ingezetenen hadden in het kader van vóór de inwerkingtreding van die wettelijke regeling gesloten verzekeringsovereenkomsten.
Kosten
132 Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart voor recht:
1) De artikelen 28, 28 bis en 33 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1992/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006, juncto artikel 29 van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 311/2007 van de Commissie van 19 maart 2007, moeten aldus worden uitgelegd dat daarmee niet onverenigbaar is een wettelijke regeling van een lidstaat zoals aan de orde in de hoofdgedingen, op grond waarvan een rechthebbende op pensioen of rente verschuldigd krachtens de wetgeving van die staat, die woont in een andere lidstaat, waar hij krachtens voormelde artikelen 28 en 28 bis recht heeft op verlening van verstrekkingen bij ziekte door het bevoegde orgaan van die lidstaat, in de vorm van een inhouding op dat pensioen of die rente een bijdrage uit hoofde van die verstrekkingen moet betalen, ook al is hij niet ingeschreven bij het bevoegde orgaan van zijn woonstaat.
2) Artikel 21 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een wettelijke regeling van een lidstaat als aan de orde in de hoofdgedingen, op grond waarvan een rechthebbende op pensioen of rente verschuldigd krachtens de wetgeving van die staat, die woont in een andere lidstaat, waar hij krachtens de artikelen 28 en 28 bis van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1992/2006, recht heeft op verlening van verstrekkingen bij ziekte door het bevoegde orgaan van die laatste lidstaat, in de vorm van een inhouding op dat pensioen of die rente een bijdrage uit hoofde van die verstrekkingen moet betalen, ook al is hij niet ingeschreven bij het bevoegde orgaan van zijn woonstaat.
Artikel 21 VWEU moet daarentegen aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een dergelijke nationale wettelijke regeling voor zover deze – hetgeen de verwijzende rechterlijke instantie moet uitmaken – een ongerechtvaardigd verschil in behandeling tussen ingezetenen en niet-ingezetenen teweegbrengt of inhoudt voor wat betreft het behoud van de globale dekking tegen ziektekosten die ingezetenen en niet-ingezetenen hadden in het kader van vóór de inwerkingtreding van die wettelijke regeling gesloten verzekeringsovereenkomsten.
ondertekeningen
- OPROEP VNGS LEDEN- 10-10-2010
CVZ legt te hoge definitieve jaarafrekeningen op
De praktijk heeft inmiddels geleerd, dat CVZ in een aantal gevallen een te hoge definitieve jaarafrekening oplegt. Let op: dit artikel is alleen van toepassing op diegenen die buiten Nederland wonen, een premievervangende Zvw-bijdrage betalen via inhouding op pensioenen/uitkeringen en in het woonland belastingplichtig zijn.
Het opleggen van een te hoge jaarafrekening kan gebeuren in die gevallen waarin door u geen opgaaf wereldinkomen is gedaan en er dus ook geen ‘Beschikking Niet in Nederland belastbaar inkomen’ (NiNbi) is vastgesteld.
In de thans bekende gevallen heeft CVZ haar definitieve jaarafrekening niet op een ‘Beschikking Niet in Nederland belastbaar inkomen’ gebaseerd en heeft zij bovendien een te hoog Nederlands inkomen verondersteld.
Het voorgaande betekent dat CVZ onrechtmatig heeft gehandeld.
Om vast te stellen of het voorgaande op u van toepassing is, dient u de bedragen die op de jaaropgaven van de Nederlandse uitkeringsinstanties (SVB, UWV, Pensioenfondsen en Verzekeraars voor wat betreft lijfrenten) zijn vermeld onder het kopje ´Loon voor Zvw´ of ´Loon voor Zorgverzekeringswet´ op te tellen en deze som te vergelijken met de Premiegrens voor de Zvw-bijdrage van het betreffende jaar.
In de onderstaande tabel is de Premiegrens voor de Zvw-bijdrage vermeld en vindt u dus ook al de informatie voor de nog komende definitieve jaarafrekeningen van CVZ.
|
Jaar |
Premiegrens voor Zvw-bijdrage |
|
2006 |
€ 30015 |
|
2007 |
€ 30623 |
|
2008 |
€ 31231 |
|
2009 |
€ 32369 |
|
2010 |
€ 33189 |
Is uw totaal aan `Loon voor Zvw´ en/of ´Loon voor Zorgverzekeringswet` lager dan de Premiegrens voor Zvw-bijdrage dan heeft u recht op teruggave van de door CVZ teveel in rekening gebrachte Zvw-bijdrage.
U kunt dit opeisen via een bezwaarschrift als de definitieve jaarafrekening minder dan 6 weken oud is. Is de definitieve jaarafrekening ouder dan 6 weken, dan kunt u een herzienings-verzoek indienen.
VNGS-leden die zich in het voorgaande herkennen worden gevraagd om dit kenbaar maken bij het bestuur en kunnen desgewenst een beroep doen op ondersteuning. Op basis van de gedane aanmeldingen zal deze zaak bovendien worden voorgelegd aan de Nationale Ombudsman zodat deze onrechtmatige gedraging in de toekomst wordt voorkomen.
Dus als de hiervoor beschreven situatie op u van toepassing is, meldt u zich dan zo snel mogelijk aan bij de secretaris van de VNGS onder mrjhueber@cs.com .
Theo Sanders
Zorgmysterie: 3,4 miljard euro tekort in 3 ¾ jaar
28-09-10 | 15:31
Telegraaf WUZzerr: Repelsteel senior | Leiden
‘Hoe zit dat nou?’, vroeg ik mijzelf af en dook weer eens in de verzamelde notities van de afgelopen tijd. De aanleiding is de mededeling van zorgverzekeraar DSW dat hun premie volgend jaar met 114 euro per jaar zal stijgen, omdat er een 3.4 miljard euro tekort zou zijn in het “Risicovereveningsfonds”, officieel het Zorgverzekeringsfonds geheten.
Samen met Kees en Piet in het cafeetje van Jan zat ik onder een kopje koffie naar de aantekeningen te kijken.
‘Dat tekort is dus in 3 ¾ jaar opgebouwd en DSW geeft er het beleid van Hoogervorst en Klink de schuld van’, zei ik.
‘Zij hebben de zorgkosten constant te laag beraamd’, zei Piet. ‘Kijk, het zijn particuliere verzekeraars en vóór de invoering van de Zorgverzekeringswet ( Zvw) was iedere particuliere verzekeraar wettelijk verplicht om ieder voor zich een reservefonds tegen financiële tegenvallers achter de hand te hebben. Met de invoering van de Zvw mochten de ziektekostenverzekeraars van de toenmalige regering Balkenende dit reservegeld voor reclamedoeleinden opmaken. De regering wilde dat het basispakket zo goedkoop mogelijk aan de bevolking zou worden gepresenteerd en dacht dat te kunnen bewerkstelligen door de verzekeringsmaatschappijen onderling te laten concurreren. Daarmee is destijds een enorm bedrag reservegeld aan reclame verpierewaaid.
Met de invoering de Zvw kwamen de particuliere verzekeraars met de regering overeen dat zij iedereen, ongeacht leeftijd en kwalen, zouden accepteren, maar eisten van de regering wel een compensatie regeling voor “slechte risico’s” en vergoeding voor alle medische zorg van de jeugd tot 18 jaar’.
‘ja, inderdaad, zo was het’, beaamde ik, ‘en daarvoor werd het “Risicovereveningsfonds” ingesteld. Wie zij nu de “slechte risico’s?” Wel dat zijn de gehandicapten, de chronisch zieken en de bejaarden.
Hoe wordt deze pot gespekt? Kort gezegd, de “Inkomensafhankelijke bijdrage” van alle Nederlanders in binnen - en buitenland verdwijnen in die pot. Verder stort de regering maandelijks een vastgesteld bedrag in dat fonds. De regering moet met haar bijdrage voorzichtig zijn en is gebonden aan EU regelgeving. Zij mag immers geen particuliere bedrijven subsidiëren en dat zijn de ziektekostenverzekeraars
Wat wordt er nog meer uit die pot betaald? Wel, uit die pot wordt de opleiding van verplegend personeel en de begeleiding van jonge artsen in ziekenhuizen betaald en nog meer van dit soort zaken. Maar het is hoofdzakelijk bestemd om de ziektekostenverzekeraars te compenseren, zodat zij zonder risico te lopen op financiële verliezen hun zaken kunnen doen. Één keer per jaar wordt nagegaan hoeveel “slechte risico’s”, elke maatschappij onder zijn klanten heeft en krijgt dan, via een verdeelsleutel, de vergoeding daarvoor.
Nou, vanochtend werd ons via radio en tv verteld dat die pot leeg is en daar snap ik niks van en ook niets van dat 3.4 miljard euro tekort’.
‘Tja’, zei Kees, die tot nu toe nog niet veel had gezegd, ‘voor de AWBZ betalen wij apart, dat komt dus niet uit dat fonds en onze basisverzekering betalen wij rechtstreeks aan de verzekeringsmaatschappij. Het lijkt erop dat zij gewoon totaal de financiële weg kwijt zijn. Daarbij komt nog dat, volgens jouw notities cijfers van CVZ, vóór de invoering van de Zvw in 2006 er 190.000 wanbetalers in de Zorg waren en vorig jaar september is dat opgelopen tot 340.000. In paniek heeft Klink toen wat maatregelen genomen en is het aantal wanbetalers volgens CVZ nu teruggelopen tot 150.000. Maar hun ziekenzorg gaat wel door en moet worden betaald. Dit soort zaken maken ook dat de premie voor de rest van de bevolking hoger wordt en het Risicovereveningsfonds de bodem laat zien. Misschien was ons oude systeem toch nog zo slecht niet'.
Opgaaf Wereldinkomen verplicht?
Velen ontvangen van de Belastingdienst het verzoek of de opdracht tot het doen van opgaaf van hun wereldinkomen.
Velen stellen mij de vraag ben ik verplicht om dit in te vullen of loop ik de kans te worden beboet als ik het niet doe.
Om de voorgaande vraag te beantwoorden moeten we eerst vaststellen wat de reden is dat de Belastingdienst u verzoekt om opgaaf te doen van uw wereldinkomen.
Het verzoek om opgaaf te doen van uw wereldinkomen kan door twee zaken worden ingeleid. U woont buiten Nederland en:
1) u ontvangt vanuit Nederland zorgtoeslag of kinderopvangtoeslag en/of;
2) u betaalt via Nederlandse uitkeringsinstanties (SVB, UWV en Pensioenfonds(en)) een premievervangende Zvw-bijdrage, die wordt afgedragen aan het CVZ.
In het eerste geval neemt de Belastingdienst zelf het initiatief om u te verzoeken opgaaf te doen van uw wereldinkomen. Dan bent u volgens de wet verplicht opgaaf te doen van uw wereldinkomen. Blijft u in gebreke dan kan de Belastingdienst u een verzuimboete opleggen. Maar voordat die verzuimboete kan worden opgelegd moet de Belastingdienst u wel de gelegenheid bieden om alsnog aan uw verplichting te voldoen.
In het tweede geval neemt het CVZ het initiatief. Zij verzoekt de Belastingdienst om u een opgaaf wereldinkomen te sturen. Dan bent u niet verplicht opgaaf te doen en is er ook geen sprake van een verzuimboete. Als u besluit geen opgaaf van uw wereldinkomen te doen, geeft de wet de Belastingdienst wel de ruimte om uw wereldinkomen ambtshalve vast te stellen en de Belastingdienst is dan ook verplicht om u dit via een Beschikking Niet in Nederland belastbaar inkomen (NiNbi) mede te delen. Indien u het niet eens bent met deze ambtshalve vastgestelde Beschikking NiNbi staan voor u de mogelijkheden van bezwaar en beroep open.
Theo Sanders
- OPROEP AAN VNGS LEDEN -
Kan CVZ een definitieve jaarafrekening vaststellen als u geen opgaaf wereldinkomen inzendt en er door de Belastingdienst ook geen Beschikking Niet in Nederland belastbaar inkomen (NiNbi) is vastgesteld?
Allereerst moet de vraag worden beantwoord wie een opgaaf wereldinkomen zouden moeten doen. Dit zijn volgens de Belastingdienst diegenen die in het buitenland wonen en een toeslag ontvangen (bijvoorbeeld zorgtoeslag of kinderopvangtoeslag) en/of een premievervangende Zvw bijdrage betalen. Dit noemen we verder de doelgroep. Dit artikel is dus niet van toepassing op diegenen die er voor hebben gekozen om in Nederland belastingplichtig zijn.
Velen hebben mij de vraag voorgelegd wat er gebeurt als men om wat voor redenen dan ook het verzoek van de Belastingdienst tot het opgeven van het wereldinkomen niet beantwoordt en de Belastingdienst ook geen Beschikking Niet in Nederland belastbaar inkomen vaststelt.
De vervolgvraag is of CVZ dan toch een definitieve jaarafrekening kan vaststellen. Het antwoord is NEE.
Op basis van de huidige wetgeving blijken een tweetal conclusies gerechtvaardigd. De eerste conclusie is dat de Belastingdienst altijd een ‘Beschikking Niet in Nederland belastbaar inkomen’ zal moeten vaststellen als u tot de hierboven geschetste doelgroep behoort (dus wonend in het buitenland een toeslag ontvangt en/of de premievervangende Zvw-bijdrage betaalt) en in het woonland belastingplichtig bent.
De tweede conclusie is dat CVZ nooit een definitieve jaarafrekening zal mogen vaststellen als er geen ‘Beschikking Niet in Nederland belastbaar inkomen’ is.
Zou het CVZ hiervan afwijken – en deze berichten hebben mij bereikt - dan is er reden voor klacht, bezwaar en beroep, maar ook voor een signaal aan de Nationale Ombudsman.
We willen de VNGS-leden hierbij graag ondersteunen. Daarom kunnen de VNGS-leden, die tot de voornoemde doelgroep behoren en in het woonland belastingplichtig zijn en waarbij CVZ een definitieve jaarafrekening heeft vastgesteld zonder dat er een ‘Beschikking Niet in Nederland belastbaar inkomen’ aan ten grondslag ligt, zich melden bij hun bestuur onder opgaaf van hun naam en voorletters, woonadres, email adres en BSN. Aanmeldingen worden verwacht voor medio oktober 2010.
Op basis van mijn huidige inzichten en de bevindingen van de Nationale Ombudsman zullen er vervolgens aan de VNGS-leden die zich hebben aangemeld concrete voorlichting en voorbeelden worden gegeven over de mogelijke klacht-, bezwaar- en beroepsprocedures.
Dus als u tot de voornoemde doelgroep behoort, meldt u dan zo snel mogelijk aan bij de secretaris van de VNGS op het volgende mail adres: mrjhueber@cs.com
Theo Sanders
DE KLINKKLARE NONSENS-BRIEF, ANALYSE
Telegraaf Repelsteel senior | Leiden
Ex-minister en onderhandelaar Klink strijdt met zijn geweten. Dat is zijn goed recht, maar wel heel erg laat. Dus toen de onderhandelingen vrijwel waren afgerond, steeg zijn gewetensnood naar het hoogtepunt. Zozeer zelfs, dat zijn politieke partij bijna in de afgrond werd gestort door zijn onhandig epistel. Waarom niet binnenskamers aan de fractie en aan Verhagen zijn hart gelucht? Dan had men een elegantere oplossing kunnen vinden.
Is deze minister aan het twijfelen gebracht of misschien zelfs onder druk gezet door de Mastodonten? Wij zullen het nooit weten, maar VVD Mastodont Wiegel verklaart vanochtend op de TV, dat hij het geen slimme zet vindt om dergelijke brieven te versturen. Zij lekken altijd uit.
Nu wij allen kennis hebben kunnen nemen van de inhoud van deze brief, neem ik de vrijheid wat kanttekeningen te plaatsen.
Ten eerste verbaasde het mij dat het een brief is vol herhalingen, aannames en ‘het is waarschijnlijk’. Ik had een veel intelligentere brief verwacht.
Klink schrijft: ‘Omdat de politieke samenwerking op een vertrouwensband moet berusten, volstaat overeenstemming over een aantal beslispunten niet, wil een kabinet geloofwaardig kunnen aantreden.´
Dat is een gotspe. De vier Kabinetten Balkenende zijn daarvan een bewijs. Om een meerderheid te verkrijgen heeft het CDA steeds concessies gedaan aan parijen met heel andere opvattingen dan het CDA en heeft daarmee coalities gevormd . Het waren dus geen ‘ liefdes’relaties, maar puur zakelijke politieke akkoorden die werden afgesloten. Geen enkel Kabinet Balkenende heeft de rit uitgezeten. Natuurlijk is zoiets niet aanbevelenswaard, maar toch. Er waren dus al eerder kabinetten op wankele basis.
Verder schrijft Klink: ‘ Wij staan immers voor grote uitdagingen, rond de overheidsfinanciën, maar ook op het gebied van integratie, asiel, migratie, duurzaamheid etc. Juist daarom is het ontzettend belangrijk dat een komend kabinet kan rekenen op draagvlak in de bevolking. Tegelijk is de kans groot dat er telkens sprake zal zijn van een erg smalle parlementaire meerderheid in de Tweede Kamer ( 76 en wellicht 78 zetels ).’
Ja, dat dank je de koekoek. Dat wist hij al voordat hij samen met Verhagen aan de onderhandelingen begon.
Klink: ‘Dat werd vandaag nog eens duidelijk tijdens de besprekingen over het gedoogakkoord. Geert Wilders stelde uiteraard dat hij de daarin genoemde maatregelen steunt. Het gaat immers om een samenhangend pakket aan besluiten, dat voor hem zo interessant is dat hij het kabinet steunt. De bezuinigingen van 18 miljard euro maken daar een deel van uit. Maar hij neemt die terecht alleen voor zijn rekening als hij er iets voor terugkrijgt. Een strenger asiel – en integratiebeleid bijvoorbeeld is voor hem essentieel.’
Wat verder in de brief gaat Klink op dit onderwerp door: ‘Neem het inburgeringsbeleid. De VVD en het CDA stellen dat de eisen omhoog moeten om mensen hier meer houvast en perspectief op een goed leven te geven. De PVV daarentegen benadrukt waarschijnlijk dat hierdoor juist minder migranten naar Nederland zullen komen en de Islamisering van de samenleving wordt verhinderd.’
Vervolgens op de gevoelige toer: ‘Hoe werkt dat door in de samenleving? Hoe voelt de moslima zich die op maanochtend met haar broodtrommeltje voor de verplichte inburgeringscursus gaat. Ziet zij de school als een instelling die haar helpt, of als een instituut dat ervoor zorgt dat haar geloofsgenoten indirect worden geweerd? Hoe voelt iemand zich die er gaat solliciteren?’
Wel wel, hier legt Klink Wilders woorden in de mond die hij niet heeft geuit, maar waarschijnlijk zal gaan uiten. En zo wat, als men een coalitie vormt, en zeker als men het ooit met vier of vijf partijen zal gaan proberen, zullen alle partijen om diverse redenen voor hetzelfde beleid stemmen. Zij zullen beslist niet allen dezelfde motieven hebben.
En van die sentimentele toon wordt ik doodmisselijk. Hoe werkt het door in de samenleving als bejaarden als een wegwerpartikel worden behandeld, minister Klink ? De AWBZ wordt steeds meer uitgekleed? Toestanden met rolstoelen, rollators, betalen voor een wandelingetje, voor WC papier, incontinentieluiers, koekje bij de thee, geen soepje vooraf. Hoe denkt u dat deze mensen zich voelen ? En dan de schandalige discriminatie en uitbuiting van de bejaarden die in het buitenland wonen, waardoor zij genoodzaakt waren naar het Europese Hof van Justitie te gaan ? Ook de leeftijdsdiscriminatie van ouderen bij preventieve kankeronderzoeken, terwijl ziekenfondsen in het buitenland dit al lang doen ? U was een van de ontwerpers van de ZVW in deze vorm, nog voordat u minister werd en toen u nog bij het Wetenschappelijk Instituut van het CDA werkte. Kom bij mij niet aan met spel van ‘de gevoelige snaar raken,’ bij uw fractie en de buitenwereld, want u meent het niet!
Verder heeft de minister het steeds over asiel- en migratiemaatregelingen. Wilders benadrukt steeds dat asielzoekers, mensen die om politieke redenen in levensgevaar verkeren, natuurlijk welkom zijn in ons land. Het is alleen de instroom van economische vluchtelingen waar paal en perk gesteld moet worden. Waarom dan dat sentimentele toevoeginkje van de moslima en haar broodtrommeltje op maandagochtend ?
Want Klink schrijft vervolgens ? : ‘Daarmee zeg ik niet dat stevige maatregelen bij asiel en migratie, bij inburgering en strafrecht niet zinnig zijn. Daar ligt het probleem niet. Maar wel bij de intenties die men bij het beleid heeft, en die werken – helaas wellicht- wel degelijk door in het beleid; in overtuigingskracht van de politiek en in de verhoudingen in de samenleving.’
Asjemenou, wat wil hij nu, toch een strenger immigratie beleid? Toch stevige maatregelen bij het asiel en migratie en inburgering ? Wat moet die arme Moslima met haar broodtrommeltje op maandagochtend daar wel van denken ? Wat verwijt Klink Wilders eigenlijk ? Zowel bij Klink als bij Wilders komen de familieleden van die arme Moslima als economische vluchteling moeilijker het land binnen en bij Klink wordt het voor asielzoekers ook moeilijker gemaakt.
Maar door de hele brief schemert het werkelijke motief van deze minister en wel de angst dat in Nederland scholen op religieuze basis zullen worden vervangen door alleen maar openbare scholen. De VVD en de PVV zijn daar voorstander van.
CVZ schuldig aan vertraging bij de vaststelling wereldinkomen
Mij bereiken vele vragen en klachten waarom het zo lang duurt vooraleer de Belastingdienst de verdragsgerechtigden opdracht geeft tot het doen van aangifte van hun wereldinkomen over de jaren 2008 en 2009.
De aangifte van het wereldinkomen is immers de basis voor de “Beschikking Niet in Nederland Belastbaar inkomen” en de datum van deze Beschikking is volgens artikel 6.3.3 lid 3 van de Regeling Zorgverzekering weer bepalend voor het CVZ om tot de vaststelling van uw Definitieve Jaarafrekening te komen.
Volgens de informatie van de Belastingdienst zijn de volgende gebeurtenissen aanleiding voor de opdracht van de belastingdienst tot het doen van aangifte over het wereldinkomen in een bepaald jaar:
1) u of uw partner woont buiten Nederland en ontvangt een toeslag van de Belastingdienst/Toeslagen, zoals zorgtoeslag of kinderopvangtoeslag;
2) u of een gezinslid woont buiten Nederland en betaalt een premievervangende Zvw bijdrage aan het CVZ.
Omdat CVZ de enige partij is, die weet van welke verdragsgerechtigden er in een bepaald jaar een premievervangende Zvw bijdrage is ontvangen, is het CVZ ook de enige die aan de Belastingdienst opgaaf doet van verdragsgerechtigden van wie het wereldinkomen dient te worden vastgesteld.
Aangezien in ieder geval de mij bekende verdragsgerechtigden tot op heden nog geen opdracht van de Belastingdienst hebben gekregen om opgaaf te doen van hun wereldinkomen over 2008 en 2009, staat voor hen vast dat CVZ zelf de veroorzaker is van de vertraging bij de vaststelling van hun wereldinkomen over de voornoemde jaren. Dit heeft dan ook als gevolg dat CVZ op zijn vroegst pas in 2011 verplicht zal zijn om uw definitieve jaarafrekening over 2008 vast te stellen.
We hebben eveneens moeten vaststellen dat CVZ zich ook niet gehouden heeft aan de wettelijke verplichting om voor 30 september 2009 u de voorlopige jaarafrekening over 2008 te doen toekomen.
Daar waar u zou moeten kunnen rekenen op een zorgvuldig, adequaat en tijdig functionerend bestuursorgaan, meent het CVZ zelf de spelregels te mogen dicteren.
Omdat de hiervoor genoemde gedragingen van CVZ als zeer onbehoorlijk worden ervaren, heb ik het voorgaande voorgelegd aan de Nationale Ombudsman.
Theo Sanders
WOONLANDFACTOREN 2010
Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 november 2009, nr. Z/VV-2969218, houdende wijziging van de Regeling zorgverzekering in verband met het vaststellen van de woonlandfactoren voor het jaar 2010 ten behoeve van de gedifferentieerde berekening van de bijdrage voor verdragsgerechtigden
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
Gelet op artikel 69, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet;
Besluit:
ARTIKEL I
Artikel 6.3.1. van de Regeling zorgverzekering wordt als volgt gewijzigd:
1. In het zevende lid wordt ‘eerste tot en met derde lid’ vervangen door: eerste en tweede lid.
2. In het achtste lid wordt ‘derde lid’ vervangen door: tweede lid.
ARTIKEL II
Bijlage 8 van de Regeling zorgverzekering komt te luiden als volgt:
BIJLAGE 8
Bijlage behorend bij artikel 6.3.1 van de Regeling zorgverzekering
Het in artikel 6.3.1, eerste lid, bedoelde verhoudingsgetal voor het jaar 2010, de gemiddelde uitgaven voor zorg in het woonland en de gemiddelde uitgaven voor zorg voor Nederland voor het jaar dat overeenkomt met het jaar waarvoor de kosten in het woonland zijn berekend, zijn in Tabel 8 opgenomen in respectievelijk de kolom Woonlandfactor, de kolom Gemiddelde zorgkosten woonland en de kolom Gemiddelde zorgkosten Nederland en luiden als volgt:
|
Tabel 8 |
|
Land |
Berekeningsjaar |
Gemiddelde zorgkosten woonland |
Gemiddelde zorgkosten Nederland1 |
Woonlandfactor |
|
België |
2007 |
€ 1.973,10 |
€ 2.890,21 |
0,6827 |
|
Bosnië-Herzegovina |
2007 |
€ 156,75 |
€ 2.890,21 |
0,0542 |
|
Bulgarije |
2006 |
€ 130,45 |
€ 2.874,25 |
0,0454 |
|
Cabo Verde |
2007 |
€ 93,23 |
€ 2.890,21 |
0,0323 |
|
Cyprus |
2005 |
€ 404,66 |
€ 2.939,58 |
0,1377 |
|
Denemarken |
2006 |
€ 1.894,10 |
€ 2.874,25 |
0,6590 |
|
Duitsland |
2007 |
€ 2.112,85 |
€ 2.890,21 |
0,7310 |
|
Estland |
2007 |
€ 426,08 |
€ 2.890,21 |
0,1474 |
|
Finland |
2005 |
€ 1.565,76 |
€ 2.939,58 |
0,5326 |
|
Frankrijk |
2007 |
€ 2.238,90 |
€ 2.890,21 |
0,7747 |
|
FRJ Kosovo |
2006 |
€ 191,73 |
€ 2.874,25 |
0,0667 |
|
FRJ Montenegro |
2002 |
€ 148,06 |
€ 2.448,29 |
0,0605 |
|
FRJ Servië |
2006 |
€ 191,73 |
€ 2.874,25 |
0,0667 |
|
FRJ Vojvodine |
2006 |
€ 191,73 |
€ 2.874,25 |
0,0667 |
|
Griekenland |
2006 |
€ 886,67 |
€ 2.874,25 |
0,3085 |
|
Groot-Brittannië |
2006 |
€ 2.140,89 |
€ 2.874,25 |
0,7449 |
|
Hongarije |
2007 |
€ 418,63 |
€ 2.890,21 |
0,1448 |
|
Ierland |
2004 |
€ 2.747,78 |
€ 2.700,19 |
1,0176 |
|
IJsland |
2006 |
€ 3.113,78 |
€ 2.874,25 |
1,0833 |
|
Italië |
2006 |
€ 1.693,97 |
€ 2.874,25 |
0,5894 |
|
Kroatië |
2007 |
€ 479,63 |
€ 2.890,21 |
0,1660 |
|
Letland |
2007 |
€ 281,51 |
€ 2.890,21 |
0,0974 |
|
Liechtenstein |
2007 |
€ 2.005,12 |
€ 2.890,21 |
0,6938 |
|
Litouwen |
2007 |
€ 306,23 |
€ 2.890,21 |
0,1060 |
|
Luxemburg |
2007 |
€ 2.360,47 |
€ 2.890,21 |
0,8167 |
|
Macedonië |
2007 |
€ 129,38 |
€ 2.890,21 |
0,0448 |
|
Malta |
2006 |
€ 588,06 |
€ 2.874,25 |
0,2046 |
|
Marokko |
2002 |
€ 30,56 |
€ 2.448,29 |
0,0125 |
|
Noorwegen |
2007 |
€ 4.111,96 |
€ 2.890,21 |
1,4227 |
|
Oostenrijk |
2007 |
€ 1.906,35 |
€ 2.890,21 |
0,6596 |
|
Polen |
2005 |
€ 226,07 |
€ 2.939,58 |
0,0769 |
|
Portugal |
2006 |
€ 896,01 |
€ 2.874,25 |
0,3117 |
|
Republika Srpska |
2007 |
€ 156,75 |
€ 2.890,21 |
0,0542 |
|
Roemenië |
2005 |
€ 128,35 |
€ 2.939,58 |
0,0437 |
|
Slovenië |
2007 |
€ 828,59 |
€ 2.890,21 |
0,2867 |
|
Slowakije |
2005 |
€ 310,97 |
€ 2.939,58 |
0,1058 |
|
Spanje |
2007 |
€ 1.177,12 |
€ 2.890,21 |
0,4073 |
|
Tsjechië |
2007 |
€ 621,03 |
€ 2.890,21 |
0,2149 |
|
Tunesië |
2005 |
€ 61,52 |
€ 2.939,58 |
0,0209 |
|
Turkije |
2005 |
€ 136,28 |
€ 2.939,58 |
0,0464 |
|
Zweden |
2007 |
€ 2.364,59 |
€ 2.890,21 |
0,8181 |
|
Zwitserland |
2007 |
€ 1.486,58 |
€ 2.890,21 |
0,5143 |
XNoot
De gemiddelde zorgkosten van Nederland komen telkens overeen met het jaar waarvoor de gemiddelde zorgkosten van het woonland zijn berekend.
Bronvermelding gegevens (voor het genoemde berekeningsjaar):