HOME


(klik hier voor WORD document)


PER AANGETEKENDE POST MET HANDTEKENING RETOUR
Aan de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank

Postbus 357

1180 AJ Amstelveen

[OVERNEMEN WAT GEWENST IS:

NEDERLAND / PAYS-BAS / PAÍSES BAJOS / PAÍSES BAIXOS]

 

AANVULLEND BEZWAARSCHRIFT (artt. 6:4 lid 1 jo. 7:1 AWB)

1.      Bij brief van [DATUM] heb ik, [NAAM], wonende te [ADRES], op grond van artikel 7:1 Algemene wet bestuursrecht bezwaar gemaakt tegen het besluit van het de Sociale Verzekeringsbank ("SVB"), genomen op [DATUM VAN DE AAN U GERICHTE AOW SPECIFICATIE VOOR JULI], kenmerk nr. [REFERENTIE VAN DE AAN U GERICHTE SPECIFICATIE], waarin de op mij van toepassing zijnde woonlandfactor is vastgesteld en conform wordt ingehouden.

2.      Bij brief van [DATUM] hebt u mij verzocht de gronden van het bezwaar aan te vullen. Door middel van dit aanvullend bezwaarschrift geef ik aan dit verzoek gevolg.

3.      Ik teken aan dat ik er geen bezwaar tegen heb wanneer de behandeling van het onderhavige bezwaar wordt opgeschort totdat is beslist in een of meer reeds bij SVB en/of het College voor zorgverzekeringen aanhangige proefprocedures.

DE NADERE GRONDEN VOOR HET BEZWAAR ZIJN DE VOLGENDE:

4.      De woonlandfactor vormt een onderdeel van de wijziging van de Regeling Zorgverzekering ter uitvoering van kortgedingvonnis van de President van de Rechtbank Den Haag van 31 maart jl. (de "Wijzigingsregeling"). In dat kortgedingvonnis heeft de President van de Rechtbank Den Haag bepaald dat:

"het bepaalde in artikel 6.3.1 – in het bijzonder: het bepaalde in lid 1 aanhef en onder b – van de Regeling zorgverzekering buiten toepassing [moet worden ge]laten, voorzover het desbetreffende onderdeel van de bijdrage uitgaat boven het bedrag dat het woonland in kwestie ter zake in rekening brengt aan de Staat".

5.      Het genoemde artikel 6.3.1. lid 1 aanhef en sub b Regeling zorgverzekering zag op de zogenaamde AWBZ-component in de verplichte bijdrage. De President achtte deze bepaling, die in het buitenland wonende gepensioneerden verplichtte een bijdrage te betalen ten belope van 70% van de AWBZ-premie, onmiskenbaar onverbindend vanwege het feit dat, kort gezegd, in de meeste woonlanden geen of nagenoeg geen AWBZ-equivalente verstrekkingen bestaan en de verplichte bijdrage in veel gevallen aanzienlijk hoger is dan het bedrag dat Nederland terzake van de verstrekkingen aan de betrokken gepensioneerde aan de bevoegde instantiesvan diens woonland dient te betalen. De President oordeelde dat de bestreden bijdrageregeling onmiskenbaar onverbindend wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel, mede bezien in samenhang met de artikelen 18 en 39 EG-Verdrag (de basisbepalingen inzake het vrij verkeer van personen.

6.      De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (de "Minister") heeft ervoor gekozen om de bijdrageregeling integraal te herzien in het licht van het kortgedingvonnis. Die keuze ontslaat hem echter niet van de verplichting de overwegingen en het dictum van het kortgedingvonnis in acht te nemen. Meer in het bijzonder dient de Minister ervoor te waken dat hij niet opnieuw een maatregel neemt die onverenigbaar is met het gelijkheidsbeginsel.De nieuwe regeling is echter wederom onmiskenbaar onverenigbaar met genoemd beginsel, en levert onverminderd in veel gevallen een ernstige belemming van het vrij verkeer van personen op. Dit laat zich als volgt toelichten

7.      Het toepassen van een woonlandfactor, zoals geïntroduceerd in de Wijzigingsregeling, is op zich een passende manier om rekenschap te geven van de verschillen in verstrekkingenpakketten waarop gepensioneerden in hun respectievelijke woonlanden, mede bezien in vergelijking met de Nederlandse situatie, aanspraak kunnen maken.

8.      Het is echter onbegrijpelijk en rehctens niet aanvaardbaar dat de Minister de woonlandfactoren heeft gebaseerd op een vergelijking van de gemiddelde verstrekkingen aan de gehele bevolking in plaats van een vergelijking van verstrekkingen­pakketten aan gepensioneerden.

9.      De gemiddelde kosten van verstrekkingen aan gepensioneerden, althans in Nederland, zijn zeer veel hoger dan de gemiddelde kosten van verstrek­kingen aan de totale bevolking. Dit laat zich voor een belangrijk deel verklaren door het feit dat de AWBZ-verstrekkingen, die meer dan de helft van de totale kosten van de zorg vertegenwoordigen, voor het overgrote deel uitsluitend aan gepensioneerden ten goede komen. Juist op dat punt onderscheidt het Nederlandse zorgstelsel zich van het buitenland. Een in Nederland wonende gepensioneerde mag er, na jarenlang hoge AWBZ-premies te hebben betaald, op vertrouwen dat hij aanspraak kan maken op het volledige AWBZ-pakket. De in het buitenland wonende gepensioneerde, die eveneens jarenlang AWBZ-premies heeft betaald (daarom valt hij immers onder de regeling), mag dat niet. Door de woonland­factor te baseren op de gemiddelde kosten van verstrekkingen aan de gehele bevol­king, benadeelt de Minister met de Wijzigingsregeling derhalve wederom specifiek de gepensioneerden.

10.  Het nadeel dat gepensioneerden ondergaan doordat de woonlandfactor wordt gebaseerd op de gemiddelde kosten van verstrekkingen aan de gehele bevolking blijkt duidelijk uit bijlage 1 bij dit aanvullend bezwaarschrift. In nagenoeg alle gevallen beloopt het verschil vele tientallen procenten. Het lijdt geen twijfel dat de Minister zich van dit verschil bewust moet zijn geweest. Het is immers ondenkbaar dat het Ministerie niet tevens de gevolgen heeft doorgerekend van de keuze voor de wél voor de hand liggende woonlandfactor. De Minister zal zich ook hebben moeten realiseren dat het verschil zijn primaire oorzaak vindt in het ontbreken van een equivalent van de AWBZ in andere lidstaten, als gevolg waarvan het verschil tussen de gemiddelde kosten van verstrekkingen aan de gehele bevolking en van de gemiddelde kosten van verstrekkingen aan gepensioneerden voor andere EG-lidstaten doorgaans veel lager is dan voor Nederland.

11.  De keuze voor de gemiddelde kosten van verstrekkingen aan de gehele bevolking is eens te meer onaanvaardbaar, omdat tussen de lidstaten in het kader van Verordening 1408/71 terzake van verstrekkingen aan gepensioneerden wordt afgerekend op basis van gemiddelde kosten van verstrekkingen aan gepensioneerden. Bij de keuze voor een woonlandfactor gerelateerd aan de grondslag voor de onderlinge verrekeningen tussen gepensioneerden wordt derhalve afgerekend op een basis die rechtstreeks samenhangt met de hoogte van de betalingen die Nederland dient te verrichten terzake van bijdrageplichtigen. Doordat de Minister heeft gekozen voor een nadelige en niet-representatieve woonlandfactor komt het onverminderd voor dat Nederland "winst" maakt op de bijdragen die aan gepensioneerden in rekening worden gebracht.

12.  Het feit dat onder de Wijzigingsregeling gepensioneerden in sommige landen zelfs meer moeten gaan betalen dan onder de oorspronkelijke regeling (en zelfs meer dan in Nederland wonende verzekerden), terwijl de gemiddelde waarde van de verstrekkingen waarop zij aanspraak kunnen maken minder is dan de gemiddelde waarde van verstrekkingen aan gepensioneerde verzekerden in Nederland, valt uitsluitend en geheel toe te schrijven aan de keuze voor een manifest foute woonlandfactor. Indien de Minister had gekozen voor de woonlandfactor gebaseerd op de gemiddelde kosten van verstrekkingen aan gepensioneerden, zou in geen enkel geval een gepensioneerde méér zijn gaan betalen. Het is immers onverminderd een vaststaand feit dat de gemiddelde kosten van verstrekkingen aan gepensioneerden in Nederland veel tot vele malen hoger zijn dan in eender welk ander Europees land. Als gezegd valt dat bijna geheel toe te schrijven aan de AWBZ. Bijlage 1 geeft wederom de cijfermatige onderbouwing voor deze feiten en constateringen 

13.  De keuze voor een woonlandfactor gebaseerd op de gemiddelde kosten van verstrekkingen aan gepensioneerden had voorts eens te meer voor de hand gelegen omdat die factor eenvoudig valt te berekenen op basis van de cijfers die door de Europese Commissie worden geverifieerd en goedgekeurd en die algemeen bekend worden gemaakt. Het Ministerie had zich de bijzondere inspanningen om gemiddelde kosten van verstrekkingen van de diverse woonlanden aan de totale bevolking te (re)construeren eenvoudig kunnen besparen door de openbare, door de Commissie geaccordeerde cijfers te nemen. De keuze voor een woonlandfactor gebaseerd op de gemiddelde kosten van verstrekkingen aan gepensioneerden is eenvoudig berekenen op basis van de cijfers die door de Administratieve Commissie worden geverifieerd en goedgekeurd en die algemeen bekend worden gemaakt en niet eenzijdig door Nederland zijn te beïnvloeden, zoals dat nu wel het geval is.

14.  Door te kiezen voor niet uit een objectieve bron afkomstige cijfers, die bovendien manifest niet representatief zijn voor de werkelijke kosten van verstrekkingen aan de bevolkingsgroep waar het hier om gaat, heeft de Minister niet alleen het gelijkheidsbeginsel, maar ook het zorgvuldigheidsbeginsel en het verbod van willekeur geschonden.

15.  Inherent aan het stelsel van de Zorgverzekering en de AWBZ is de verticale solidariteit tussen leeftijdsgroepen. Premies zijn leeftijdsonafhankelijk, terwijl het volume (ook in geld) van verstrekkingen aan ouderen gemiddeld aanzienlijk hoger zijn. Een en ander betekent dat verzekerden in hun jongere jaren relatief "te" veel betalen. Zij subsidiëren de ouderen. Men kan het ook anders stellen: de verzekerde betaalt in zijn jongere jaren méér teneinde ook in de latere fase van zijn leven verzekerd te zijn van gezondheidszorg tegen redelijke voorwaarden. Door de gepensioneerden in het buitenland te belasten op basis van een vergelijking van de gemiddelde kosten van verstrekkingen aan de gehele bevolking, miskent de Minister onverminderd het element van verticale solidariteit dat inherent is aan de betrokken wetgeving. Hij kiest immers welbewust een heffingsgrondslag die veronderstelt dat de gehele bevolking in gelijke mate aanspraak maakt op AWBZ-verstrekkingen, terwijl die verstrekkingen weliswaar door heffingen van de gehele premieplichtige bevolking worden gefinancierd, maar in overwegende mate aan gepensioneerden ten goede komen.

16.  Ten aanzien van de verenigbaarheid van de Wijzigingsregeling met het dictum van het kortgeding­vonnis geldt het volgende. De President heeft de Staat gelast na te gaan in hoeverre de kosten van verstrekkingen voor AWBZ-achtige verstrekkingen in de respectievelijke woonlanden aan de Staat in rekening worden gebracht. Direct gevolg van de uitspraak is dat de Staat een korting moet toepassen ten belope van de totale AWBZ-component van de oorspronkelijke bijdrage ten aanzien van pensioengerechtigden in landen die dergelijke verstrekkingen niet kennen (althans niet AWBZ-achtige verstrekkingen die onder het regime van Verordening 1408/71 vallen). Voorbeelden zijn Spanje, Frankrijk en België. De Wijzigingsregeling leidt evenwel tot een korting op de oorspronkelijke bijdrage die in het geval van Frankrijk en België aanzienlijk minder is dan het bedrag van de AWBZ-component. Doordat de Staat voorts in het geheel niet (eens) heeft gepoogd om aan te tonen dat aan de eisen van het kortgedingvonnis is voldaan, staat voldoende vast dat de Staat het dictum van het vonnis schendt. Dit zou anders zijn geweest indien de Minister een woonlandfactor gebaseerd op de gemiddelde kosten van verstrekkingen aan gepensioneerden zou hebben genomen. Dit is een derde reden waarom moet worden geoordeeld de Minister ten onrechte de gemiddelde kosten van verstrekkingen aan de gehele bevolking als maatstaf heeft genomen.

 

OP DEZE GRONDEN VERZOEK IK U

het besluit geheel te herroepen en alsnog te besluiten dat de woonlandfactor die op mij van toepassing dient te zijn, gebaseerd is op de door het woonland in rekening gebrachte kosten, conform de berekening in Bijlage 1, onder vergoeding van de kosten die ik in verband met de behandeling van mijn bezwaren heb moeten maken wegens aan het SVB toe te rekenen onrechtmatigheid.

In afwachting van uw reactie,

verblijf ik,

met vriendelijke groet,

 [ONDERTEKENING]

 

[NAAM]


(klik hier voor WORD document)